ECLI:NL:RBZWB:2026:4530

ECLI:NL:RBZWB:2026:4530

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 23-04-2026
Datum publicatie 24-05-2026
Zaaknummer C/02/447575 / JE RK 26-719
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing bij de andere ouder met gezag

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/447575 / JE RK 26-719

Datum uitspraak: 23 april 2026

Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [plaats 1] ,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [plaats 2] .

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:

het mondelinge verzoek van de GI op 23 april 2026;

de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 24 april 2026.

2. De feiten

De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

Bij beschikking van 18 juni 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 18 juni 2024 en tot 18 juni 2025. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd bij beschikking van 16 juni 2025, met ingang van 18 juni 2025 en tot 18 juni 2026.

3. Het verzoek

De GI verzoekt:

- op grond van artikel 1:265b BW een machtiging te verlenen om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, voor de duur van vier weken;

- aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling;

- de beschikking onverwijld af te geven zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden;

- de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De beoordeling

De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben hun hoofdverblijf bij de moeder en stiefvader. Sinds maart 2026 is er sprake van een week op week af regeling waarbij de minderjarigen om de week bij de vader en de moeder verblijven. In het kader van de ondertoezichtstelling voert de jeugdbeschermer gesprekken met de minderjarigen. In de eerste maanden van 2026 heeft [minderjarige 1] zorgelijke uitspraken gedaan over de thuissituatie bij de moeder. Naar aanleiding hiervan zijn er veiligheidsafspraken gemaakt met de moeder en de stiefvader. Op donderdag 23 april 2026 hebben de jeugdbeschermer en een collega ieder apart met een van de minderjarigen gesproken. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] vertellen onafhankelijk van elkaar over huiselijk geweld, seksueel grensoverschrijdend gedrag en tot seksueel misbruik door de stiefvader. De GI is van mening dat er sprake is van een acute onveiligheid in de thuissituatie bij de moeder en de stiefvader. De GI heeft de situatie besproken met de moeder en de stiefvader, echter menen zij dat de verhalen verzonnen zijn door de vader. De GI is van mening dat beide minderjarigen direct in veiligheid moeten worden gebracht middels een plaatsing bij de vader. De GI vindt het tot slot van belang dat de kinderen door een expert worden gehoord.

Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de opvoeding en verzorging van de minderjarigen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis worden geplaatst. De kinderrechter is van oordeel dat in een situatie als deze waarin er zulke ernstige zorgen zijn over de minderjarigen en voldoende aannemelijk is dat de minderjarigen niet op een veilige manier thuis bij de moeder en stiefvader kunnen wonen, een uithuisplaatsing noodzakelijk is. Onder deze omstandigheid acht de kinderrechter een plaatsing bij de vader het meest in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dergelijke signalen, waaronder vermoedens van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel misbruik, moeten uiterst serieus genomen worden. Het is in het belang van de minderjarigen en hun veiligheid noodzakelijk dat zij bij de vader worden geplaatst. Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen voor de duur van twee weken.

Een verdere beslissing op het verzoek zal de kinderrechter pas nemen nadat het verzoek mondeling is behandeld. Deze mondelinge behandeling zal plaatsvinden op

[datum] 2026 om [uur] . De kinderrechter vindt het belangrijk dat er op dat

moment met de moeder, de vader en de GI zal worden gesproken. Ook zal de kinderrechter

[minderjarige 1] daaraan voorafgaand in de gelegenheid stellen haar mening te geven over het

resterende deel van het verzoek. Aangezien [minderjarige 2] nog geen acht jaar is zal hij vooralsnog niet worden uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter.

De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af

te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5. De beslissing

De kinderrechter:

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 23 april 2026 tot 7 mei 2026;

verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;

roept de GI, de vader en de moeder op voor de zitting van mr. De Beer op [datum] 2026 om [uur] in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan Kousteensedijk 2 in Middelburg;

bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;

bepaalt dat [minderjarige 1] per aparte brief wordt opgeroepen voor een kindgesprek.

Deze beslissing is mondeling gegeven op 23 april 2026 door mr. De Beer, kinderrechter. De schriftelijke uitwerking van deze beslissing is door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verplanke als griffier vastgesteld op 24 april 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Verplanke als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand