RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446942 / JE RK 26-619
Datum uitspraak: 24 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI, in haar hoedanigheid als voogdes van de hierna te noemen minderjarige,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] ,
advocaat mr. M.V. de Nooijer uit Middelburg.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 7 april 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] , die voorafgaand aan de zitting ook apart is gehoord, met zijn advocaat mr. R.T.K. Davidse (waarnemend advocaat voor mr. M.V. de Nooijer);
- een vertegenwoordigster namens de GI.
De moeder is niet ter zitting verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
2. De feiten
De moeder en de vader, de heer [persoon] , hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie [minderjarige] is geboren.
De vader heeft [minderjarige] erkend.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 29 januari 2015 is
[minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 29 januari 2015 en tot 29 januari
2016. Voorts is bij dezelfde beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in
een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 29 januari 2015 en tot 29 januari
2016.
De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een
voorziening voor pleegzorg zijn vervolgens steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking
van deze rechtbank van 12 januari 2017, met ingang van 29 januari 2017 en tot 29 januari
2018.
Bij beschikking van deze rechtbank van 19 december 2017 is het ouderlijk gezag
van de moeder over [minderjarige] beëindigd en is [minderjarige] onder voogdij gesteld van Stichting
Intervence, rechtsvoorganger van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland.
Bij beschikking van deze rechtbank van 18 april 2025 is een machtiging verleend
om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur
van drie maanden, met ingang van 18 april 2025 en tot 18 juli 2025. Daarna is steeds opnieuw een machtiging gesloten jeugdhulp verleend, laatstelijk bij beschikking van 17 oktober 2025, zulks met ingang van 18 oktober 2025 en tot 18 april 2026.
[minderjarige] verblijft bij [zorginstelling] , groep de [hybride groep] (hybride groep), te [plaats 2] .
3. Het verzoek
De GI verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden.
4. De standpunten
De GI handhaaft het verzoek. [minderjarige] heeft de afgelopen periode veel risicovol en onveilig gedrag laten zien na een periode waarin het juist goed ging. Hij is momenteel onvoldoende gemotiveerd en stelt zich niet open voor de hulpverlening. De afgelopen drie weken is er wel een wisselend beeld zichtbaar; het gaat soms heel goed, maar op andere momenten is er weer veel weerstand te zien bij [minderjarige] . De komende periode moet onderzocht worden hoe de samenwerking met [minderjarige] kan worden hersteld en zijn motivatie kan worden vergroot, zodat hij weer positief gedrag kan laten zien. Daarnaast moet in samenspraak met [minderjarige] gezocht worden naar een passende vervolgplek voor hem. Een machtiging gesloten jeugdhulp is daarbij noodzakelijk om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp en om zijn veiligheid en die van zijn omgeving te waarborgen.
In het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] aangegeven dat hij het niet eens is met het verzoek tot het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp van de GI. Desondanks ziet hij wel in dat zijn eigen gedrag heeft geleid tot de huidige situatie en het verzoek van de GI. [minderjarige] geeft aan dat hij niet weet waarom zijn gedrag (negatief) is veranderd. Hij denkt wel in staat te zijn gedrag in positieve zin te veranderen, maar heeft hier op dit moment geen behoefte aan.
De advocaat heeft namens [minderjarige] gepleit voor afwijzing van het verzoek. Hoewel er juridisch gezien voldaan is aan de wettelijke vereisten, geeft [minderjarige] aan dat hij ook zonder machtiging op de [hybride groep] kan verblijven, zoals ook geldt voor enkele andere jongeren op de groep. Een gesloten plaatsing zal [minderjarige] naar verwachting verder demotiveren en brengt het risico met zich mee dat hij helemaal terugvalt, waardoor een overplaatsing naar een volledig gesloten setting noodzakelijk wordt.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet kan een machtiging voor een gesloten accommodatie voor jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en het verblijf noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.
Gelet hierop is, naast de formele vereisten in de Jeugdwet, ook voldaan aan de wettelijke criteria van artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet. De kinderrechter zal de machtiging voor opname en verblijf van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verlenen voor de duur van drie maanden. De kinderrechter legt dit hierna uit.
Op 3 november 2025 is [minderjarige] verhuisd naar de [hybride groep] te [plaats 2] . De eerste periode is het daar goed verlopen; hij heeft de positieve groei die hij de periode ervoor liet zien voortgezet. Hij stelde zich goed begeleidbaar op, is gestart met een buddy-traject met OpenDoor en ging vaak naar school. Zijn therapiebehandeling bij MOEV is wel vroegtijdig gestopt. [minderjarige] liet veel weerstand zien tegen deze therapiesessies en daarom is gekozen om de behandeling tijdelijk te stoppen en op een later, meer passend, moment weer op te pakken.
Echter laat [minderjarige] sinds begin van dit jaar steeds meer negatief gedrag zijn. Hij lijkt erg op zoek te zijn naar de grenzen en gaat deze ook over. Zijn verzet tegen de regels van de groep gaat ver en neigt tot ernstige normoverschrijding en zelfs beschadiging van personen, bijvoorbeeld door het vernielen van spullen, pesten van groepsgenoten, nachtelijk dwalen, ongeoorloofde afwezigheid onderwijs, dreigementen naar jeugdzorgwerkers, het stelen van spullen en hij heeft afwasmiddel in de thee van een hulpverlener gedaan. Daarnaast bestaan de zorgen uit dat [minderjarige] de begeleiders op afstand houdt en hulp onvoldoende toelaat. Hoewel er enig inzicht is, ontbreekt op dit moment de motivatie en bereidheid bij [minderjarige] om zijn (negatieve) gedrag te veranderen. Begrenzing is dan ook noodzakelijk in de vorm van bijsturing en het intensiveren van toezicht en begeleiding. Net als de GI, is de kinderrechter van oordeel dat dit maakt dat de overgang naar een open setting op dit moment te veel risico’s met zich mee brengt voor de veiligheid en de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] heeft een stabiele basis en veiligheid nodig en dit kan bij [zorginstelling] worden geboden. Gelet op het voorgaande stelt de kinderrechter vast dat er thans geen andere alternatieven voorhanden zijn dan een gesloten plaatsing. Daarom zal het verzoek worden toegewezen voor de duur van drie maanden.
De kinderrechter merkt nog op dat [minderjarige] zich goed dient te realiseren dat hij zelf de sleutel tot succes in zijn handen heeft. Een overgang van een gesloten naar een open setting is in beginsel pas haalbaar wanneer [minderjarige] laat zien dat hij gemotiveerd is en zich houdt aan de gestelde afspraken. De kinderrechter heeft er vertrouwen in dat [minderjarige] hiertoe in staat is.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 24 april 2026 tot 24 juli 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Haard als griffier, en op schrift gesteld op 13 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.