RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/440062 / JE RK 25-1708
Datum uitspraak: 23 april 2026
Nadere beschikking verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING te Eindhoven,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. V.C. Serrarens te Middelburg.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 1] .
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van 24 oktober 2025 met alle daarin genoemde stukken;
de briefrapportage met bijlagen van de GI van 1 april 2026;
de correspondentie tussen mr. Serrarens en de GI, ingediend door mr. Serrarens op 16 april 2026.
De nadere zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder (via een digitale verbinding in de zittingszaal), bijgestaan door haar advocaat,
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
Opgeroepen en niet verschenen is:
- de vader.
Het verzoek is gelijktijdig behandeld met het resterende deel van het verzoek van de GI (met zaaknummer C/02/440062 / JE RK 25-1706) verlenging van de machtiging uithuisplaatsing in een voorziening van pleegzorg van [de halfbroer] (de halfbroer van [minderjarige] ). Op dit verzoek zal bij afzonderlijke beschikking worden beslist.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
De kinderrechter heeft bij beschikking van 7 september 2024 [minderjarige] , zonder voorafgaand horen van de belanghebbende, voorlopig onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 7 september 2024 en tot 21 september 2024, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Bij dezelfde beschikking heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 7 september 2024 en tot 21 september 2024, onder aanhouding van het restant van het verzoek.
Bij (nadere) beschikking van 19 september 2024 heeft de kinderrechter de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd, met ingang van 21 september 2024 en tot 7 december 2024. Tevens is bij deze beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd, met ingang van 21 september 2024 en tot 13 november 2024.
Bij beschikking van 5 november 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 5 november 2024 en tot 5 november 2025. Ook heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 5 november 2024 tot 5 februari 2024. Tevens in diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 5 februari 2024 tot 5 mei 2025.
Bij beschikking van 8 april 2025 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 5 mei 2025 tot 5 november 2025.
Bij beschikking van 24 oktober 2025 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 5 november 2025 tot 5 mei 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
[minderjarige] verblijft op basis van voornoemde beschikking in een pleeggezin.
3. Het (resterende) verzoek
Thans ligt nog ter behandeling voor het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van zes maanden.
De GI verzoekt ook de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De nadere standpunten
De GI handhaaft tijdens de zitting het resterende deel van het verzoek en stelt dat een terugplaatsing van [minderjarige] op dit moment niet aan de orde is. Eerst dient het lopende gezinsonderzoek zorgvuldig te worden afgerond zodat duidelijk wordt wat [minderjarige] nodig heeft, welke opvoedvaardigheden van de moeder worden gevraagd en welke hulpverlening noodzakelijk is. Volgens de GI bestaat er op dit moment nog onvoldoende zicht op de thuissituatie van de moeder en op de vraag of de moeder de zorg voor [minderjarige] structureel kan dragen. Daarom vindt de GI een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden noodzakelijk. De GI voert verder aan dat gedurende het onderzoek bewust geen uitbreiding van de omgang heeft plaatsgevonden zodat de onderzoeksresultaten niet worden beïnvloed. Wel ziet de GI positieve ontwikkelingen in het contact tussen de moeder en [minderjarige] . Voor [minderjarige] vindt de GI extra zorgvuldigheid van belang nu er sprake is geweest van een onderbreking in de hechting met de moeder en hij zich inmiddels hecht binnen het pleeggezin.
Door en namens de moeder wordt tijdens de zitting aangegeven dat zij het liefst ziet dat [minderjarige] direct terug naar huis komt, maar dat zij kan instemmen met een korte verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van maximaal vier maanden. In die periode moet er dan wel daadwerkelijk duidelijkheid ontstaan over het perspectief van [minderjarige] . Volgens de moeder heeft zij in de afgelopen maanden onvoldoende een eerlijke kans gekregen om te laten zien dat zij de opvoeding van [minderjarige] aan kan. Volgens haar zijn er in de afgelopen maanden nauwelijks stappen gezet richting uitbreiding van de omgang of een terugplaatsing mede door een wisseling binnen de GI en het laat opstarten van het onderzoekstraject. De moeder benadrukt dat zij beschikt over een steunend netwerk en bereid is hulpverlening te accepteren. Daarnaast vindt zij de huidige omgangsregeling van tweemaal per maand onvoldoende en wenst zij meer, eventuele onbegeleide, contactmomenten om de band met [minderjarige] te kunnen versterken.
5. De verdere beoordeling
Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat het verzoek van de GI dient te worden toegewezen nu voldaan wordt aan de wettelijke criteria zoals hierboven vermeld. Dit betekent dat het resterende verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling zal worden toegewezen voor de duur van zes maanden. De kinderrechter zal deze beslissing hierna toelichten.
Uit de stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is het de kinderrechter gebleken dat er nog altijd ernstige zorgen bestaan over de hechting en ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] heeft op jonge leeftijd veel instabiliteit meegemaakt waaronder meerdere overplaatsingen en een onveilige opvoedsituatie. In de opvoedsituatie bestonden zorgen over huiselijk geweld, de psychische gesteldheid van de moeder en het ontbreken van stabiliteit en veiligheid. Tijdens een eerdere gezinsopname heeft de moeder onvoldoende laten zien dat zij [minderjarige] een veilige en stabiele opvoedsituatie kan bieden.
Sinds april 2025 verblijft [minderjarige] in een perspectiefbiedend pleeggezin waar hij zich positief ontwikkelt. Het pleeggezin biedt hem rust, structuur, voorspelbaarheid en emotionele veiligheid. Daarnaast wordt hij zorgvuldig gevolgd vanwege signalen die kunnen passen bij pre-verbaal trauma waaronder sterke schrikreacties op harde geluiden. Ook kan hij vanuit het pleeggezin contact blijven houden met zijn broer [de halfbroer] .
De kinderrechter is van oordeel dat in de afgelopen zes maanden weinig is gedaan om duidelijkheid te krijgen over het opvoedperspectief van [minderjarige] . De omgangscontacten zijn nog steeds beperkt in aantal en duur. De kinderrechter stelt vast dat de moeder tijdens die begeleide omgangsmomenten positieve interacties laat zien en betrokken is bij de kinderen. Tegelijkertijd constateert de kinderrechter ook dat deze contacten plaatsvinden binnen een gestructureerde en begeleide setting. Onvoldoende duidelijk is of de moeder de zorg ook langdurig en zelfstandig kan dragen mede gelet op zorgen over haar belastbaarheid, spanningsregulatie en het bieden van structuur aan meerdere jonge kinderen tegelijk. Daarbij komt dat de moeder sinds kort op advies van de dokter bedrust moet houden voordat zij in de zomer gaat bevallen van een nieuwe baby waardoor er ook een verandering ontstaat in haar thuissituatie, waarin zij al de zorg heeft voor een ander zeer jong kind. Daarbij bestaat nog er onvoldoende zicht op de ondersteuning vanuit haar netwerk. Hoewel de vader van het kindje dat op komst is (tevens de vader van het halfbroertje van [minderjarige] ) op dit moment ondersteuning biedt nu de moeder bedrust moet houden, woont hij in [plaats 2] en zal hij daardoor niet een vaste, stabiele ondersteuning kunnen bieden.
Verder stelt de kinderrechter vast dat [minderjarige] een onderbreking heeft gekend in het hechtingsproces met de moeder en dat hij zich inmiddels hecht binnen het pleeggezin. Een terugplaatsing op dit moment vindt de kinderrechter daarom niet verantwoord. Eerst moet duidelijk worden welke opvoedsituatie het beste aansluit bij zijn behoeften. Nu het gezinsonderzoek nog loopt en nog geen duidelijk perspectiefbesluit kan worden genomen, vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] wordt verlengd voor de resterende verzochte duur van zes maanden. Een periode van vier maanden is hiervoor te kort. In die periode dient zijn huidige stabiele opvoedsituatie worden voortgezet en kan zorgvuldig worden onderzocht wat in zijn belang het meest passend is. Als de uitkomst van het gezinsonderzoek is dat [minderjarige] verder bij de moeder zal kunnen opgroeien zal dat zorgvuldig moeten worden ingezet en opgebouwd.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6. De verdere beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van zes maanden, te weten met ingang van 5 mei 2026 en tot 5 november 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026 door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 7 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.