ECLI:NL:RBZWB:2026:4528

ECLI:NL:RBZWB:2026:4528

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 23-04-2026
Datum publicatie 24-05-2026
Zaaknummer C/02/447024 / JE RK 26-636
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Resterend deel spoedmachtiging uithuisplaatsing en aansluitend regulier machtiging tot uithuisplaatsing

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/447024 / JE RK 26-636

Datum uitspraak: 23 april 2026

Nadere beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, gevestigd te Etten-Leur,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2024 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2020 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [plaats] ,

advocaat: mr. R. Joosen te Oosterhout

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [plaats] ,

advocaat mr. T. van Riel te Breda.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:

- de beschikking van deze rechtbank van 13 april 2026 en de daarin vermelde stukken.

De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 april 2026. Daarbij waren aanwezig:

de vader met zijn advocaat;

de moeder met haar advocaat;

een vertegenwoordigster van de GI.

2. De feiten

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

Tot 13 april 2026 woonden [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij hun ouders.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd met ingang van 1 augustus 2025 tot 1 augustus 2026.

Bij beschikking van 26 maart 2026 heeft de kinderrechter een deeltijdmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verleend in een voorziening voor pleegzorg voor een deel van de weekenden en een deel van de vakanties met ingang van 26 maart 2026 tot het einde van de ondertoezichtstelling.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 april 2026 een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor pleegzorg dan wel een gezinsgerichte voorziening of in een accommodatie jeugdhulpaanbieder met ingang van 13 april 2026 tot 27 april 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden tot de zitting van 23 april 2026.

3. Het verzoek

Aan de orde is nog het resterende deel van het verzoek van de GI tot een brede (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een pleeggezin, dan wel een gezinsgerichte voorziening of in een accommodatie jeugdhulp te verlenen voor de duur van vier weken.

Daarnaast verzoekt de GI aansluitend een brede machtiging uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling in een pleeggezin dan wel een gezinsgerichte voorziening of in een accommodatie jeugdhulp.

Ter zitting heeft de GI haar verzoek in zoverre aangepast, nu [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sinds 14 april 2026 in een gezinshuis verblijven, dat zij thans een machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening verzoekt.

De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

De GI handhaaft haar verzoek. Op zaterdag 11 april 2026 heeft er een escalatie plaatsgevonden in de woning van de ouders. Die avond hadden de ouders veel gedronken en had de vader cocaïne gesnoven, terwijl [minderjarige 1] boven lag te slapen. [minderjarige 2] was dat weekend logeren bij oma moederszijde (mz). De moeder heeft die avond aangegeven verliefd te zijn geworden op een andere man. Zij is vervolgens met die andere man uit de woning vertrokken. De vader heeft vervolgens met spullen in de woning gegooid, terwijl [minderjarige 1] nog boven lag te slapen. De volgende dag heeft hij [minderjarige 1] naar oma vaderszijde (vz) gebracht. Hierna is de vader naar de woning van de andere man gegaan, waar hij geprobeerd heeft om de deur in te trappen. Hierop is de vader door de politie opgepakt en heeft hij tot zondagavond 12 april 2026 vastgezeten. De politie is daarna met de vader naar zijn woning gegaan. Hier trof de politie een sterk vervuilde woning aan waarbij er bierflesjes in de woning te vinden waren en pijnmedicatie in handbereik van de kinderen lag. Oma (vz) heeft [minderjarige 1] vervolgens naar oma (mz) gebracht. Oma (mz) heeft op 13 april 2026 om 9:00 uur aangegeven dat zij niet langer de zorg kan dragen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Tegen het advies van de GI in zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door vader, oma (vz) en een oom bij oma (mz) opgehaald. Oma (vz) heeft echter geen beschikbare ruimte voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in haar woning. Daarnaast is sprake van een ingewikkelde verstandhouding tussen de vader en oma (vz) en houdt oma (vz) de verslaving van de vader in stand door hem geld te geven. De moeder heeft in de ochtend van 13 april 2026 de GI gebeld met de mededeling dat zij nu bij haar nieuwe vriend verblijft en dat de GI op zoek moest gaan naar een veilige plek voor de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij vindt het niet veilig om de kinderen alleen bij de vader te laten. De vader heeft de GI in de ochtend van 13 april 2026 ook gebeld. Hij heeft aangegeven momenteel emotioneel niet stabiel genoeg te zijn om voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te zorgen. Naar aanleiding van de afgegeven spoedmachtiging zijn de kinderen uiteindelijk, omdat er geen beschikbare plek was, ondergebracht bij oma (vz) in het huis van ouders, waarbij door de GI de voorwaarde is gesteld dat ouders daar niet mochten verblijven. Oma (vz) kon het veiligheidsplan echter niet nakomen, waardoor de kinderen op dinsdag 14 april 2026 in een gezinshuis zijn geplaatst.

De GI heeft ter zitting toegelicht dat het goed gaat met de kinderen in het gezinshuis. Ze genieten van het vele buiten zijn en hebben wat meer kleur in hun gezicht. Verder is merkbaar dat ze nu meer rust hebben. Er is nog geen contact met de ouders geweest, aangezien ouders hun afspraak niet konden nakomen op 21 april 2026. Na de uithuisplaatsing van de kinderen is veel duidelijk geworden wat nog niet bekend was bij de GI. De situatie is ernstiger (geweest) dan gedacht. De laatste week voor de uithuisplaatsing hebben de kinderen onvoldoende eten gekregen en waren er elke dag gebruikers in de woning bij ouders. Daarnaast is naast vader ook moeder verslaafd aan cocaïne. De verslavingsproblematiek is ernstiger dan gedacht.

Beide ouders staan achter de uithuisplaatsing. Beide ouders geven aan doordrongen te zijn van de ernst van de situatie en willen werken aan hun verslavingsproblematiek. Ze hebben zich ieder afzonderlijk aangemeld bij Novadic Kentron. Beide ouders beseffen dat de kinderen nog in het gezinshuis moeten blijven, zodat zij voor zichzelf hulpverlening in kunnen schakelen.

5. De beoordeling

De kinderrechter dient in beginsel te beoordelen of er nieuwe feiten dan wel omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van 13 april 2026 moet worden herroepen. De kinderrechter stelt vast dat uit de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, volgt dat van het voorgaande geen sprake is en dat daarom de spoedbeslissing niet wordt herroepen en daarmee zijn werking behoudt.

Op grond van artikel 1:265b lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Nu de kinderrechter hierna zal beslissen op het reguliere verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing, zal zij het resterende deel van het verzoek om een spoedmachtiging te verlenen afwijzen.

De kinderrechter acht het nog steeds noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat zij uit huis worden geplaatst. Ouders zijn niet beschikbaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en kunnen hen geen veilige en stabiele opvoedsituatie bieden. Het is belangrijk dat ouders de komende periode aan zichzelf gaan werken. Beide ouders hebben zich aangemeld bij Novadic Kentron voor hun verslavingsproblematiek. Het is verder belangrijk dat ouders op meerdere leefgebieden de zaken op orde krijgen. Hiervoor is noodzakelijk dat zij intrinsieke motivatie tonen om mee te werken aan hulpverlening en zich inzetten voor verbetering van de huidige situatie. Aangezien ouders tot op heden onvoldoende hebben meegewerkt aan hulpverlening is ondermeer de basale verzorging van de kinderen en de emotionele beschikbaarheid van ouders voor de kinderen verder onder druk komen te staan. Het is noodzakelijk dat ouders eerst hun leven duurzaam op de rit krijgen en zich daarvoor tot het uiterste in gaan spannen. Daarbij komt dat ten tijde van de zitting moeder aan heeft gegeven dat de relatie met vader echt voorbij is. Ook in dat kader zullen zaken geregeld moeten gaan worden. De kinderrechter machtigt daarom de GI om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

De kinderrechter:

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 27 april 2026 tot 1 augustus 2026;

verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Mandemakers als griffier, en op schrift gesteld op 28 april 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Mandemakers als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand