Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-172525-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 27 mei 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1997 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1]
,
raadsman mr. B.J.P. van Gils, advocaat te Tilburg.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) heeft de politierechter de zaak naar deze kamer verwezen.
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 mei 2026, waarbij de officier van justitie mr. S. van de Wilt-Withfield en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 Sv. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich op 3 maart 2025 schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling dan wel mishandeling van [aangeefster] (hierna: aangeefster).
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het ten laste gelegde feit en bepleit vrijspraak.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Verdachte is de ex-partner van aangeefster. Zij hebben samen een minderjarige zoon. Bij het door verdachte terugbrengen van de zoon naar aangeefster, in het kader van de omgangsregeling, is de situatie geëscaleerd. De rechtbank stelt vast dat tussen aangeefster en verdachte een langdurig en hoogoplopend conflict speelt waarbij de onderlinge verhouding wordt gekenmerkt door wederzijdse spanningen. De verklaringen van beide partijen moeten worden gewogen tegen de achtergrond van deze beladen relatie(geschiedenis).
De verklaring van aangeefster
De rechtbank stelt vast dat aangeefster op twee momenten een verklaring heeft afgelegd. Aangeefster heeft eerst in de avond van 3 maart 2025 een verklaring aan de politie afgegeven, enkele uren na het voorval en na haar bezoek aan het ziekenhuis, en tijdens haar aangifte op 12 maart 2025. Zij verklaarde aan de verbalisant die avond dat zij door verdachte was mishandeld. Aangeefster heeft hier vervolgens in haar aangifte een meer uitgebreide verklaring over afgelegd.
Aangeefster heeft onder meer verklaard dat verdachte haar op maandag 3 maart 2025 bij haar keel heeft vastgepakt, meermalen tegen haar hoofd heeft geslagen en haar van de trap heeft geduwd, waardoor zij letsel heeft bekomen. Verdachte stelt dat er sprake was van wederzijds duw- en trekwerk, maar ontkent verdere geweldshandelingen. Verdachte ontkent niet dat aangeefster is gevallen. Hij stelt echter dit niet te hebben gezien of te hebben gewild.
Juridisch kader
Op grond van artikel 342 lid 2 Sv – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.
Betrouwbaarheid verklaring aangeefster
De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of de verklaring van aangeefster betrouwbaar is. Aangeefster heeft op details wisselend en aanvullend verklaard. Zo heeft aangeefster bij de aangifte verklaard ook bij haar haren en keel te zijn gepakt door verdachte, maar dit heeft ze niet aan de politie verteld die in de avond na het voorval ter plaatse is gekomen. Verder verklaart ze tegen de politie ter plaatse dat ze na de val van de trap ook nog door verdachte tegen het hoofd is geslagen en dit komt niet terug bij haar aangifte.
De verdediging stelt dat deze verklaringen van aangeefster daarom als onbetrouwbaar geheel terzijde moeten worden geschoven.
De rechtbank stelt vast dat de kern van het verhaal van de aangeefster in haar verklaringen steeds dezelfde is, namelijk dat verdachte hun zoontje terug kwam brengen, verdachte boos werd en tegen haar schreeuwde, haar tegen het hoofd sloeg en haar duwde, waardoor ze van de trap viel en dat haar aangifte een uitgebreidere versie van haar verhaal is, zodat haar aangifte op zichzelf voldoende betrouwbaar is en gebruikt kan worden als bewijs. Het bewijs dat de verdachte een strafbaar feit heeft gepleegd kan echter niet uitsluitend worden gebaseerd op één verklaring.
Steunbewijs
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van aangeefster. Dit is naar het oordeel van de rechtbank het geval.
De verklaring van aangeefster wordt ondersteund door de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij die middag ruzie had met aangeefster en er een schermutseling heeft plaatsgevonden waar het, volgens zijn eigen woorden, soms “hevig” aan toe ging. Verdachte heeft verklaard aangeefster te hebben geduwd.
Daarnaast heeft een getuige letsel bij aangeefster gezien direct na het voorval dat past met de door aangeefster beschreven geweldshandelingen, namelijk. een gehavend uiterlijk en een bloedneus. Deze getuige heeft ook gehoord dat aangeefster meerdere keren “au” riep en hoorde dat er geslagen werd.
Volgens de medische verklaring wordt op 3 maart 2025 lichamelijk letsel bij aangeefster geconstateerd, onder meer meerdere blauwe plekken (hematomen) op het gezicht, een bloeduitstorting aan de achterzijde van de bovenarm, schaafwonden aan de bovenzijde van beide voeten en een lichte hersenschudding.
Gebruikt geweld en letsel
Steunbewijs dat de verklaringen van aangeefster op alle relevante onderdelen bevestigt, ontbreekt echter. Het dossier bevat geen forensisch rapport omtrent (de duiding van) het letsel, noch foto's van de locatie (en dan met name de trap van het appartementencomplex). Bij gebreke daarvan kan de rechtbank de precieze toedracht van het letsel niet vaststellen. Dit is een gemis. Juist in een zaak als deze, waarin de verklaringen van aangeefster en verdachte lijnrecht tegenover elkaar staan, had forensisch onderzoek naar onder meer het letsel meer duidelijkheid kunnen bieden. Door het ontbreken wordt de waarheidsvinding bemoeilijkt. Dit betekent niet dat de rechtbank de verklaring van aangeefster niet gelooft of haar ervaring in twijfel trekt. Het betekent uitsluitend dat het bewijs onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen van alle ten laste gelegde handelingen.
Zowel aangeefster als verdachte verklaren dat er is geduwd. De rechtbank neemt aan dat aangeefster door een duw van de trap is gevallen, nu verdachte dit zelf niet uitsluit in combinatie met de verschillende plaatsen van het letsel op het lichaam van aangeefster. Dit letsel, dat aanwezig is op de voorzijde van haar gezicht, aan de achterzijde van haar bovenarm en aan de bovenzijde van beide voeten, is niet verklaarbaar door enkel duwen of slaan. De rechtbank neemt daarnaast aan dat verdachte aangeefster heeft geslagen tegen het hoofd voorafgaand aan de duw waardoor zij van de trap is gevallen, mede gelet op de verklaring van de getuige.
Bewezenverklaring
Op grond van de voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat verdachte aangeefster heeft geslagen tegen haar hoofd en geduwd. Aangeefster is hierbij van de trap in haar portiekwoning gevallen en heeft hierbij letsel opgelopen.
Opzet
Om tot een bewezenverklaring te komen van het primair ten laste gelegde feit, te weten de poging tot zware mishandeling, moet daarnaast sprake zijn van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel. Voor het voorwaardelijk opzet geldt dat bewezen zal moeten worden dat de verdachte met zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer heeft aanvaard. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans op het gevolg die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden waaronder de gedragingen zijn verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om vast te kunnen stellen dat de duw die verdachte aangeefster heeft gegeven een aanmerkelijke kans op het bij haar ontstaan van zwaar lichamelijk letsel in het leven heeft geroepen. Er zijn namelijk belangrijke onduidelijkheden over wat er precies is gebeurd die niet in het dossier worden opgehelderd, doordat de situatie ter plaatse niet is vastgelegd. Het is onder meer onduidelijk hoe hard er is geduwd, hoeveel treden de trap heeft, van welk materiaal de trap gemaakt is en op welk deel van de trap het voorval heeft plaatsgevonden.
De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken.
De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, het subsidiair ten laste gelegde, te weten de mishandeling van aangeefster door verdachte, wel wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 3 maart 2025 te [plaats] [aangeefster] heeft mishandeld, door die [aangeefster] meermaals tegen het lichaam te duwen en meermaals te slaan tegen het hoofd en met kracht tegen het lichaam te duwen, waardoor die [aangeefster] van de trap is gevallen.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 92 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast vordert de officier van justitie een taakstraf voor de duur van 120 uren, bij niet voltooiing te vervangen door 60 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank verdachte geen langere gevangenisstraf dan het voorarrest op te leggen, in combinatie met een voorwaardelijke (taak)straf, zodat reclasseringsinterventies kunnen worden voortgezet.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van aangeefster. Daarmee heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat dit plaatsvond in het portiek van haar eigen woning in het bijzijn van hun minderjarige zoon, bij uitstek een plek waar zij zich veilig zou moeten kunnen voelen.
De persoon van verdachte
Uit het uittreksel van de justitiële documentatie van verdachte van 21 november 2025 blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaren eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke geweldsfeiten, ook tweemaal tegen aangeefster. Hierbij is aan verdachte in het recente verleden ook onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Het voornoemde heeft verdachte er echter niet van weerhouden zich wederom schuldig te maken aan een nieuw geweldsdelict. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee.
De reclassering constateert in haar rapport van 17 april 2026 dat er bij verdachte delictgerelateerde risicofactoren aanwezig zijn, waaronder een belastende ontwikkelingsgeschiedenis, hechtingsproblematiek en moeite met emotieregulatie. De aanhoudende conflicten met aangeefster vormen een aanvullende risicofactor. Daar staan beschermende factoren tegenover. Verdachte heeft stabiele huisvesting, een gestructureerde dagbesteding en een ondersteunende partnerrelatie. Hij staat open voor hulpverlening en kiest vaker voor begeleide oplossingen in conflictsituaties.
De reclassering heeft zorgen over het (gemiddelde) recidiverisico. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou de beschermende factoren zoals opleiding, werk en inkomen van verdachte wegnemen, waardoor het recidiverisico zou toenemen. Anderzijds is het recidiverisico de afgelopen periode afgenomen. De Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdbescherming zijn betrokken bij de omgangsregeling met zijn minderjarige zoon, er loopt een hulpverleningstraject, de behandeling bij Fivoor is gestart en verdachte heeft zich de laatste maanden gehouden aan het contact- en locatieverbod vanuit het schorsingstoezicht. De reclassering adviseert daarom bij een (deels) voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden op te leggen die reeds golden bij de schorsing van de voorlopige hechtenis. Verdachte heeft verklaard bereid te zijn zich daaraan te houden.
De op te leggen straf
Gelet op de hiervoor omschreven aard en ernst van het feit en de meermalen recidive, is de rechtbank van oordeel dat in beginsel geen andere strafmodaliteit dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. Vanwege de reeds gestarte hulpverlening zal de rechtbank, ondanks het taakstrafverbod, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen die langer is dan het voorarrest dat verdachte al heeft doorlopen. Wel zal de rechtbank een aanzienlijke voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf opleggen. Verdachte ondervindt daarmee de gevolgen van zijn handelen en hij dient zich gedurende de gehele proeftijd steeds weer te realiseren dat wanneer hij zich opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit er een aanzienlijke gevangenisstraf in het verschiet ligt. Aan de voorwaardelijke straf zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd worden verbonden. Daarnaast is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 92 dagen, met aftrek van het reeds ondergane voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals gevorderd door de officier van justitie en een taakstraf voor de duur van 80 uren passend en geboden, bij niet voltooiing te vervangen door 40 dagen hechtenis. De rechtbank legt een lagere taakstraf op dan geëist door de officier van justitie, omdat het subsidiair ten laste gelegde feit bewezen is verklaard.
7. De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 64.309,-, waarvan een bedrag van € 1.309,- aan materiële schade en een bedrag van € 63.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De materiële schade zou bestaan uit de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt met betrekking tot de betaling van het eigen risico van de zorgverzekering ten bedrage van € 385,-, fysiotherapie ten bedrage van € 204,- (te weten vier sessies van € 51,-), kosten van een nieuwe bril ten bedrage van € 320,- en kosten van een nieuwe telefoon ten bedrage van € 400,- (iPhone Pro 13). De vordering immateriële schade is gebaseerd op het letsel van benadeelde partij, namelijk een hersenschudding, blauwe plekken, klachten aan haar zicht, schade aan nekwervels (whiplash) en psychische klachten.
De verdediging betwist het causaal verband tussen de door de benadeelde partij gestelde schade en het bewezenverklaarde feit en verzoekt daarom de vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen.
De officier van justitie acht een bedrag van € 589,- (eigen risico zorg en behandelingen fysiotherapie) aan materiële schade en een bedrag van € 6.000,- aan immateriële schade toewijsbaar. Voor het overige moet de benadeelde partij volgens de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte aangeefster heeft mishandeld. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 3.585,-, waarvan een bedrag van € 589,- aan materiële schade (het eigen risico van de zorgverzekering en de kosten van fysiotherapie) en een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schade.
Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden niet voldoende zijn vastgesteld, en (de omvang van) de schade onvoldoende is onderbouwd. Verdere behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 3 maart 2025.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
mishandeling;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 uren;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40 dagen hechtenis;
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 92 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* meldplicht bij reclassering
dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
* contactverbod
dat verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met mevrouw [aangeefster] , geboren op [geboortedag 2] 2000, tenzij de reclassering (in overleg met betrokken hulpverlening zoals Jeugdbescherming Brabant) toestemming heeft gegeven voor het contact. Er mag wel contact zijn tussen mevrouw [aangeefster] en de huidige partner van betrokkene, zijnde mevrouw [persoon] ;
* locatie-/gebiedsverbod
dat verdachte zich niet bevindt in de flat van aangeefster gelegen aan [adres 2] in [plaats] en ook niet binnen tien meter van de voordeur van aangeefster, zo lang als de reclassering dat (in overleg met betrokken hulpverlening zoals Jeugdbescherming Brabant) nodig vindt;
- de van rechtswege geldende voorwaarden daarbij zijn:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] van € 3.589,-, waarvan € 589,- aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster] , € 3.589,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 35 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Faouzi, voorzitter, en mr. R. Combee en mr. J.F.C. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 mei 2026.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 3 maart 2025 te [plaats] , in elk geval in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [aangeefster]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- die [aangeefster] (meermaals) met kracht heeft gestompt en/of geslagen tegen het
hoofd, in elk geval tegen het lichaam en/of
- die [aangeefster] (meermaals) bij de keel heeft gepakt en/of met kracht
tegen het lichaam heeft geduwd, waardoor die [aangeefster] van de trap is gevallen en/of
met kracht het lichaam van die [aangeefster] van de trap heeft gegooid en/of geduwd;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 maart 2025 te [plaats] , in elk geval in Nederland, [aangeefster]
heeft mishandeld, door die [aangeefster]
- ( meermaals) bij de keel te pakken en/of (vervolgens) tegen het lichaam te duwen
en/of
- ( meermaals) met kracht te stompen en/of slaan tegen het hoofd, in elk geval tegen
het lichaam en/of
- ( meermaals) bij de keel te pakken en/of met kracht tegen het lichaam te duwen,
waardoor die [aangeefster] van de trap is gevallen en/of met kracht het lichaam van die
[aangeefster] van de trap te gooien en/of te duwen;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )