RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446169 / JE RK 26-465
Datum uitspraak: 24 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. T. Möller uit Tilburg, tijdens de zitting waargenomen door zijn kantoorgenoot mr. I.A.C. Cools,
De heer [de gezinshuisouder] van [gezinshuis 1],
hierna te noemen de gezinshuisouder,
wonende in [woonplaats 2] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 maart 2026;
de brief van de GI van 18 maart 2026 met bijlagen.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder;
de vader met zijn advocaat;
- twee vertegenwoordigsters van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI;
- de gezinshuisouder.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft in het perspectief biedend [gezinshuis 2] .
De kinderrechter heeft bij beschikking van 13 november 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verlengd met ingang van 18 november 2025 tot 18 november 2026.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 13 november 2025 een voorlopige contactregeling tussen [minderjarige] en de vader vastgesteld, inhoudende:
de vader en [minderjarige] hebben wekelijks begeleide contact met elkaar op dinsdag of op
woensdag, waarbij de vader samen met de begeleider [minderjarige] van school haalt om 15.15 uur
en omgang heeft met [minderjarige] bij hem thuis dan wel het Veiligheidshuis tot 16.45/17.00 uur,
waarna de begeleider [minderjarige] terugbrengt naar het gezinshuis, welke regeling over zes weken
wordt geëvalueerd tijdens een nog nader te plannen gesprek tussen de vader en de GI waarbij gekeken wordt naar de mogelijkheden tot uitbreiding van de regeling in de
toekomst.
3. Het verzoek
De GI verzoekt, zo begrijpt de kinderrechter, de door de kinderrechter op 13 november 2025 vastgestelde voorlopige contactregeling te wijzigen in die zin dat deze contactregeling wordt geschorst. Daarnaast verzoekt de GI om een bijzondere curator over [minderjarige] te benoemen. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI legt aan haar verzoek ten grondslag dat [minderjarige] momenteel bij [gezinshuis 2] woont. Dit is een perspectief biedende plek. De gezinshuisouders zijn goed in staat om tegemoet te komen aan de opvoedingsbehoeften van [minderjarige] . [minderjarige] benoemt zelf dat hij zich veilig voelt bij het gezinshuis en vraagt al of hij hier mag blijven wonen tot hij groot en oud is. [minderjarige] heeft veel meegemaakt in de laatste jaren. Zijn ouders voeren eigenlijk al sinds zijn geboorte strijd met elkaar en deze strijd neemt niet in kracht of omvang af. Het afgelopen jaar ziet de GI wel dat de strijd onderling afneemt, voornamelijk vanuit moederszijde. De vader daarentegen benoemt in oorlog te zijn met de GI en dit merkt de GI ook. Voor [minderjarige] is dit belastend. De strijd heeft daarnaast grote invloed op de mogelijkheden voor ontwikkeling van [minderjarige] . Hij blijft door het strijdgedrag vanuit de vader namelijk in een loyaliteitsklem zitten, waardoor hij niet het gevoel krijgt dat hij mag en kan opgroeien binnen het gezinshuis, terwijl een derde opvoedsituatie vanuit het traject van de bijzondere curator als van groot belang werd gezien voor de ontwikkeling van [minderjarige] . Het perspectief voor hem is bovendien in het gezinshuis bepaald en niet meer bij de vader, ondanks dat de vader hierover de strijd blijft aangaan. [minderjarige] is de laatste keer vanuit de vader uithuisgeplaatst vanwege signalen van huiselijk geweld. Daarnaast heeft [minderjarige] forse kind eigen problematiek, waaronder autisme spectrumstoornis en ADHD, waardoor hij een grotere opvoedvraag heeft. Hieraan kan in het gezinshuis worden voldaan. Zijn kind eigen problematiek, de ingrijpende gebeurtenissen die hij heeft meegemaakt vanuit wisselende opvoedplekken en de signalen van huiselijk geweld bij de vader, maken dat [minderjarige] een trauma-sensitieve opvoeding behoeft met aandacht voor het kunnen aangaan van een veilige hechting binnen zijn mogelijkheden vanuit zijn ontwikkelingsproblematiek. Door nieuwe signalen van huiselijk geweld en het niet nakomen van de BCU (beslissing over contact tijdens de uithuisplaatsing) is de bezoekregeling van de vader noodgedwongen aangepast naar alleen nog maar begeleid contact. Dit werd al eerder geadviseerd door de bijzondere curator. De afgelopen jaren is gebleken dat de problemen met de vader niet veranderen. Hij blijkt onveranderlijk te zijn in zijn bejegening. Dit vormt een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige] . Daarnaast wordt gezien dat door de constante strijd vanuit de vader de draagkracht van de gezinshuisouders en de veiligheid van [minderjarige] en de andere kinderen in het gezinshuis worden aangetast. Als gevolg hiervan is de kans aanwezig dat het gezinshuis, mede ter bescherming van de andere kinderen die bij hen verblijven, niet meer in staat is om de opvoeding en verzorging van [minderjarige] op zich te blijven nemen. De GI vindt plaatsing binnen het gezinshuis voor [minderjarige] echter van belang om hem een veilig en stabiel opvoedklimaat te kunnen blijven bieden en een veilige hechtingsrelatie te kunnen laten opbouwen met de gezinshuisouders. De GI ziet bij [minderjarige] daarnaast signalen van de zogenoemde fawn-respons. De fawn-respons is een traumareactie die zich uit in extreem aanpassen, pleasen, vermijden van conflict en het voortdurend afstemmen op de behoeften van de ander. Wat [minderjarige] zelf nodig heeft of wil komt hierdoor steeds vaker op de achtergrond te liggen. Zijn identiteit wordt hiermee aangetast. Gelet hierop is de GI van mening dat het begeleid contact tussen de vader en [minderjarige] moet worden geschorst en dat opnieuw moet gaan worden ingezet op een bijzondere curator om helder te krijgen over wat in het belang van [minderjarige] is in het contact met zijn vader. Vervolgens kan onder regie van de GI het contact weer worden opgebouwd. Indien de kinderrechter beslist dat het contact in stand moet blijven, pleit de GI voor een minimale contactregeling van eenmaal per twee maanden, hetgeen verhoogd kan worden als de ontwikkeling van [minderjarige] dit toestaat.
In aanvulling hierop is namens de GI nog aangevoerd dat [minderjarige] momenteel in een overlevingsstand verkeert. Hij krijgt veel onrust vanuit zijn vader. [minderjarige] heeft rust nodig om uit deze overlevingstand te geraken, zijn trauma’s te verwerken en te leren om voor zichzelf op te komen. Daarom handhaaft de GI haar verzoek om de contactregeling tussen [minderjarige] en de vader te schorsen.
[minderjarige] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat hij rust wil. Hoewel de contacten tussen zijn vader en hem goed verlopen, weet hij dat zijn vader zich op de achtergrond druk maakt over dingen. [minderjarige] is het met deze dingen die zijn vader doet niet eens. Daarom wil hij nog maar één keer in de maand begeleid contact met zijn vader. Dan kan zijn vader zelf ook zien dat hij fout bezig is. [minderjarige] heeft het verder goed bij het gezinshuis en op school.
Namens en door de vader is tijdens de zitting aangevoerd dat de vader het niet eens is met het verzoek van de GI. [minderjarige] heeft namelijk aangegeven dat hij het fijn heeft bij zijn vader. Anders dan in het gezinshuis en bij zijn moeder, krijgt hij bij zijn vader rust. [minderjarige] heeft ook baat bij rust en de één op één begeleiding die hij bij zijn vader krijgt. Het contact tussen de vader en [minderjarige] is in de afgelopen periode echter steeds meer beperkt. Dit heeft negatieve gevolgen voor [minderjarige] en geeft hem onrust. De reden waarom [minderjarige] nu ook heeft aangegeven dat hij minder contact wil met zijn vader, is omdat er dingen op de achtergrond spelen. Deze dingen zouden volgens de GI en het gezinshuis door de vader zijn veroorzaakt. De vader stelt zich echter als betrokken vader op. Als hij zich ergens zorgen over maakt, trekt hij bij de GI of het gezinshuis aan de bel. Dit heeft tot gevolg dat [minderjarige] in het gebruik van zijn telefoon en fiets, door het gezinshuis wordt beperkt. De vader vindt dit niet in het belang van [minderjarige] . Hij vindt hierover echter bij de GI of het gezinshuis geen gehoor. De GI en het gezinshuis hebben een beeld van de vader geschetst van iemand die overal tegenaan schopt en nergens aan meewerkt. Dit is onjuist. De vader zou graag de strijdbijl met de GI en het gezinshuis willen begraven om rust voor [minderjarige] te creëren. Hij wil daarbij wel de mogelijkheid behouden om over zorgen met de GI en het gezinshuis in gesprek te gaan. De vader verzoekt het verzoek van de GI dan ook af te wijzen. Hij meent dat juist uitbreiding van de contacten tussen hem en [minderjarige] meer in het belang van [minderjarige] is.
De moeder heeft op de zitting aangevoerd dat [minderjarige] centraal moet staan. [minderjarige] heeft aangegeven dat hij rust wil. Het valt de moeder op dat [minderjarige] momenteel echter steeds meer onrust ervaart. Dit was in het verleden in haar thuissituatie ook het geval. Daarom kon hij niet meer bij haar blijven wonen. Het patroon lijkt zich nu te herhalen. Hierover maakt de moeder zich zorgen. De moeder werkt fijn samen met de GI en de gezinshuisouders. Zij heeft er vertrouwen in dat zij als professionals weten wat [minderjarige] nodig heeft. Hoewel de moeder het verzoek van de GI om de contactregeling tussen [minderjarige] en de vader te schorsen ingrijpend vindt, begrijpt zij dit verzoek na wat zij heeft gehoord en gezien wel. Wellicht is het daarom beter om de keuze voor [minderjarige] te maken in plaats van zijn wens te volgen; dat hij later kan zeggen het was even rot, maar het heeft wel geholpen.
De heer [de gezinshuisouder] heeft op de zitting aangevoerd dat de plaatsing van [minderjarige] in het gezinshuis al een paar keer in het geding is geweest. Zo liet [minderjarige] , nadat hij ongeveer drie maanden in het gezinshuis verbleef, impulsief en ongecontroleerd gedrag zien als hij terugkwam van een bezoek aan zijn vader. [minderjarige] was al lang niet door een specialist gezien en daarom wilde de gezinshuisouders dat hij opnieuw door een specialist werd gezien. Als [minderjarige] immers dit gedrag zou blijven vertonen was het voor hem en de andere gezinsleden niet langer veilig om in het gezinshuis te blijven wonen. Dit werd door de vader echter tegengehouden. Hij wilde namelijk geen medicatie voor [minderjarige] . Recent was de plaatsing van [minderjarige] opnieuw in het geding door een klachtenarsenaal vanuit de vader. Deze klachten waren onder andere gericht op het stukmaken en laten sluiten van het gezinshuis. Dit heeft de gezinshuisouders veel energie gekost en stress gegeven. Dit is ook ten koste gegaan van de behandeling en hulp die [minderjarige] van hen nodig heeft. Sinds dit klachtenarsenaal is er niks meer van de vader gehoord, waarna de klachtencommissie heeft aangegeven dat de klachten niet-ontvankelijk zullen worden verklaard. De vader is nog steeds belast met het gezag over [minderjarige] . Het is heel moeilijk om samen met hem een sociaal veilig klimaat voor [minderjarige] te scheppen, waarin [minderjarige] krijgt wat hij nodig heeft. De vader is immers overtuigd van zijn pedagogisch specialisme. De opstelling van de vader heeft een negatieve invloed op [minderjarige] . Hij wordt hier onrustig van. De heer [de gezinshuisouder] onderschrijft dan ook het verzoek van de GI om de contactregeling tussen de vader en [minderjarige] te schorsen.
Namens de Raad is op de zitting aangevoerd dat de Raad momenteel bezig is met een onderzoek naar een gezagsbeëindigde maatregel van de vader. De Raad ziet dat de beïnvloeding van [minderjarige] door de vader groot en negatief is. Hierdoor is de plaats van [minderjarige] in het gezinshuis onder druk komen te staan. De Raad vraagt zich dan ook af of contact met de vader nog in het belang van [minderjarige] is. De Raad ziet namelijk dat er meer zorgen dan baten zijn bij dit contact. Inwilliging van het verzoek van de GI kan wellicht de nodige rust creëren voor [minderjarige] . De Raad kan het verzoek van de GI om een bijzondere curator voor [minderjarige] te benoemen niet goed plaatsen. De onderzoeksvraag die de GI aan de bijzondere curator zou willen stellen, kan de Raad ook in het onderzoek naar een gezagsbeëindigde maatregel meenemen.
5. De beoordeling
Wijziging contactregeling
In artikel 1:265g, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat, voor zover hier van belang, dat de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. In het tweede lid van dit artikel staat dat de kinderrechter op het verzoek van de GI de in het eerste lid genoemde beslissing kan wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De kinderrechter stelt op basis van de stukken en hetgeen op de zitting is besproken vast dat, ondanks dat [minderjarige] aangeeft dat de contacten met zijn vader goed verlopen, er veel dingen op de achtergrond spelen en soms ook rechtstreeks in te contact van de vader met [minderjarige] . Zo is de vader het met veel dingen over [minderjarige] niet eens met de GI of het gezinshuis. Dit heeft al tot schriftelijke aanwijzingen, klachten, procedures en steeds verdere beperking van het contact tussen [minderjarige] en de vader geleid. Dit geeft [minderjarige] ook veel onrust en zet zijn plaatsing in het gezinshuis op het spel. [minderjarige] ’s bewegingsvrijheid bij en rond het gezinshuis. Zo is het gebruik van de fiets door [minderjarige] in de omgeving van het gezinshuis niet mogelijk omdat de vader dat onveilig acht en verbiedt.
De kinderrechter heeft ter zitting vast gesteld dat de vader niet van plan is om het onrealistische gebruik van zijn gezagspositie te laten rusten; hij blijft van mening dat hij dingen bij de GI en het gezinshuis moeten kunnen aankaarten. Dit, terwijl het door de wijze waarop de vader zijn gezagspositie in zet zonneklaar is dat hij het leven van [minderjarige] op ernstige wijze ontregelt. De kinderrechter schat in dat het voor [minderjarige] noodzakelijk is dat de vader geen bemoeienis meer heeft bij gezagskwesties. [minderjarige] heeft namelijk rust nodig. Daarnaast staat deze bemoeienis van de vader zoveel op de voorgrond, dat hierdoor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] in het gezinshuis en bij de moeder nagenoeg voortdurend negatief wordt beïnvloed. De kinderrechter rekent dit de vader niet persoonlijk aan: de vader lijkt niet in staat te zijn om anders te handelen dan hij doet.
De kinderrechter constateert dat de Raad momenteel bezig is met een onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel van de vader. De kinderrechter hoopt dat er naar aanleiding daarvan een situatie zal ontstaan waarbij de vader de gezagskwesties heeft los te laten en zich voortaan kan richten op fijne contacten met [minderjarige] , zonder gedoe hierom heen. Maar in de tussen tijd vragen de gerezen problemen wel om actie.
Dit alles maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat de omstandigheden zodanig zijn veranderd dat wijziging van de bij beschikking van 13 november 2025 voorlopig vastgestelde contactregeling in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is en wel in de zin dat deze contactregeling tussen de vader en [minderjarige] tijdelijk wordt geschorst. Dit zal [minderjarige] de nodige rust geven en ervoor zorgen dat hij uit de overlevingstand kan geraken, zijn trauma’s kan verwerken en kan leren om voor zichzelf op te komen.
De kinderrechter zal de contactregeling schorsen totdat een eventueel verzoek van de Raad om een gezagsbeëindigende maatregel van de vader op de zitting wordt behandeld. Op de zitting zal dan worden bezien of contactherstel tussen de vader en [minderjarige] weer in het belang van [minderjarige] is. Mocht de Raad niet overgaan tot het verzoek om een gezagsbeëindigende maatregel, dan zal de contactregeling worden geschorst voor de duur van een jaar.
De kinderrechter verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
De kinderrechter zal het verzoek om een bijzondere curator over [minderjarige] te benoemen afwijzen. Hij ziet met het oog op de in deze zaak genomen beslissing en het lopende raadsonderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel hierin geen meerwaarde.
Brief [minderjarige]
heeft tijdens het kindgesprek tegen de kinderrechter gezegd dat hij graag een brief van de kinderrechter krijgt waarin de beslissing staat vermeld. De kinderrechter wil graag aan zijn verzoek voldoen. Hij heeft [minderjarige] de volgende brief geschreven.
Beste [minderjarige] ,
Op 16 april 2026 hebben wij een gesprek gehad over het verzoek van de William Schrikker Stichting (de GI) om de contactregeling met je vader tijdelijk te stoppen. We hebben een fijn gesprek met elkaar gehad. Je hebt toen tegen mij gezegd dat je graag wat meer rust wil krijgen. Daarom wil je je vader nog maar één keer in de maand met begeleiding zien.
Op 21 april 2026 heb ik tijdens de zitting over het verzoek van de GI gesproken met je vader en zijn advocaat, je moeder, meneer [persoon] van de GI en twee mevrouwen van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). Ik heb op de zitting gezegd wat jij tegen mij hebt gezegd. Je vader heeft toen gezegd dat hij graag contact met je wil blijven houden, het liefst meer dan nu het geval is.
Na de zitting heb ik over het verzoek van de GI nagedacht. Ik heb besloten om de contactregeling tussen jou en je vader voor maximaal een jaar te stoppen. Dit zal je meer rust geven. Het zal er ook voor zorgen dat je het fijner kan hebben in het gezinshuis en je je vanuit daar beter kan ontwikkelen. De Raad is nu aan het onderzoeken of het goed voor je is als je vader geen gezag meer over je heeft. Als de Raad dit vindt en bij de rechtbank een verzoek zal doen om het gezag van je vader te beëindigen, dan zal op de zitting worden besproken of er weer contact tussen jou en je vader kan zijn. Vlak vóór deze zitting zal de rechter jouw mening hierover vragen.
Ik vind dit geen fijne beslissing voor jou, maar het doorlopen van steeds de grote spanningen bij alles wat jouw vader onbedoeld wel doet moet ook echt even stoppen.
Ik wens je het allerbeste toe.
Groeten,
mr. Van Leuven
De kinderrechter
Dit betekent dat als volgt wordt beslist.
6. De beslissing
De kinderrechter:
wijzigt de bij beschikking van 13 november 2025 voorlopige vastgestelde contactregeling en bepaalt dat deze contactregeling wordt geschorst, onder de voorwaarden zoals weergegeven onder rechtsoverweging 5.3. van deze beschikking;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven door mr. van Leuven, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.