beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444157 / FA RK 26-309
Datum uitspraak: 23 april 2026
beschikking over ontzeggen contact en nakoming van de zorgregeling
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.C. Hissink in Tilburg,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A.J.W. Vugs in Tilburg,
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2015, hierna: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2018, hierna: [minderjarige 2] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1. Het procesverloop
Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
- het op 16 januari 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het stelbericht van mr. Vugs van 13 februari 2026;
- het retourformulier van [minderjarige 1] , ontvangen op 23 maart 2026, waarin zij aangeeft niet op gesprek te zullen komen, maar wel haar wensen aangeeft;
- het op 27 maart 2026 ontvangen verweerschrift met het zelfstandig verzoek met bijlagen;
- het F9-formulier met bijlagen van mr. Hissink van 8 april 2026, met de producties 10 tot en met 12.
Op 15 april 2026 heeft de rechtbank de verzoeken mondeling behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Partijen bijgestaan door hun advocaten, waren daarbij aanwezig. Ook was een medewerkster namens de Raad aanwezig.
Gelet op haar leeftijd is de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld om haar mening over de verzoeken kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kindgesprek’ of via het schrijven van een brief. [minderjarige 1] heeft daarop aangegeven niet op kindgesprek te zullen komen. Wel schrijft zij de kinderrechter als volgt:
“Hallo rechter, ik wil graag weer de normale dagen om te wisselen. Papa, mama om de beurt. Ik wil allebei mijn ouders zien en ik wil m’n moeder zien maar mijn vader ook.”
2. De feiten
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad.
Binnen de relatie van partijen zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn door de man erkend.
Bij beschikking van deze rechtbank van 30 januari 2023 heeft de rechtbank bepaald dat partijen voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Partijen hebben afspraken met elkaar gemaakt over de gevolgen van de beëindiging van hun relatie en de zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . In het ouderschapsplan van 21 juli 2022 spraken partijen, voor zover hier van belang, af dat zij hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw en zij bij de man verblijven:
- in de oneven weken van maandag uit school tot dinsdag 18.00 uur;
- in de oneven weken van zaterdag 9.00 uur tot dinsdag 18.00 uur in de even week.
Daarnaast hebben partijen afspraken gemaakt over de verdeling van de vakanties en bijzondere dagen. Bij beschikking van 2 augustus 2022 heeft de rechtbank bepaald dat de regelingen uit dit ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking.
Partijen hebben nadere afspraken met elkaar gemaakt over de invulling van het ouderlijk gezag in het ouderschapsplan van 7 november 2022. Bij voormelde beschikking van 30 januari 2023 heeft de rechtbank bepaald dat de regelingen uit dat ouderschapsplan deel uitmaken van die beschikking.
3. De verzoeken
De vrouw verzoekt om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
te wijzigen de bij ouderschapsplan d.d. juli 2022 overeengekomen contactregeling tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en zonodig onder wijziging van de beschikking d.d. 2 augustus 2022 opnieuw rechtdoende de man het recht om omgang met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te hebben te ontzeggen dan wel dat recht op te schorten onder nader door de rechtbank te stellen voorwaarden, dan wel te wijzigen op een wijze zoals de rechtbank deze regeling vermeent te behoren.
De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw en verzoekt dit verzoek dit verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans af te wijzen.
Bij wijze van zelfstandige verzoeken, verzoekt de man de rechtbank om bij beschikking, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
de vrouw te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling zoals vastgesteld in de beschikking van uw rechtbank d.d. 2 augustus 2022 welke regeling tot de opschorting door partijen werd uitgevoerd op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag of dagdeel dat de vrouw hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 6.000,00;
subsidiair
althans de vrouw te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling zoals vastgesteld in de
beschikking van uw rechtbank d.d. 2 augustus 2022 welke regeling tot de opschorting door
partijen werd uitgevoerd, met dien verstande dat de kinderen de eerste maand iedere
zaterdagochtend tussen 10.00 uur en 13.00 uur bij de man zijn en iedere maandagmiddag na
school tot 17.30 uur, althans een andere opbouwregeling als uw rechtbank in goede justitie
vermeent te behoren, een en ander op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor iedere
dag of dagdeel dat de vrouw hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 6.000,00.
4. De standpunten en het advies van de Raad
Door en namens de vrouw wordt ter onderbouwing van haar verzoek, samengevat, het volgende aangevoerd. Sinds november 2025 woont de man op zichzelf, daarvoor woonde hij bij zijn ouders. Wanneer [minderjarige 1] en [minderjarige 2] contact hebben met de man, is dat vaak samen met de andere dochter van de man. Op 2 december 2025 is de vrouw door de moeder van de man geïnformeerd dat zij in de woning van de man drugs heeft aangetroffen. De man heeft later bevestigd dat hij drugs gebruikt en vanuit zijn woning ook dealt en andere gebruikers in de woning laat. De vrouw heeft daarna besloten om het contact op te schorten. Sindsdien is er geen fysiek contact meer tussen de man en de minderjarigen. Wel hebben zij geregeld telefonisch contact met elkaar.
De vrouw maakt zich ernstige zorgen over de veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als zij bij de man zijn. Het gedrag van de man gaat van kwaad tot erger. Hij bedreigt niet alleen zijn ex-partner, maar ook zijn eigen moeder en tante. De vrouw wijst daarnaast op diverse zorgmeldingen die zijn gedaan bij Veilig Thuis, op haar zorgen over drugsgebruik van de man, op de situatie tussen de man en zijn ex-partner en op de foto’s die de man stuurt waarop hij met een wapen te zien is en de berichten van de man aangaande zijn geloof. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn ook direct getuige geweest van zijn handelen. Zij zijn angstig en willen op deze manier geen contact met de man. De man kan niet inschatten wat de impact van zijn handelen op de kinderen is. Zij raken daarvan overstuur. Daarnaast bemoeit de man zich ongevraagd met de huidige relatie van de vrouw. Hij lijkt niet te kunnen verkroppen dat de vrouw een nieuwe relatie heeft. De vrouw acht contact tussen de man en de kinderen niet langer verantwoord. Het hebben van contact met de man druist in tegen hun belangen. Aan de ontzeggingsgronden van 1:377a BW wordt voldaan.
[hulpverlening 1] is betrokken. De man heeft inmiddels een intakegesprek bij [hulpverlening 2] gehad en de vrouw heeft dit gesprek op 16 april 2026. Zij legt daar als hulpvraag neer hoe het contact tussen de man en de kinderen veilig moet verlopen en wat daarvoor nodig is. De vrouw staat open voor een verwijzing van partijen en de kinderen naar het Uniform Hulp Aanbod (hierna: UHA). Op die manier kan de Raad versneld onderzoek doen als de hulpverlening niet slaagt. De vrouw vindt het belangrijk, mits veilig, dat er tussentijds een vorm van contact is tussen de man en zijn dochters. Het vastleggen van een tijdelijke regeling met belmomenten is voor de vrouw een optie, ook omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aangeven dit te willen. Belangrijk daarbij is om voor beide kinderen dezelfde regeling te bepalen. Eerder hebben partijen al afspraken gemaakt over belmomenten, maar de man is hierin inconsequent. Het verzoek van de vrouw kan, in afwachting van de resultaten van het UHA-traject, worden aangehouden.
Door en namens de man wordt, samengevat, het volgende aangevoerd. De man heeft zijn dochters na 2 december 2025 niet meer gezien, terwijl er geen redenen zijn om het contact te ontzeggen. Aan de ontzeggingsgronden van artikel 1:377a BW wordt niet voldaan; de man is goed in staat tot het hebben van contact met de kinderen en het contact is niet in strijd met hun zwaarwegende belangen. Er zijn geen contra-indicaties voor contact. De man erkent weliswaar dat er drugs in zijn woning aanwezig waren, maar deze waren niet van hem. Mogelijk dat vrienden de drugs na een huisfeestje zijn verloren. De man gebruikt geen drugs en dealt niet. Hij heeft in de maanden voor het contact werd verbroken steeds aan het begin van de contactmomenten vrijwillig een drugstest gedaan. Uit deze tests bleek altijd dat de man niet had gebruikt. De man ontkent en betwist dan ook alle beschuldigingen van de vrouw. Opvallend is dat de vrouw augustus jongstleden nog geen zorgen had. De man verwijst hierbij naar productie 12 die door de vrouw in het geding is gebracht. Tussen partijen is er geen sprake van ex-partnerproblematiek of andere onrust. De man vindt de vrouw een goede moeder en heeft niets tegen haar. Dat hij de vrouw waarschuwt voor haar huidige partner doet hij ter bescherming van de vrouw. De man betwist dat de kinderen bang van hem zijn. [minderjarige 1] heeft zelf via TikTok contact met de man opgenomen. Toen de vrouw daar achter kwam, heeft zij aangegeven dat [minderjarige 1] gewoon mocht bellen en appen. De man bevestigt dat [hulpverlening 2] is ingeschakeld om begeleide contactmomenten op te starten. De man vindt dit niet nodig, maar werkt mee om zijn kinderen te kunnen zien. De wachttijd bij [hulpverlening 2] blijkt 20 weken. 20 weken zonder contact duurt te lang. De man staat open voor een verwijzing naar het UHA. Er moet daarbij wel gekeken worden naar een tijdelijke regeling, in afwachting van het starten van de hulpverlening. Ook wenst de man iets te regelen rondom de verjaardag van [minderjarige 1] .
De Raad adviseert de rechtbank, samengevat, als volgt. De overgelegde stukken baren de Raad zorgen. Partijen hebben tegengestelde verhalen over de situatie en over wat er is gebeurd. Anders dan de man, ziet de Raad uit de stukken wel degelijk dat er zorgen zijn over het gedrag van de man en over drugsgebruik. Gelet op de wens van de kinderen om het contact met hun vader te herstellen moet hiervoor aandacht zijn. Een contactbreuk betekent veel voor hen. De Raad vindt dat er een vorm van contact tussen de man en de kinderen moet zijn en kan zich vinden in het (tijdelijk) vastleggen van belmomenten. Omdat het een complex dossier betreft waarbij mogelijk sprake is van drugsgebruik door de man, is het raadzaam om de verdere invulling van het contact over te laten aan [hulpverlening 2] . De Raad ondersteunt een verwijzing naar het UHA. Een stok achter de deur in de vorm van betrokkenheid van de Raad kan helpend zijn. Bij het herstellen van het contact benadrukt de Raad dat weer moet worden toegewerkt naar hoe het contact eerder was vormgegeven.
5. De beoordeling
Uniform Hulp Aanbod
Op dit moment vindt er geen fysiek contact plaats tussen de man en de kinderen. De vrouw heeft gegronde zorgen over de veiligheid van de kinderen als zij bij de man zijn. Partijen verschillen van mening over de situatie van de man en de ernst van de zorgen. Hun verstandhouding en communicatie is ernstig verstoord. De vrouw heeft, vanwege haar zorgen, de contacten tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] stopgezet. Partijen zijn niet in staat om samen naar oplossingen te kijken over het hervatten van het (fysieke) contact. De kinderen en de man hebben wel telefonisch contact. Partijen hebben hierover ter zitting nadere afspraken gemaakt. Partijen hebben hulp nodig om weer tot een definitieve regeling te komen waarbij de man en de kinderen elkaar weer daadwerkelijk zien en de man weer een deel van de zorgtaken op zich neemt. Voor de vrouw is daarbij van belang dat zij inzicht krijgt in hoeverre de contacten tussen de minderjarigen en de man veilig kunnen verlopen. Zij wil er zeker van zijn dat de kinderen veilig zijn als zij bij de man zijn.
Het lukt partijen samen niet om de problemen tussen hen in onderling overleg op te lossen. De rechtbank acht het, evenals de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet in het kader van het UHA. Partijen hebben tijdens de zitting ermee ingestemd dat de rechtbank hen verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. De verwijzing heeft op 16 april 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat partijen met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan partijen in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor de kinderen;
de kinderen hebben een stem in het scheidingsproces, voelen zich gehoord en gesteund.
Gebleken is dat partijen daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechtbank, in samenspraak met partijen, besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de gezagdragende ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van hun kinderen;
- de kinderen en de gezagdragende ouders hebben onbelast contact met elkaar;
- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor de kinderen te realiseren (binnen de scheidingssituatie);
- de nieuwe gezinssituatie(s) zorgen gezamenlijk voor een goede basis voor de ontwikkeling van de kinderen.
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is aan deze beschikking gehecht.
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een nadere mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de resterende verzoeken.
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Zijn er contra-indicaties voor contact tussen de vader en de kinderen en zo ja, welke?
- Indien sprake is van contra-indicaties, in hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders past het beste bij de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Geeft het onderzoek de Raad aanleiding partijen en/of de kinderen hulpverlening aan te bevelen? Zo ja, in welke vorm?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing. Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
Omdat de ouders in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet definitief op de thans nog voorliggende verzoeken ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, maar houdt zij de beslissing daarover aan voor de duur van negen maanden, tot de hierna in het dictum gemelde pro forma datum. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
De rechtbank wijst het loket van de samenwerkende gemeenten er – volledigheidshalve – op dat partijen inmiddels een intakegesprek hebben gehad bij [hulpverlening 2]. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen binnen het UHA met deze hulpverlening aan de slag kunnen en deze verwijzing er niet voor zorgt dat partijen opnieuw een intakegesprek moeten voeren en/of zij onder aan de wachtlijst terecht komen. Het is van belang dat het reeds ingezette traject, ook met deze UHA-verwijzing, door kan gaan zonder vertraging.
Voorlopige contactregeling
De rechtbank heeft zich ervan vergewist dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een voorlopige contactregeling waarbij de kinderen en de man met elkaar (video)bellen. Deze overeenstemming houdt het volgende in:
de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (video)bellen met elkaar wekelijks op maandag en vrijdag om 18.00 uur;
de man belt eerst met [minderjarige 2] ;
vervolgens belt [minderjarige 1] met de man.
De rechtbank benadrukt dat dit een voorlopige contactregeling betreft die gewijzigd kan worden in overleg met partijen bij het aangewezen hulpverleningstraject. De rechtbank zal deze overeengekomen voorlopige contactregeling opnemen in het dictum van deze beschikking.
Daarnaast vertrouwt de rechtbank op de toezegging van de vrouw dat zij met [hulpverlening 2] bespreekbaar maakt op welke wijze de man contact kan hebben met [minderjarige 1] op haar verjaardag op 8 mei 2026.
In afwachting van de resultaten van het UHA-traject zal de rechtbank het zelfstandige verzoek van de man aanhouden. Ook zal de rechtbank, conform haar eigen verzoek ter zitting, het verzoek van de vrouw aanhouden. In de tussentijd geldt voornoemde voorlopige contactregeling. De rechtbank vertrouwt erop dat partijen, zoals zij hebben toegezegd, zich bij hulpverlening zullen inzetten om opnieuw tot een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te komen. De veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dient daarbij voorop te staan. Daarom zullen er eerst begeleide contacten plaats moeten vinden. Indien het contact als veilig wordt ingeschat door [hulpverlening 2] en verder opgebouwd kan worden, dient zo snel mogelijk de ‘oude’ contactregeling hervat te worden.
Al het voorgaande leidt tot de volgende (tussen)beslissing.
6. De beslissing
De rechtbank:
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, onder wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 2 augustus 2022 en het daaraan gehechte ouderschapsplan voor zover dit ziet op de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig, totdat anders wordt beslist of partijen anders overeenkomen, gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar op de wijze als is overwogen in rechtsoverweging 5.16;
verwijst partijen en hun kinderen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. Het loket zal ouders en de kinderen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de kinderen verwijzen naar de zorgaanbieder;
verzoekt het loket van de samenwerkende gemeenten op 2 februari 2027 PRO FORMA, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA-rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
verzoekt het loket van de samenwerkende gemeenten, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
verzoekt de Raad, locatie Breda, binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
verzoekt de Raad, locatie Breda, wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 5.10 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
houdt de definitieve beslissing op het verzoek van de vrouw en het zelfstandige verzoek van de man aan;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026 in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.