ECLI:NL:RBZWB:2026:4527

ECLI:NL:RBZWB:2026:4527

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 23-04-2026
Datum publicatie 24-05-2026
Zaaknummer C/02/446859 / JE RK 26-600
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Ondertoezichtstelling na voorlopige ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/446859 / JE RK 26-600

Datum uitspraak: 23 april 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming,

Eindhoven,

hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat mr. S.J.C. Marijnissen uit Breda,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats 2] ,

advocaat mr. R.G.J. van Kerkhof uit Gilze.

De kinderrechter merkt als informant aan:

de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, hierna te noemen de GI.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 april 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 april 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de advocaat van vader (middels een videobelverbinding);

- de moeder met haar advocaat;

- een vertegenwoordigster van de Raad;

- twee vertegenwoordigsters van de GI.

De vader, ten tijde van de zitting gedetineerd, heeft kort voorafgaand aan de zitting de rechtbank in kennis gesteld dat hij de zitting niet zal bijwonen.

2. De feiten

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

[minderjarige] woont bij zijn moeder.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 30 januari 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 30 januari 2026 tot 30 april 2026.

3. Het verzoek

De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

De Raad legt het volgende aan het verzoek ten grondslag. [minderjarige] is geconfronteerd met ernstig huiselijk geweld tussen ouders toen zij nog bij elkaar waren. Opgroeien in een dergelijke situatie waarin sprake is van verbaal en fysiek geweld vormt een ontwikkelingsbedreiging. Met name nu sprake is van een jong kind, die voor zorg en veiligheid afhankelijk is van zijn ouders. Na de relatiebreuk tussen ouders is de onveiligheid voor [minderjarige] niet gestopt, daar de spanningen tussen ouders onverminderd aanwezig zijn gebleven en dreigend en onvoorspelbaar gedrag van vader heeft gezorgd voor spanningen en angst bij de moeder. Vader voelt zich op zijn beurt gedwarsboomd door moeder en voelt frustratie en boosheid door het minimale contact dat hij sinds de relatiebreuk met [minderjarige] heeft. Ouders hebben onderling ook zorgen over de manier waarop de andere ouder vorm geeft aan de uitvoering van het ouderschap. Deze zorgen zijn onderling tussen ouders niet bespreekbaar. Moeder heeft vrees voor de veiligheid van [minderjarige] als hij bij vader verblijft. Zij durft [minderjarige] ook niet goed toe te vertrouwen aan vader omdat hij weinig recente ervaring heeft als opvoeder en moeder vindt vader onvoorspelbaar. Vader heeft zorgen over het alcoholgebruik van de moeder en de impact daarvan op haar rol als opvoeder. Ook de nog openstaande gevangenisstraf van moeder, waartegen zij in hoger beroep is gegaan, baart vader zorgen. Ondanks de bereidheid tot accepteren van hulpverlening in het vrijwillig kader is het ook met deze hulpverlening ouders niet gelukt om op ouderniveau gezamenlijk afspraken te maken in het belang van [minderjarige] . Vanwege de vele zorgen die de Raad heeft is de Raad van mening dat er langdurige betrokkenheid van hulpverlening nodig is om beter zicht te krijgen op de opvoedsituatie van vader en het verloop van het contactherstel tussen vader en [minderjarige] . Daarnaast dient onderzocht te worden wat ieders (on)mogelijkheden zijn om tot verandering te kunnen komen en om de beschreven zorgen nader te kunnen beoordelen. Hierbij denkt de Raad aan de inzet van een risicotaxatie-instrument zoals de MASIC-methodiek. Dit om de gemelde zorgen vanuit moeder en het gedrag van vader beter te kunnen duiden. De uitkomsten kunnen dan meegenomen worden in de beoordeling waar [minderjarige] het meest bij gebaat is en wat het meest in zijn belang is voor een veilig contact met zijn beide ouders. De Raad heeft er onvoldoende vertrouwen in dat het ouders met hulpverlening in het vrijwillig kader gaat lukken om de zorgen die er zijn weg te nemen. Hulpverlening in het vrijwillig kader is immers niet gelukt. De Raad acht het noodzakelijk dat er een onafhankelijk hulpverlener zal worden betrokken die regie voert over de nog in te zetten hulpverlening en beslissingen kan nemen in het belang van [minderjarige] . Het netwerk van ouders is ondersteunend, maar de Raad ziet voor hen geen andere rol weggelegd dan de huidige. Gezien de hoeveelheid zorgen en de complexiteit van de situatie verzoekt de Raad een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar. Noodzakelijke hulpverlening en continuering van de begeleide omgang dienen opgestart dan wel gecontinueerd te worden en de resultaten afgewacht te worden. De Raad acht voorgaande noodzakelijk om tot een duurzaam contactherstel te komen tussen vader en [minderjarige] .

Beide ouders staan achter de ondertoezichtstelling.

5. De beoordeling

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd, omdat hij al op jonge leeftijd is blootgesteld aan ernstig huiselijk geweld tussen ouders toen zij nog bij elkaar waren. Er is daarom sprake geweest van een onveilige opvoedomgeving. Sinds de relatiebreuk van ouders is er nog steeds sprake van een onrustige opvoedomgeving en emotionele onveiligheid voor [minderjarige] . Het lukt ouders niet om door hun onderlinge spanningen en hun verstoorde contact vanuit rust en in goede overeenstemming afspraken te maken in het belang van [minderjarige] . Zolang het ouders niet lukt om vanuit deze rust afspraken te maken en de spanningen tussen hen blijven, blijft de ontwikkelingsdreiging van [minderjarige] bestaan. Daarnaast is regievoering nodig gelet op de complexe problematiek, het zicht krijgen op de opvoedsituatie, contactherstel tussen vader en [minderjarige] -hetgeen door de detentie aan de zijde van vader bemoeilijkt kan worden- en in te zetten hulpverlening. Dit alles dient in goede banen geleid te worden.

De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat ouders onvoldoende in staat zijn om onder eigen verantwoordelijkheid deze hulpverlening te accepteren, ook al zijn zij wel bereid om hulpverlening aan te gaan. Hulpverlening in het vrijwillig kader is reeds ontoereikend gebleken. Daarnaast heeft de GI ter zitting aangegeven dat moeder een coöperatieve houding heeft, maar dat de samenwerking met vader erg slecht verloopt.

De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar. Tijdens de ondertoezichtstelling zal gewerkt worden aan de volgende doelen:

- [minderjarige] heeft een prettig/positief, onbelast, veilig en structureel contact met zijn vader;

- [minderjarige] krijgt vanuit beide ouders de ruimte en onvoorwaardelijke emotionele toestemming om een onbelast contact met de andere ouder te onderhouden en ouders uiten zich respectvol over elkaar en accepteren de rol in hun leven en het leven van [minderjarige] ;

- [minderjarige] heeft ouders die constructief en neutraal met elkaar communiceren mits dit voor beide ouders veilig is.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 30 april 2026 tot 30 april 2027;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Mandemakers als griffier, en op schrift gesteld op 28 april 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Mandemakers als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand