beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/445659 / FA RK 26/1143
datum uitspraak: 24 april 2026
beschikking over gezag
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [plaats] , gemeente Moerdijk,
advocaat: mr. B.P.A. van Beers in Roosendaal,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende op het adres: [adres] .
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017, hierna: [minderjarige] .
1. Het procesverloop
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 5 maart 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;
- de brief van de griffier van de rechtbank van 27 maart 2026 aan de man;
- het uittreksel uit het gezagsregister over [minderjarige] ;
- de op 20 april 2026 retour ontvangen aangetekende oproepbrief aan de man, met de mededeling niet afgehaald.
Het verzoek is mondeling behandeld op 21 april 2026. Bij die behandeling was aanwezig de vrouw, met haar advocaat. De man is, hoewel correct opgeroepen, niet gekomen.
Voor deze mondelinge behandeling heeft de rechter met [minderjarige] gesproken over het verzoek. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren.
[minderjarige] woont bij de vrouw.
Partijen hebben sinds 16 maart 2021 samen het gezag over [minderjarige]
Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
3. Het verzoek en de standpunten
De vrouw verzoekt te bepalen dat zij het gezag over [minderjarige] voortaan alleen uitoefent.
Volgens de vrouw is er sprake van gewijzigde omstandigheden sinds partijen het gezag over [minderjarige] gezamenlijk uitoefenen. Zij en de man hadden een knipperlichtrelatie. Op het moment dat partijen het gezamenlijk gezag in het register hebben laten aantekenen, hadden zij weer een relatie en was de man aanwezig in het leven van [minderjarige] . De vrouw hoopte dat door het gezag voortaan gezamenlijk uit te oefenen, de man meer in het leven van [minderjarige] betrokken zou zijn en blijven. Nadat de relatie met de man definitief is verbroken, is de man echter vrijwel volledig uit het leven van [minderjarige] verdwenen. In de afgelopen jaren is er amper contact geweest tussen de man en [minderjarige] . De man verschijnt alleen als het hem uitkomt. De man is voor de vrouw niet bereikbaar. Hij reageert niet als de vrouw hem mailt of belt over een kwestie die [minderjarige] betreft. Volgens de vrouw klemt dit nu te meer, omdat [minderjarige] hulpverlening nodig heeft. Omdat de man niet of pas na lang aandringen reageert op verzoeken om zijn toestemming te geven, komt de benodigde hulpverlening voor [minderjarige] niet of met veel vertraging van de grond. De vrouw legt e-mailberichten over die dateren van 22 mei 2024 en 30 januari 2025, waaruit blijkt dat de man niet reageert op verzoeken van de vrouw en/of de bij [minderjarige] betrokken hulpverlening om toestemming te verlenen. Uit de brief van de Viersprong van 28 februari 2026 blijkt dat de man niet actief betrokken is geweest gedurende het traject. Verder blijkt uit deze brief ook dat de afwezigheid van de man in het leven van [minderjarige] een negatieve invloed heeft op [minderjarige] . De man heeft niet gereageerd op de brief van de advocaat van de vrouw van 14 januari 2026, waarin hem is gevraagd om – naast het verstrekken van de stukken om een alimentatieberekening te maken – aan te geven welke rol de man in het leven van [minderjarige] wil spelen en of hij het gezag over [minderjarige] samen met de vrouw wil blijven uitoefenen. De vrouw zou graag zien dat de man een actieve rol in het leven van [minderjarige] speelt. Zij moet echter vaststellen dat de man het gezag over [minderjarige] niet actief uitoefent en dat hij zijn verantwoordelijkheid voor [minderjarige] niet oppakt. Doordat de man niet meewerkt aan het nemen van beslissingen over [minderjarige] , bestaat het risico dat [minderjarige] klem raakt tussen zijn ouders. Door het langdurig ontbreken van het contact tussen de man en [minderjarige] , heeft de man geen enkel idee over wat concreet in het belang van [minderjarige] is of wat [minderjarige] nodig heeft. Voor gezamenlijk gezag is nodig dat partijen regelmatig samen belangrijke beslissingen nemen over [minderjarige] . Dat lukt nu niet. Omdat de man niet reageert op toestemmingsverzoeken, gaat de vrouw niet met [minderjarige] op vakantie naar het buitenland. Ook daarin vormt het gezamenlijk gezag een belemmering. Het is in het belang van [minderjarige] essentieel dat de vrouw in staat wordt gesteld om zelfstandig beslissingen over [minderjarige] te nemen.
[minderjarige] heeft in het gesprek met de rechter verteld dat hij zijn vader al een hele tijd niet meer heeft gezien. [minderjarige] zou het fijn vinden als zijn moeder alle beslissingen zelf over hem kan nemen. Hij hoeft dat niet meer lang te wachten voordat dingen geregeld worden. Volgens [minderjarige] wacht hij al erg lang op een vakantie in het buitenland, maar geeft zijn vader hiervoor geen toestemming. [minderjarige] vindt het vervelend dat hij zijn vader niet meer ziet. De laatste keer dat zij elkaar gezien hebben, vond [minderjarige] erg leuk.
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.
4. De beoordeling
In artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen, de rechtbank het gezamenlijk gezag kan beëindigen als de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Dit betekent dat het verzoek van de vrouw om het gezag te wijzigen alleen inhoudelijk kan worden behandeld als aan een van die voorwaarden is voldaan.
Partijen hebben op 16 maart 2021 besloten om het gezamenlijk gezag aan te laten tekenen in het gezagsregister. De vrouw heeft gemotiveerd gesteld dat zij op het moment van het aanvragen van het gezamenlijk gezag weer een relatie had met de man. Zij hoopte dat de man meer in het leven van [minderjarige] betrokken zou blijven, als hij ook met het gezag over hem belast zou zijn. Op een later moment zijn partijen echter weer uit elkaar gegaan. Daarna is de man steeds verder uit het leven van [minderjarige] geraakt. De rechtbank stelt dan ook vast dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, op grond waarvan de vrouw in haar verzoek ontvangen kan worden.
In artikel 1:253n lid 2 BW staat dat artikel 1:251a lid 1 BW van toepassing is. In dat artikel staat dat de rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind klem of verloren raakt en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert of als een verandering van het gezag op een andere manier in het belang van het kind noodzakelijk is.
De wet heeft als uitgangspunt dat ouders, ook na het einde van hun relatie, samen het gezag houden. De rechtbank vindt dat daarvan in dit geval moet worden afgeweken.
Uit de stukken en de toelichting daarop tijdens de zitting is voldoende gebleken dat beslissingen over [minderjarige] niet tot stand komen, omdat de man niet of niet adequaat reageert op verzoeken van de vrouw of van de hulpverlening om zijn toestemming te verlenen. Als geprobeerd wordt om met de man in contact te komen, omdat zijn toestemming of medewerking nodig is voor [minderjarige] , geeft de man eenvoudigweg niet thuis. Hij reageert niet op de e-mailberichten die aan hem gestuurd worden en inkomende telefoongesprekken worden door hem niet beantwoord. Dit raakt rechtstreeks aan het belang van [minderjarige] , omdat hierdoor de hulp die hij vanuit de Viersprong nodig heeft, onnodig vertraging heeft opgelopen. Ook een vakantie met [minderjarige] in het buitenland lukt niet, omdat de man niet reageert op het e-mailbericht van de vrouw, waarin zij hem vraagt om het formulier “toestemming reizen in buitenland” te ondertekenen. Er is geen reden om aan te nemen dat hierin op korte termijn verbetering zal optreden. De man vult zijn vaderrol al jarenlang niet actief in. Het contact tussen [minderjarige] en de man is zeer sporadisch en niet structureel van aard. Het hulpverleningstraject bij de Viersprong is ingezet met de hoop dat de man daarin meegenomen zou kunnen worden en dat hij betrokken zou raken bij [minderjarige] . De man heeft echter geen medewerking verleend aan de therapie en sloot niet aan bij de behandelgesprekken. Vanuit de Viersprong wordt ingeschat – op basis van de eerdere ervaringen – dat een stabiel en voorspelbaar contact tussen [minderjarige] en de man op dit moment niet realiseerbaar is. Gelet op het ontbreken van contact tussen de man en [minderjarige] en de omstandigheid dat de man zich niet op andere wijze informeert over [minderjarige] en zijn ontwikkeling, is het ook de vraag of de man nog kan beoordelen welke beslissingen in het belang van [minderjarige] zijn. Het is daarnaast veelzeggend dat de man niet is verschenen bij de behandeling van het verzoek. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast, dat de beslissingen over [minderjarige] bij voortduring van het gezamenlijke gezag niet tot stand komen. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat voortaan alleen de vrouw het gezag over hem uitoefent. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw dan ook toe.
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.
5. De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat de vrouw voortaan alleen het gezag heeft over [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026 in aanwezigheid van Joosen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.