ECLI:NL:RBZWB:2026:4643

ECLI:NL:RBZWB:2026:4643

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 27-05-2026
Datum publicatie 27-05-2026
Zaaknummer 02-190413-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Vrijspraak voor moord. Veroordeling voor doodslag waarbij sprake was van vol opzet. Tevens veroordeling voor het voorhanden hebben van een vuurwapen van de categorie III. Beroep op noodweer, noodweerexces en putatief noodweer(exces) verworpen. Licht verminderd toerekeningsvatbaar. Oplegging van een gevangenisstraf van 12 jaar met aftrek van voorarrest en de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel. Meerdaadse samenloop. Vorderingen benadeelde partijen met betrekking tot oa affectieschade en shockschade. Beslag.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummers: 02-190413-25 + 02-349288-25 (ttz. gev.)

vonnis van de meervoudige kamer van 27 mei 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd

raadsman mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 mei 2026, waarbij de officieren van justitie, mr. S.A.J. Louwers en mr. J. Castelein, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting zijn de zaken met bovengenoemde parketnummers gevoegd. Tevens zijn de vorderingen van de benadeelde partijen behandeld. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op de zitting van 27 mei 2026.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord op dan wel doodslag van [slachtoffer] door met een vuurwapen op hem te schieten en aan het voorhanden hebben van een vuurwapen.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie vorderen vrijspraak van de impliciet tenlastegelegde moord nu niet kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachte raad om het leven heeft gebracht. Wel achten zij de doodslag wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit dat er geen sprake is geweest van voorbedachte raad bij verdachte waardoor vrijspraak moet volgen van de tenlastegelegde moord. Doodslag kan wel wettig en overtuigend worden bewezen, maar daarbij moet worden uitgegaan van voorwaardelijk opzet.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Op 22 juni 2025 omstreeks 11:48 uur heeft in de Jumbo supermarkt aan [adres] te Vlissingen een schietincident plaatsgevonden. Door verdachte werd tweemaal met een vuurwapen op [slachtoffer] geschoten. [slachtoffer] is door beide schoten in zijn bovenlichaam geraakt en is kort daarna ter plekke overleden. Voor de leesbaarheid zal het slachtoffer in dit vonnis worden aangeduid als [slachtoffer] en zijn zoon als [benadeelde 1] .

Moord

Om tot een bewezenverklaring van moord te kunnen komen, moet er sprake zijn geweest van voorbedachte raad. Daarvoor moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Met de officieren van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende objectieve aanknopingspunten biedt om vast te stellen dat er sprake was van kalm beraad en rustig overleg.

Verdachte is weliswaar met een vuurwapen naar de Jumbo gegaan, maar op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan niet worden vastgesteld dat dit was omdat hij het plan had om [slachtoffer] om het leven te brengen. Verdachte heeft verklaard dat hij een aantal weken eerder een vuurwapen had gekocht om anderen daarmee af te schrikken, omdat hij een aantal keren was beschoten en zichzelf wilde beschermen. De confrontatie tussen verdachte en [slachtoffer] in de supermarkt was onverwacht voor verdachte. Verdachte wist op het moment dat hij samen met zijn vriendin [persoon 1] naar de Jumbo ging immers niet dat zij daar [persoon 2] zouden tegenkomen. Hij kon al helemaal niet voorzien dat [benadeelde 1] en [slachtoffer] naar aanleiding van de vechtpartij tussen [persoon 1] en [persoon 2] ook naar de supermarkt zouden komen en met verdachte zouden gaan vechten.

Verder stelt de rechtbank vast dat tussen die vechtpartij in de winkel en het door verdachte naar de ingang van de winkel lopen, maar een zeer korte tijd zat.

Over het moment van het laden van het vuurwapen heeft verdachte verschillend verklaard. Bij de politie verklaarde hij dat hij dat in de winkel heeft gedaan, terwijl hij wegliep van het conflict tussen hem [slachtoffer en benadeelde] . Daar is hij op de terechtzitting op teruggekomen. Hij heeft toen verklaard dat het wapen al geladen was op het moment dat hij de winkel binnen kwam. De rechtbank gaat uit van die laatste verklaring omdat zij de eerdere verklaring als zeer ongeloofwaardig aanmerkt. Die houdt immers in dat verdachte, al lopende naar de uitgang, met één hand en in zijn vestzak, twee kogels in het magazijn heeft gedaan en vervolgens het magazijn in het pistool. Ook gelet op de korte tijdspanne waarin dit gebeurd zou zijn, acht de rechtbank dit onder de gegeven omstandigheden hoogst onaannemelijk. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat verdachte het wapen niet heeft geladen met de intentie om [slachtoffer] te doden.

Ook kan de rechtbank uit het dossier niet opmaken dat verdachte, voor of nadat hij door [slachtoffer] en zijn zoon was geslagen, uitlatingen heeft gedaan waaruit kan worden afgeleid dat hij toen een plan zou hebben opgevat om [slachtoffer] te doden. Er is kennelijk gesproken over ‘buiten’ of ‘naar buiten’. Door wie en in welke context dat is gezegd wordt echter niet duidelijk. Verdachte heeft aangegeven dat hij heeft gezegd: ‘we gaan naar buiten’ maar dat hij daarmee doelde op zichzelf en zijn vriendin. [persoon 3] heeft verklaard dat zij verdachte hoorde zeggen ‘dan gaan we naar buiten’. De verklaringen van [persoon 2] en [benadeelde 1] dat verdachte na het conflict dreigend zei ‘wacht maar buiten’ en daarbij zijn hand in zijn zak had, wordt door geen van de op dat moment aanwezige onafhankelijke getuigen ondersteund. Er is óok verklaard dat het personeel heeft gezegd: als je gaat vechten doe het dan buiten.’ Gezien al deze wisselende verklaringen ziet de rechtbank ook hierin geen aanknopingspunt om tot bewijs van de voorbedachte raad te komen.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat niet bewezen kan worden dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, zodat de verdachte zal worden vrijgesproken van de ten laste gelegde moord op [slachtoffer] .

Doodslag: welke opzetvariant

Zowel de officieren van justitie als de verdediging menen dat de tenlastegelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen kan worden. Wel verschillen zij van standpunt of daarbij sprake was van vol opzet of voorwaardelijk opzet bij verdachte. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er op het moment van het schieten bij verdachte sprake was van vol opzet. Uit de camerabeelden is namelijk gebleken dat verdachte na het conflict met [slachtoffer en benadeelde] in de Jumbo, waarop zij van het personeel naar buiten moesten, met kordate pas in de richting van de kassa is gelopen. Op het moment dat hij de kassa passeerde en [slachtoffer] bij de toegangspoortjes van de winkel zag staan, is op de camerabeelden te zien dat hij zijn hand in zijn zak had. Zonder snelheid te verminderen is verdachte doorgelopen naar [slachtoffer] en heeft ondertussen het wapen uit zijn zak gehaald, doorgeladen en op die [slachtoffer] gericht.

Op de camerabeelden is verder duidelijk te zien dat verdachte het vuurwapen daarbij met gestrekte en opgeheven arm recht voor zich uit hield, gericht op het bovenlichaam van [slachtoffer] en niet op zijn benen. Op het moment dat verdachte het eerste schot afvuurde, stond hij op nog geen meter afstand van [slachtoffer] en had hij zijn arm nog steeds in diezelfde houding. Ook het tweede schot is door verdachte onder dezelfde hiervoor genoemde omstandigheden afgevuurd. Weliswaar rennend en daarbij op korte afstand gevolgd door [slachtoffer] , maar steunend met zijn rechterarm op zijn opgeheven linkerarm om zo gericht te kunnen schieten.

De rechtbank is van oordeel dat het (tweemaal) met een vuurwapen op zo’n korte afstand gericht schieten op het bovenlichaam van een persoon naar de uiterlijke verschijningsvorm zó is gericht op het doden van die persoon, dat het niet anders kan dan dat de wil van verdachte daarop was gericht.

Dat uit het pathologisch onderzoek van [slachtoffer] is gebleken dat slechts een van de twee schoten tot zijn dood heeft geleid, doet aan het opzet van verdachte niet af nu beide schoten op dezelfde wijze zijn afgevuurd, namelijk op korte afstand gericht op het bovenlichaam van [slachtoffer] . Dat [slachtoffer] daarbij beide keren in het bovenlichaam is geraakt, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet slechts geweten worden aan een - mogelijke - onnauwkeurigheid van het wapen.

Bezit vuurwapen

Verdachte heeft bekend op 22 juni 2025 een pistool voorhanden te hebben gehad. Dit pistool heeft hij die dag meegenomen naar de Jumbo en daar heeft hij dit vuurwapen ook gebruikt. Op grond hiervan alsmede de uitkomst van het onderzoek van dit vuurwapen, acht de rechtbank het tenlastegelegde vuurwapenbezit wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

02-190413-25 op 22 juni 2025 te Vlissingen opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen, op zeer korte afstand, meerdere kogels af te vuren op het lichaam van die [slachtoffer] waarbij die [slachtoffer] meermalen is geraakt.

02-349288-25 op 22 juni 2025 te Vlissingen een wapen van categorie III, onder 1, van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk Blow, type TR 34, kaliber 9 mm Br. kort, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid van het feit en van verdachte

Het standpunt van de officieren van justitie

Volgens de officieren van justitie zijn de op de camerabeelden waar te nemen gedragingen van verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer op de aanval gericht, dat hem geen beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. Daarbij komt dat een noodweersituatie kort voorafgaand aan het schieten in het geheel niet aannemelijk is geworden. De verklaringen van verdachte over dat hij zich moest verdedigen zijn niet aannemelijk geworden en bovendien ongeloofwaardig. Verder is er geen enkele indicatie dat er sprake was van een hevige gemoedsopwelling door enorme angst of paniek door de eerdere aanval.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat verdachte zich heeft verdedigd tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] . Daarbij moet rekening gehouden worden met alles wat er aan de schietpartij vooraf is gegaan, zoals de eerdere ernstige doodsbedreigingen ook aan de zwangere vriendin van verdachte en de mishandeling in de supermarkt van hemzelf door [slachtoffer] en zijn zoon, die beiden veel groter en zwaarder waren dan verdachte. Daarna werd door [slachtoffer] buiten de ingangspoortjes opnieuw de confrontatie met verdachte gezocht terwijl verdachte door een medewerker van de Jumbo naar de uitgang werd begeleid. Het was voor verdachte niet mogelijk om weg te komen en de bedreiging was zo ernstig dat hij voor zijn leven vreesde en op geen andere manier kon reageren dan het wapen te gebruiken. Ook na het eerste schot, bedoeld als waarschuwingsschot om [slachtoffer] af te schrikken, werd door [slachtoffer] opnieuw de confrontatie gezocht. Indien de rechtbank tot een vaststelling komt dat bij de noodzakelijke verdediging tegen deze aanval de proportionaliteitsgrenzen zijn overschreden, dan staat deze overschrijding volgens de verdediging in directe relatie tot de hevige gemoedsbeweging die hieraan voorafging. Meer subsidiair wordt een beroep gedaan op putatief noodweer of noodweerexces nu verdachte er vanuit ging dat [slachtoffer] in het bezit was van een vuurwapen.

Het oordeel van de rechtbank

Juridisch kader

Aan een verdachte die - kort gezegd - heeft gehandeld ter verdediging, kan onder omstandigheden een beroep toekomen op de in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) omschreven strafuitsluitingsgronden noodweer dan wel noodweerexces.

Artikel 41 Sr luidt:

"1. Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

2. Niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt."

Voor noodweer is aldus vereist dat de verdediging is gericht tegen een "ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding". Daarvan is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. Wanneer de aanranding is geëindigd, is een beroep op noodweer niet (meer) mogelijk.

Noodweerexces kan in beeld komen bij een "overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging", die het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging.

Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:

a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien

b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Relevante feiten en omstandigheden

Om te beoordelen of verdachte een beroep op noodweer(exces) toekomt, stelt de rechtbank eerst de volgende relevante feiten en omstandigheden vast op basis van het dossier en de behandeling op zitting, met name de afgespeelde camerabeelden, waarbij is uitgegaan van de tijden die zijn vermeld op de camerabeelden.

Om 11.53.27 uur komt [persoon 2] de Jumbo binnen. Ongeveer vijf minuten later komen verdachte en zijn vriendin [persoon 1] ook de Jumbo binnen. In de Jumbo ontstaat een fysieke confrontatie tussen [persoon 2] en [persoon 1] . Verdachte heeft in deze confrontatie geen rol en treedt enkel sussend op. Nadat [persoon 2] en [persoon 1] zijn gescheiden, komen om 12.03.20 uur [slachtoffer] en zijn zoon [benadeelde 1] op een scooter aan bij de Jumbo. Eerst komt de zoon binnen, enkele seconden later gevolgd door [slachtoffer] . [benadeelde 1] zoekt hierbij de confrontatie met verdachte en valt hem aan. [slachtoffer] haalt hen in eerste instantie uit elkaar en schermt zijn zoon en [persoon 2] af van verdachte en [persoon 1] . Verdachte staat nog steeds gericht naar hen toe en door onbekende oorzaak vlamt het conflict opnieuw op waarbij [slachtoffer] om 12:04:52 uur zich richting verdachte draait, naar hem toeloopt en hem vervolgens een schap in duwt en klappen geeft. Opnieuw komt het personeel van de Jumbo tussenbeide en zij worden allemaal naar buiten gedirigeerd.

Om 12.05.16 uur loopt [slachtoffer] met normale pas in het achterste gangpad. [persoon 1] komt uit het gangpad daarnaast en gaat linksaf waarbij zij bijna tegen verdachte op botst. Verdachte komt op dat moment met kordate pas uit een gangpad daarnaast en kijkt in de richting van [slachtoffer] waarbij hij met zijn rechterarm een gebaar maakt richting de uitgang. Ook lijkt hij iets tegen [persoon 1] te zeggen. [persoon 1] volgt verdachte. [slachtoffer] kijkt naar verdachte.

Om 12.05.24 uur passeert verdachte de kassa, kijkt daarbij naar rechts en gaat ondertussen met zijn rechterhand in zijn jaszak. Hij wordt op dat moment gevolgd door een medewerkster van de Jumbo. Daarachter loopt [persoon 1] . [slachtoffer] neemt op dat moment een sprintje naar het ingangspoortje dat net opengaat door een binnenkomende klant. Om 12.05.26 uur komt [slachtoffer] uit het ingangspoortje en kijkt naar links, in de richting van de kassa’s. Op datzelfde moment loopt verdachte bij de bloemenafdeling waar hij een vuurwapen uit zijn rechterjaszak haalt en dit direct doorlaadt. [slachtoffer] doet een paar passen in de richting van verdachte en opzij in zijn richting. Hij maakt met zijn arm een beweging naar verdachte. Verdachte loopt door in de richting van [slachtoffer] en richt op dat moment het wapen met geheven en gestrekte arm recht voor zich uit op [slachtoffer] . Hierop maakt [slachtoffer] om 12:05:29 uur met zijn linkerarm een afwerend/beschermend gebaar ter hoogte van zijn hoofd en duikt vervolgens wat ineen en beweegt wat via links in de richting van verdachte. Verdachte beweegt hierop wat naar rechts. Om 12:05:30 uur maakt [slachtoffer] een beweging in de richting van verdachte en het wapen met zijn linkerarm waarop verdachte het eerste schot lost en direct daarna zijn wapen opnieuw doorlaadt. Om 12:05:31 uur beweegt [slachtoffer] nog steeds in de richting van verdachte. Verdachte rent terug richting de kassa’s en [slachtoffer] rent achter hem aan. [persoon 1] , die zich op dat moment bij de bloemenafdeling bevindt, keert terug richting de kassa’s. Bij de bloemenafdeling draait verdachte zich om 12:05:32 uur al rennend met het wapen in de richting van [slachtoffer] en lost het tweede schot. [slachtoffer] houdt hierop in en kijkt vervolgens onder zijn t-shirt naar zijn buik en loopt vervolgens naar buiten. Om 12:05:37 uur rent verdachte achter [slachtoffer] aan naar buiten, waarbij hij als hij begint te rennen, om 12.05.39 uur, zijn capuchon opzet. Zonder naar [persoon 1] te kijken passeert hij haar bij de bloemenafdeling. Buiten stapt [slachtoffer] op zijn scooter. Verdachte pakt nogmaals het wapen uit zijn zak en richt dit even op [slachtoffer] die hierop van zijn scooter afstapt. Verdachte gooit of trapt vervolgens de scooter van [slachtoffer] om en rent vervolgens zonder om te kijken weg. [slachtoffer] valt hierna achterover op de grond. [persoon 1] rent al kijkend naar [slachtoffer] langs hem en gaat achter verdachte aan.

Noodweer

Gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er in de Jumbo bij de broodafdeling tussen 12:03 en 12:05 uur sprake was een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte door in eerste instantie [benadeelde 1] en daarna door (in elk geval) [slachtoffer] . Voor wat betreft de gedragingen van verdachte is niet gebleken dat hij hier méér heeft gedaan dan zich tegen die aanranding verdedigen. Deze ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en daarmee de noodweersituatie is geëindigd op het moment dat verdachte [slachtoffer en benadeelde] door het personeel van de Jumbo zijn gescheiden en van hen naar buiten moesten gaan, waarop zij zich allen richting de uitgang begaven via de kassa’s dan wel de ingangspoortjes.

Van een nieuwe noodweersituatie in de zin van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding dan wel een onmiddellijke dreiging daartoe wanneer [slachtoffer] en verdachte zich om 12:05:29 uur ter hoogte van de ingangspoortjes bevinden, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Dat [slachtoffer] hier agressief en met gebalde vuisten richting verdachte zou zijn gerend, zoals verdachte heeft verklaard, kan op grond van de beelden namelijk niet worden vastgesteld. Dat [slachtoffer] bij de ingangs-poortjes verdachte kennelijk wel stond op te wachten, is gelet op alle omstandigheden onvoldoende om te kunnen spreken van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding waartegen verdachte zich moest verdedigen. Verdachte was nog op een aantal meters afstand van [slachtoffer] en liep zelf, terwijl hij het wapen doorlaadde, met kordate pas in de richting van [slachtoffer] . Van een dreigend gevaar achter verdachte, waardoor hij niet anders kon dan doorlopen in de richting van [slachtoffer] , was geen sprake.

Noodweerexces

Uit de jurisprudentie volgt dat een beroep op noodweerexces ook kan slagen wanneer op het tijdstip van de gedraging die een verdachte wordt verweten, de noodweersituatie weliswaar was geëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), maar de gedraging van de verdachte niettemin het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. Die gemoedsbeweging moet dan van doorslaggevend belang zijn geweest voor de verweten gedraging.

De rechtbank is daarover van oordeel dat een hevige gemoedsbeweging bij verdachte, als onmiddellijk gevolg van de hiervoor weergegeven noodweersituatie bij de broodafdeling, niet aannemelijk is geworden.

De rechtbank stelt vast dat verdachte op dit punt wisselende verklaringen heeft afgelegd en dat er tegenstellingen zijn tussen de verklaring die is afgelegd voordat de verdachte de beelden heeft gezien en de verklaringen van daarna. Eerst kent hij [slachtoffer] niet persoonlijk maar alleen van naam en van verhalen, later geeft hij aan hem vaak buiten tegen te komen en dat hij hem eens heeft aangesproken waarbij [slachtoffer] bedreigingen zou hebben geuit.

In de verklaring voordat hij de beelden had gezien, verklaart verdachte dat hij, nadat hij door [slachtoffer] was geslagen, nog een beetje probeerde te sussen. Van een hevige gemoedsbeweging spreekt hij niet. De reden dat hij schoot was omdat hij werd aangevallen en niet in elkaar geslagen wilde worden.

Pas na het zien van de beelden gaat het over verbale bedreigingen door [slachtoffer] – in de winkel en ook eerder – die een rol zouden spelen. Die bedreigingen zouden angst hebben opgewekt voor verdachte zijn eigen veiligheid en die van zijn familieleden en zijn zwangere vriendin. Zijn vriendin zou bovendien zichtbaar bloeden tussen haar benen. De rechtbank stelt ten aanzien van dat laatste op grond van de camerabeelden vast dat er geen bloed op die plek is waar te nemen.

Verdachte verklaart, zoals eerder al aangegeven, in zijn eerste verklaring alleen dat hij bang was in elkaar te worden geslagen en zegt dan niets over een eventueel wapen bij [slachtoffer] . In een volgende verklaring antwoordt hij desgevraagd dat hij in de winkel bij [slachtoffer] geen wapen had gezien, maar dat deze wellicht een wapen in zijn scooter had. Op de zitting verklaart verdachte voor het eerst dat hij bang was dat [slachtoffer] misschien een wapen uit zijn broek zou pakken dat in de tussentijd uit de scooter zou kunnen zijn gepakt. De rechtbank stelt aan de hand van de beelden vast dat bij [slachtoffer] niets is waar te nemen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat deze een wapen bij zich zou hebben.

Verdachte heeft dan ook niet consistent verklaard over waarvoor hij nu precies bang was en wat de oorzaak daarvan was. Zijn verklaringen daarover heeft hij steeds heeft aangepast en uitgebreid.

Bovendien bevat het dossier – anders dan de verklaring van verdachte – geen of nauwelijks aanknopingspunten voor de door verdachte gestelde aard en intensiteit van zijn gemoedsbeweging. Geen van de getuigen die het incident hebben waargenomen, hebben verklaard dat zij de indruk hadden dat verdachte bang (laat staan heel bang) en/of in paniek was of hebben een andere vorm van hevige gemoedsbeweging waargenomen. Een getuige heeft verklaard dat verdachte opgefokt was naar aanleiding van wat er zojuist was gebeurd, maar zag verder niets raars. Verder heeft één getuige weliswaar verklaard dat zij zag dat verdachte bang was en dat hij achterom kijkend langs de kassa rende, maar zoals hiervoor weergegeven, wordt dit niet bevestigd door de camerabeelden.

De hevige gemoedsbeweging volgt evenmin uit de camerabeelden. Zo heeft verdachte verklaard dat hij bang was dat hij (en [persoon 1] ) ingesloten zou worden en hem of [persoon 1] en/of ongeboren kind wat zou worden aangedaan. Echter, uit de hiervoor weergegeven relevante feiten en omstandigheden blijkt dat verdachte op geen enkel moment achterom kijkt, laat staan naar [persoon 1] . Verder is op geen enkel moment op de beelden te zien dat verdachte zich überhaupt om [persoon 1] heeft bekommerd. Zo blijft hij op geen enkel moment bij haar in de buurt, kijkt hij op geen enkel moment waar zij is of naar haar om. Dat geldt ook voor het moment nadat hij heeft geschoten. Verdachte is toen rustig achter [slachtoffer] aan naar buiten gegaan, heeft nogmaals het wapen op hem gericht en is, nadat hij de scooter had omgegooid, vervolgens weggerend. [persoon 1] heeft hij achtergelaten bij de Jumbo waar ook de [slachtoffer] ’s nog waren, terwijl verdachte op dat moment niet wist dat [slachtoffer] inmiddels als gevolg van zijn verwondingen achterover was gevallen en zelfs is komen te overlijden.

Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat bij verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging ten gevolge van de eerdere aanranding, ook niet als rekening wordt gehouden met de gestelde eerdere bedreigingen. De rechtbank vindt de verklaringen van verdachte op dit punt niet geloofwaardig en ziet ook in de beelden geen bevestiging daarvan.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door de verdachte gepleegde doodslag niet kan worden aangemerkt als een onmiddellijk gevolg van een door de eerdere wederrechtelijke aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Van noodweerexces is naar het oordeel van de rechtbank daarom geen sprake. Het eerste schot van verdachte moet als confrontatiegericht worden aangemerkt. Welk van de twee schoten het dodelijk schot is geweest maakt daardoor niet meer uit.

Putatief noodweer(exces)

Meer subsidiair is een beroep gedaan op putatief noodweer of noodweerexces omdat verdachte er vanuit ging dat [slachtoffer] in het bezit was van een vuurwapen.

Van putatief noodweer(exces) wordt gesproken als een verdachte meent dat hij wordt aangevallen en zich (mogelijk excessief) verweert, maar later blijkt dat hij zich in de feitelijke situatie heeft vergist. De vergissing moet verschoonbaar zijn. Hiervoor is vereist dat er een objectieve aanleiding is geweest op grond waarvan die verdachte de situatie verkeerd heeft kunnen en mogen inschatten. Indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op zogenoemde putatieve noodweerexces, zal de rechter moeten onderzoeken of sprake was van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.

Daarover is de rechtbank van oordeel dat op geen enkele wijze feiten en/of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die verdachte op enig moment redelijkerwijs aanleiding konden geven te veronderstellen dat [slachtoffer] een wapen bij zich had en/of dit wilde trekken en tegen verdachte wilde (gaan) gebruiken. Ook dit beroep wordt dan ook verworpen.

Conclusie

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is ook strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van veertien jaar met aftrek van voorarrest en de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (verder: GVM) ex artikel 38z Sr.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte bepleit een veel lagere straf dan de eis van de officier van justitie. Hij voert daartoe aan dat de jonge leeftijd van verdachte in hoge mate moet meewegen bij de strafoplegging en de zaak niet volledig moet worden beoordeeld naar de maatstaven van het volwassenenstrafrecht. De leeftijd van verdachte lag nog dicht bij de grens van het adolescentenstrafrecht ten tijde van het feit. Als verdachte jonger dan 23 jaar zou zijn geweest, was het niet onaannemelijk geweest dat er voor jeugdstrafrecht zou zijn gekozen met een maximum straf van twee jaar jeugddetentie. Ook de licht verminderde toerekenbaarheid dient een dempende invloed te hebben op de straf. Daarnaast dient er rekening gehouden te worden met wat na het incident is voorgevallen. De bom die is geplaatst bij de woning van zijn moeder waardoor zijn broertje gewond is geraakt, de explosie waardoor de auto van zijn vader is verwoest en dat zijn vriendin herhaaldelijk is bedreigd. Verder dient rekening gehouden te worden met het feit dat een langdurige detentie een sterk nadelig effect zal hebben op verdachte vanwege zijn jonge leeftijd en zijn beïnvloedbaarheid. Tot slot wijst de raadsman erop dat verdachte meerdere malen spijt en berouw van zijn daden heeft getoond.

Het oordeel van de rechtbank

Aard en ernst van de feiten

Verdachte, destijds 23 jaar oud, heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III en heeft daarmee op klaarlichte dag in een bedrijvige supermarkt, de toen 44-jarige [slachtoffer] om het leven gebracht door twee kogels in zijn bovenlichaam te schieten. Nadat verdachte op een eerder moment door [slachtoffer] in de supermarkt was geslagen is hij, na het passeren van de kassa, afgelopen op [slachtoffer] die hem bij de ingangspoortjes stond op te wachten. Hij heeft al lopend een vuurwapen uit zijn zak gepakt, dit doorgeladen en vervolgens gericht op die [slachtoffer] . Tijdens het eerste schot stond verdachte op nog geen meter afstand van [slachtoffer] . Het tweede schot heeft hij al rennend en van korte afstand gelost terwijl hij werd achtervolgd door [slachtoffer] . De zo ogenschijnlijk simpele handeling van het overhalen van de trekker door verdachte heeft in een paar seconden tot desastreuse en onomkeerbare gevolgen geleid. Verdachte heeft met dit handelen het meest kostbare bezit van [slachtoffer] afgenomen, namelijk zijn leven. Een grotere impact op een leven kan iemand met zijn gedraging niet hebben.

Het handelen van verdachte heeft niet alleen voor het slachtoffer onomkeerbare gevolgen gehad maar ook voor zijn nabestaanden. Zij hebben hun dierbare op afschuwelijke wijze verloren, wat voor hen moeilijk te verwerken zal zijn. Naaste familieleden en de partner van [slachtoffer] hebben zich op de terechtzitting uitgelaten over wat voor impact zijn overlijden op hen heeft gehad en nog steeds heeft. Hierbij hebben zij niet alleen verteld over hun grote verdriet en het onherstelbaar leed dat is veroorzaakt door het overlijden van [slachtoffer] en de wijze waarop dat is gebeurd, maar ook over hoe zijn dood hun (familie)leven heeft ontwricht en hun levenslust heeft doen afnemen. De partner heeft daaraan toegevoegd dat verdachte haar haar toekomst met [slachtoffer] en hun anderhalf jarig zoontje heeft afgenomen en dat hun zoontje zijn verdere leven zijn vader zal moeten missen en zonder een vader zal moeten opgroeien.

Doordat de door verdachte met het vuurwapen gepleegde doodslag rond het middaguur in een bedrijvige supermarkt heeft plaatsgevonden, zijn ook veel mensen daarvan getuige geweest en ligt het in de rede dat dit bij hen een grote schok, angst en ontzetting teweeg heeft gebracht. Op de beelden is duidelijk te zien dat klanten en personeel wegrennen en een veilige plaats zoeken op het moment dat verdachte de schoten lost. Ook mensen die niet aanwezig waren maar ervan hoorden zijn geschokt dat zoiets op die plek kan gebeuren. Met zijn gedrag heeft verdachte op onaanvaardbare wijze voor gevaar gezorgd en bijgedragen aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een geladen vuurwapen, welk feit de rechtbank eveneens meeweegt bij haar strafmaatoverwegingen. Verboden wapenbezit brengt voor de maatschappij onaanvaardbare veiligheidsrisico’s met zich mee, welke risico’s zich in deze zaak daadwerkelijk hebben geopenbaard.

In het kader van de aard en ernst van de feiten houdt de rechtbank ook rekening met het feit dat uit de camerabeelden en de getuigenverklaringen is gebleken dat [slachtoffer] en zijn zoon in eerste instantie de confrontatie met verdachte in de supermarkt hebben opgezocht waarbij zij hem hebben geslagen. Op het moment dat zij allen de supermarkt moesten verlaten, is [slachtoffer] bij de ingangspoortjes blijven staan en de confrontatie met verdachte niet uit de weg gegaan. Weliswaar is de rechtbank hiervóór tot het oordeel gekomen dat een beroep op noodweer(exces) niet wordt gehonoreerd, maar één en ander is wel relevant voor het bepalen van de strafmaat.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met het strafblad van verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte door de kinderrechter is veroordeeld voor geweldsfeiten, maar niet recent en niet voor feiten van soortgelijke ernst. Wel heeft hij zich gedurende een schorsing van de voorlopige hechtenis in een andere strafzaak schuldig gemaakt aan onderhavige feiten. De rechtbank weegt dat in het nadeel van verdachte bij de strafmaat mee.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging ook acht geslagen op de triple rapportage van 30 december 2025 die door [de psychiater] , [de GZ-psycholoog] en [de forensisch milieuonderzoeker] , over verdachte is opgesteld. Hierin komt onder meer naar voren dat er bij verdachte geen sprake is van een psychische stoornis of verstandelijke beperking maar wel van een gebrekkige ontwikkeling van de cognitieve en sociaal emotionele vaardigheden, namelijk een zwakbegaafd intelligentieniveau (met een disharmonisch intelligentie profiel), en een onrijpe persoonlijkheid. Deze gebrekkige ontwikkeling was ten tijde van de bewezen verklaarde feiten aanwezig en heeft verdachtes gedragskeuzes en gedragingen op dat moment beïnvloed in die zin dat dit hem in licht verminderde zin kan worden toegerekend.

Volgens de deskundigen heeft verdachte op vele momenten in aanloop naar het ten laste gelegde de mogelijkheid gehad andere gedragskeuzes te maken, en wordt zijn denkwijze niet ernstig beïnvloed door een stoornis of emotionele instabiliteit. Echter door zijn onrijpe persoonlijkheid en enigszins beperkte vermogen om logisch te redeneren is hij geneigd snel denkfouten te maken en hiernaar te handelen. Het recidiverisico wordt hierdoor als hoog ingeschat. Betrokkene wil zichzelf namelijk door anderen laten kennen als macho man die in staat is zijn gezin eigenhandig te beschermen, en ziet zichzelf ook zo. Tegelijk is hij niet goed in het inschatten van risico’s en rustig afwegen van mogelijkheden om veiligheid voor zijn gezin te garanderen. Geadviseerd wordt om verdachte aansluitend aan zijn detentie, in het kader van een GVM, te plaatsen in een kliniek om hem uitleg te geven over zijn problematiek (zijn sterke punten en beperkingen), een delict analyse met hem te maken en meer inzicht te geven in valkuilen en denkfouten die hij geneigd is te maken. Tevens kan er dan een woonprofiel opgesteld worden en een passende woonvorm gezocht worden.

Nu de conclusies van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en door dat wat verder op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. De verdachte wordt dus in licht verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het over verdachte opgestelde reclasserings-rapport van 6 mei 2026. De reclassering ziet geen redenen om aan het hoog ingeschatte recidiverisico door het NIFP te twijfelen. Geconstateerd wordt dat verdachte na detentie zijn leven opnieuw zal moeten opbouwen. Na een eventuele lange detentie in combinatie met zijn verstandelijke beperking zal het betrokkene niet meevallen om zijn leven (delictvrij) op de rit te krijgen en een nieuw bestaan op te bouwen en daarmee de kans op recidive te verlagen. De reclassering acht daarvoor langdurige hulpverlening noodzakelijk. Gezien de gemaximeerde duur van de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI) van twee jaar, sluit de reclassering niet uit dat deze periode onvoldoende is om een zelfstandig delictvrij leven op te bouwen. Geadviseerd wordt daarom om aan verdachte een GVM op te leggen. Dit om, indien noodzakelijk, hulpverlening in gedwongen kader te waarborgen. Dit plan is met verdachte besproken en hij heeft aangegeven zich hierin te kunnen vinden en bereid te zijn mee te werken aan een dergelijk traject.

Eendaadse of meerdaadse samenloop

De verdediging heeft bepleit dat er sprake is van eendaadse samenloop. De officieren van justitie menen dat dit niet aan de orde is.

Of sprake is van eendaadse samenloop is vooral afhankelijk van de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Een enigszins uiteenlopen van de strekking van de aan de orde zijnde strafbepalingen staat niet in de weg aan het aannemen van eendaadse samenloop, indien het in essentie om hetzelfde feitencomplex gaat, maar van dat laatste is naar het oordeel van de rechtbank hier geen sprake. Verdachte is die dag met een geladen vuurwapen naar de supermarkt gegaan. Volgens zijn verklaring had hij het wapen al een paar weken in zijn bezit. Na de confrontatie met [slachtoffer] in de supermarkt heeft hij dit vuurwapen ook gebruikt. De gedragingen van verdachte die tot de bewezen verklaarde feiten hebben geleid, moeten daarmee als op zichzelf staande handelingen worden beschouwd. De feiten spelen zich niet (uitsluitend) op dezelfde tijd en plaats af. Verdachte heeft het vuurwapen immers (veel) langer voorhanden gehad dan uitsluitend tijdens het schieten daarmee. De feiten leveren daardoor meer dan één misdrijf op. De rechtbank gaat dan ook uit van meerdaadse samenloop.

Strafoplegging

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat in dit geval in beginsel slechts de oplegging van een substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende reactie vormt op de door de verdachte begane feiten. De rechtbank neemt bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf voorts in aanmerking dat de wetgever per 1 juli 2023 het strafmaximum voor doodslag van 15 jaar gevangenisstraf heeft opgehoogd naar 25 jaar. De rechtbank komt echter tot een lagere strafoplegging dan door de officieren van justitie is geëist, nu hierin naar haar oordeel onvoldoende rekening is gehouden met de situatie die aan de doodslag is voorafgegaan alsmede met de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte die onder meer wordt ingekleurd door zijn jonge leeftijd en onrijpe persoonlijkheid waardoor hij zich op onvolwassen wijze verhoudt tot zijn omgeving.

Alles in aanmerking nemend, acht de rechtbank een gevangenisstraf van 12 jaar met aftrek van voorarrest passend en geboden.

Gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (GVM)

Op grond van artikel 38z Sr kan de rechtbank – ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen – een verdachte een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking opleggen. Dit betreft – kort gezegd – een mogelijk levenslange toezichtsmaatregel die na afloop van de gevangenisstraf tenuitvoergelegd kan worden. Uit het voorgaande blijkt reeds van de problematiek van verdachte en het gevaar dat daardoor van hem uitgaat. De rechtbank acht het daarom van belang dat de verdachte na de gevangenisstraf onder toezicht kan blijven voor behandeling en begeleiding die hij nodig heeft om het recidivegevaar te beteugelen en om zo goed mogelijk te kunnen functioneren. Aldus acht de rechtbank de oplegging van deze maatregel noodzakelijk ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen. Het Openbaar Ministerie dient te zijner tijd de tenuitvoerlegging van deze maatregel te vorderen. De beoordeling van de noodzaak tot tenuitvoerlegging van de maatregel, en indien nodig onder welke voorwaarden, zal in de laatste fase van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf plaatsvinden. Een risicotaxatie van het dan aanwezige recidivegevaar dient in het kader van die beoordeling plaats te vinden.

Conclusie

De rechtbank zal de verdachte dus veroordelen tot een gevangenisstraf van 12 jaren met aftrek van voorarrest, en zal aan de verdachte de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr opleggen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. De benadeelde partijen

Algemene overwegingen

Alle door de benadeelde partijen gevorderde schadevergoedingen die hierna aan de orde zullen komen, zien op het feit onder parketnummer 02-190413-25. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd, waardoor [slachtoffer] is overleden. De rechtbank zal hieronder per benadeelde partij nader ingaan op de gevorderde schadevergoeding.

Affectieschade

Op grond van artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) is het voor een beperkt aantal gerechtigden bij overlijden van een naaste of dierbare mogelijk een vergoeding van affectieschade te vorderen in het geval het overlijden van het slachtoffer het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor een ander, in dit geval verdachte, aansprakelijk is. De vergoeding ziet op het leed en verdriet dat nabestaanden is aangedaan. De bedragen voor affectieschade als bedoeld in artikel 6:108 BW zijn opgenomen in het Besluit vergoeding affectieschade.

Shockschade

Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade sluit de rechtbank aan bij de vaste rechtspraak van de Hoge Raad. Hieruit volgt dat iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, ook onrechtmatig kan handelen ten opzichte van degene die geconfronteerd wordt met die daad of de gevolgen daarvan en bij wie die confrontatie een hevige emotionele shock teweeg brengt. Een en ander is afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan hebben plaatsgevonden. De Hoge Raad heeft gezichtspunten geformuleerd die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid ten opzichte van degene bij wie een hevige emotionele shock is teweeggebracht als hiervoor bedoeld, namelijk (a) de aard, toedracht en gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, (b) de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan en (c) de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire en secundaire slachtoffer.

Het recht op vergoeding van schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig veroorzaken van een hevige emotionele shock, is beperkt tot de schade die volgt uit het veroorzaakte geestelijk letsel. Dat geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven kunnen worden vastgesteld. Daarbij is niet vereist dat er sprake is van een diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele shock moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld.

Als sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.

[benadeelde 2] (vader van het slachtoffer)

[benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van een bedrag van € 18.453,- als gevolg van materiële schade bestaande uit de uitvaartkosten en een bedrag van in totaal € 32.500,- als gevolg van immateriële schade bestaande uit een bedrag van € 17.500,- voor affectieschade en een bedrag van € 15.000,- voor shockschade.

Uitvaartkosten

De rechtbank overweegt in dit verband dat de uitvaartkosten rechtstreeks verband houden met het bewezenverklaarde feit en in zoverre voor vergoeding in aanmerking komen.

De verdediging heeft gesteld dat deze toewijsbaar zijn tot een bedrag van € 17.060,31. De overige kosten zijn volgens de verdediging onvoldoende onderbouwd waarvoor de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De verdediging heeft echter nagelaten aan te geven welke kosten onvoldoende onderbouwd zijn. Nu de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank voldoende stukken ter onderbouwing van de kosten heeft overgelegd en de rechtbank verder geen aanleiding ziet om aan te nemen dat niet alle gevorderde kosten voor rekening van de benadeelde partij zijn gekomen, acht de rechtbank het gehele gevorderde bedrag aan uitvaartkosten toewijsbaar.

Affectieschade

De benadeelde partij behoort als vader van het slachtoffer tot de in artikel 6:108 lid 4 BW genoemde kring van gerechtigden. De hoogte van het gevorderde bedrag is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door of namens de verdachte ook niet betwist. Dit bedrag zal door de rechtbank daarom worden toegewezen.

Shockschade

De gevorderde shockschade is onderbouwd met een medisch journaal van de huisarts en een aantal verklaringen van kennissen en familieleden. Hieruit komt onder meer naar voren dat de benadeelde partij door het overlijden van zijn zoon zichtbaar en ingrijpend is geraakt. Hij heeft intens veel verdriet en zit in een diep rouwproces. Op grond hiervan kan door de rechtbank echter niet worden vastgesteld dat er sprake is van geestelijk letsel dat het gevolg is van een emotionele schok door de directe confrontatie met het dodelijk letsel dat zijn zoon heeft opgelopen. Anders dan door de benadeelde partij gesteld, valt uit het journaal van de huisarts niet af te leiden dat er door deze een diagnose is gesteld, of dat de klachten van de benadeelde partij als PTSS-gerelateerd worden benoemd. De klachten lijken, zo leidt de rechtbank af uit het journaal, eerder het gevolg te zijn van rouw, welke schade onder affectieschade valt en waarvoor hiervoor reeds een vergoeding is toegekend. De onderbouwing van de shockschade voldoet dan ook niet aan de eisen die de jurisprudentie daaraan stelt om voor vergoeding hiervan in aanmerking te komen. Een eventuele nadere onderbouwing door de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafgeding op en daarom wordt daartoe geen gelegenheid gegeven. De rechtbank zal de benadeelde partij voor dit onderdeel van de vordering dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

[benadeelde 3] (moeder van het slachtoffer)

[benadeelde 3] vordert een schadevergoeding van in totaal € 25.000,- als gevolg van immateriële schade bestaande uit een bedrag van € 17.500,- voor affectieschade en een bedrag van € 7.500,- voor shockschade.

Affectieschade

De benadeelde partij behoort als moeder van het slachtoffer tot de in artikel 6:108 lid 4 BW genoemde kring van gerechtigden. De hoogte van het gevorderde bedrag is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door of namens de verdachte ook niet betwist. Dit bedrag zal door de rechtbank daarom worden toegewezen.

Shockschade

De gevorderde shockschade is enkel onderbouwd met een aantal verklaringen van haar beste vriendin, een kennis en familieleden. Hieruit komt onder meer naar voren dat de benadeelde partij door het overlijden van haar zoon zichtbaar en ingrijpend is geraakt. Net als de vader van het slachtoffer heeft zij zeer veel verdriet en zit zij in een diep rouwproces. Op basis van de overgelegde verklaringen kan echter niet worden vastgesteld of er sprake is van geestelijk letsel dat is ontstaan als gevolg van een emotionele schok door de directe confrontatie met het dodelijk letsel dat haar zoon heeft opgelopen. Een onderbouwing met een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een psychiater, huisarts of psycholoog – ontbreekt. De onderbouwing van de shockschade voldoet dan ook niet aan de eisen die de jurisprudentie daaraan stelt om voor vergoeding hiervan in aanmerking te komen. Een eventuele nadere onderbouwing door de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafgeding op en daarom wordt daartoe geen gelegenheid gegeven. De rechtbank zal de benadeelde partij voor dit onderdeel van de vordering dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

[benadeelde 1] (zoon van slachtoffer)

[benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van in totaal € 25.000,- als gevolg van immateriële schade bestaande uit een bedrag van € 17.500,- voor affectieschade en – na correctie ter zitting – een bedrag van € 7.500,- voor shockschade.

Affectieschade

De benadeelde partij behoort als zoon van het slachtoffer tot de in artikel 6:108 lid 4 BW genoemde kring van gerechtigden. De hoogte van het gevorderde bedrag is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door of namens de verdachte ook niet betwist. Dit bedrag zal door de rechtbank daarom worden toegewezen.

Shockschade

De gevorderde shockschade is enkel onderbouwd met een verklaring van [persoon 2] , de partner van de benadeelde partij. Een onderbouwing met een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een psychiater, huisarts of psycholoog – ontbreekt. Daardoor kan niet worden vastgesteld of er sprake is van geestelijk letsel dat is ontstaan als gevolg van een emotionele schok door de directe confrontatie met het dodelijk letsel dat zijn vader heeft opgelopen. De onderbouwing van de shockschade voldoet dan ook niet aan de eisen die de jurisprudentie daaraan stelt om voor vergoeding hiervan in aanmerking te komen. Een eventuele nadere onderbouwing door de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafgeding op en daarom wordt daartoe geen gelegenheid gegeven. De rechtbank zal de benadeelde partij voor dit onderdeel van de vordering dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

[benadeelde 4] (zus slachtoffer)

[benadeelde 4] vordert een schadevergoeding van in totaal € 41.905,- bestaande uit een bedrag van € 17.500,- voor affectieschade en een bedrag van € 24.405,- voor shockschade. De shockschade omvat een bedrag van € 20.000,- voor immateriële shockschade en een bedrag van € 4.405,- voor materiële shockschade.

Affectieschade

[benadeelde 4] behoort als zus van het slachtoffer niet tot de in artikel 6:108 lid 4 BW genoemde kring van gerechtigden. Zij heeft daarom een beroep gedaan op de hardheidsclausule. Daartoe is aangevoerd dat zij en het slachtoffer een bijzondere band hadden. Zij deden heel veel samen zoals boodschappen doen, samen eten en op vakantie gaan. Zij kwamen meerdere keren per dag bij elkaar over de vloer en waren elkaars steun en toeverlaat bij leuke en minder leuke momenten. Ook heeft [benadeelde 4] een pleegkind waarvoor het slachtoffer in feite als vader optrad. Ter onderbouwing zijn een aantal verklaringen van vrienden en familieleden bij de vordering gevoegd.

Naar het oordeel van de rechtbank geeft hetgeen ter onderbouwing is gesteld in onvoldoende mate blijk van de hechte affectieve relatie die is vereist voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule. Broers en zussen behoren – naar geldend recht – niet tot de in lid 4 genoemde naasten, waaruit de rechtbank afleidt dat er, om een geslaagd beroep op de hardheidsclausule te kunnen doen, voor broers en zussen iets extra’s aan de hand moet zijn waardoor hun relatie met de overledene uitstijgt boven de gebruikelijke relatie die broers en zussen met elkaar hebben. Mede gelet op de betwisting op dit punt door de verdediging, acht de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat daarvan in dit geval sprake is. Hetgeen de benadeelde partij heeft gesteld, geeft weliswaar blijk van een warme familieband, maar niet van een relatie die naar aard en intensiteit uitstijgt boven de gebruikelijke relatie die broers en zussen met elkaar hebben, waardoor deze te vergelijken is met die tussen partners, levensgezellen of een ouder en een kind zoals die zijn opgesomd in artikel 6:108 lid 4 BW. Dat broers en zussen in de toekomst mogelijk wél tot de in lid 4 genoemde naasten zullen behoren, doet aan dit oordeel niet af, aangezien de rechtbank daarop niet vooruit kan lopen. De benadeelde partij de gelegenheid geven haar vorderingen op dit punt nader te onderbouwen, zou een onevenredige belasting van het strafproces vormen. Zij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

Shockschade

De gevorderde immateriële shockschade, die door de verdediging wordt betwist, is onderbouwd met een brief van [psychotherapeut] , waarvan na raadpleging van de in de brief genoemde website [website] is gebleken dat dit een psychotherapeut betreft.

Uit de brief komt naar voren dat er bij [benadeelde 4] sprake is van complexe rouw, psychotrauma en aanhoudende spanningen als gevolg van aanhoudende dreigingen aan het kamp en het procesverloop. Uit deze brief blijkt echter onvoldoende of er sprake is van geestelijk letsel dat is ontstaan als gevolg van een emotionele schok door de directe confrontatie met het dodelijk letsel van [slachtoffer] , ook al lijkt de inzet van EMDR daar wel op te wijzen. Daarnaast wordt een deel van de klachten en de verwachte herstelduur gerelateerd aan rouw en de aanhoudende onrust rondom het kamp. Daaruit leidt de rechtbank af dat de gestelde schade in ieder geval deels het gevolg is van het rouwproces – waarvoor in het kader van shockschade geen plaats is nu deze schade onder affectieschade valt – en mogelijk deels het gevolg van andere oorzaken. Naar het oordeel van de rechtbank kan aan de hand van de beschikbare informatie onvoldoende worden vastgesteld of er sprake is van geestelijk letsel als gevolg van een emotionele schok door de directe confrontatie met het dodelijk letsel dat [slachtoffer] heeft opgelopen en zo ja welk deel van de gevorderde schade dat betreft. Een eventuele nadere onderbouwing door de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafgeding op en daarom wordt daartoe geen gelegenheid gegeven. De rechtbank zal de benadeelde partij voor de gevorderde immateriële shockschade dan ook niet-ontvankelijk verklaren. Nu de materiële shockschade voortvloeit uit de immateriële shockschade is de benadeelde partij voor het materiële deel van de gevorderde shockschade ook automatisch niet-ontvankelijk.

[benadeelde 5] (partner van slachtoffer)

[benadeelde 5] vordert een schadevergoeding voor immateriële schade bestaande uit een bedrag van € 20.000,- dan wel € 17.500,- voor affectieschade en een bedrag van € 20.000,- voor shockschade.

Affectieschade

Voor het primair gevorderde bedrag aan affectieschade is gesteld dat [benadeelde 5] als levensgezel in de zin van artikel 6:108 lid 4 sub b BW moet worden aangemerkt, omdat zij samen met [slachtoffer] feitelijk een gemeenschappelijke huishouding voerde, ook al woonden zij niet op hetzelfde adres. Mede gelet op de betwisting van dit punt door de verdediging, kan de rechtbank echter niet vaststellen dat in dit geval sprake was van het (duurzaam) voeren van een gemeenschappelijke huishouding. De bijgevoegde screenshots van berichten, alsmede de foto’s bieden onvoldoende onderbouwing daarvoor. Een eventuele nadere onderbouwing door de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafgeding op en daarom wordt daartoe geen gelegenheid gegeven. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het primair gevorderde bedrag aan affectieschade dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

Naar het oordeel van de rechtbank komt [benadeelde 5] wel een geslaagd beroep op de hardheidsclausule van artikel 6:108 lid 4 sub g BW toe en kan zij worden aangemerkt als ‘een ander persoon die ten tijde van de gebeurtenis in zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij voor toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt’. Dat wordt door de verdediging ook niet betwist. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 17.500,- voor affectieschade dan ook toewijzen.

Shockschade

De gevorderde immateriële shockschade is onderbouwd met een conceptbehandelplan en een brief van Emergis die beiden zijn opgesteld door [verpleegkundige i.o.] , sociaal psychiatrisch verpleegkundige in opleiding. In het conceptbehandelplan staat onder beschrijvende diagnose onder meer vermeld: ‘vrouw met een belaste voorgeschiedenis, huiselijk geweld, meerdere delicten in haar omgeving meegemaakt’. Ook blijkt uit de brief dat de klachten van [benadeelde 5] door meerdere traumatische gebeurtenissen die zij in haar leven mee heeft gemaakt, zijn ontstaan. Bij [benadeelde 5] is PTSS vastgesteld, wat weliswaar als geestelijk letsel kan worden aangemerkt, maar waarbij gelet op de toelichting bij de diagnose wel sprake lijkt van multicausaliteit. Hoewel de gestelde herbelevingen en nachtmerries door het zien van de reanimatie wel kunnen duiden op een causaal verband is de rechtbank, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de verdediging, van oordeel dat met de beschikbare informatie onvoldoende kan worden vastgesteld dat – en zo ja voor welk deel – het geestelijk letsel is ontstaan door een emotionele schok door de directe confrontatie met het dodelijk letsel van [slachtoffer] . Een eventuele nadere onderbouwing door de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafgeding op en daarom wordt daartoe geen gelegenheid gegeven. De rechtbank zal de benadeelde partij voor de gevorderde shockschade dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

[benadeelde 6] (minderjarig zoontje van slachtoffer)

Namens [benadeelde 6] wordt een schadevergoeding gevorderd van een bedrag van primair € 36.300,- en subsidiair € 6.050,- als gevolg van materiële schade bestaande uit gederfd levensonderhoud en een bedrag van € 20.000,- als gevolg van immateriële schade bestaande uit affectieschade.

Gederfd levensonderhoud

Voor het primair gevorderde bedrag aan gederfd levensonderhoud is gesteld dat hiervoor moet worden uitgegaan van de maandelijkse bijdrage van [slachtoffer] die naar schatting € 150,- bedroeg. Mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat de enkele verklaring van [benadeelde 5] die hiertoe is overgelegd, hiervoor onvoldoende onderbouwing biedt. Een eventuele nadere onderbouwing door de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafgeding op en daarom wordt daartoe geen gelegenheid gegeven. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het primair gevorderde bedrag aan gederfd levensonderhoud dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

Het subsidiair gevorderde bedrag aan gederfd levensonderhoud is gebaseerd op de draagkrachttabel alimentatie van de rechtspraak, te weten een bedrag van € 25,- per maand. Hier kan naar het oordeel van de rechtbank voor een berekening van het gederfd levensonderhoud van [benadeelde 6] vanuit worden gegaan. De rechtbank ziet – mede omdat er geen enkel inzicht is in de inkomsten van [slachtoffer] – geen aanknopingspunten om van een hoger bedrag uit te gaan. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat het gederfd levensonderhoud tot het 18e levensjaar van [benadeelde 6] moet worden toegewezen. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de verdediging is een nadere onderbouwing noodzakelijk om antwoord te kunnen geven op de vraag of [benadeelde 6] na zijn 18e verjaardag voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 1:359a BW. Een dergelijke onderbouwing levert een onevenredige belasting van het strafgeding op en daarom wordt daartoe geen gelegenheid gegeven. De rechtbank acht het gevorderde bedrag derhalve toewijsbaar tot een bedrag van € 25,- x 206 maanden = € 5.150,-. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. Het subsidiair gevorderde bedrag is voor het overige niet-ontvankelijk.

Affectieschade

De benadeelde partij behoort als het minderjarig zoontje van het slachtoffer tot de in artikel 6:108 lid 4 BW genoemde kring van gerechtigden. De hoogte van het gevorderde bedrag is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door of namens de verdachte ook niet betwist. Dit bedrag zal door de rechtbank daarom worden toegewezen.

BEM-clausule

De rechtbank zal bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 6] (geboren op 22 augustus 2024) te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen aldus slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarige beschikken tot hij achttien jaar is.

Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal voor alle toegewezen schade van de benadeelde partijen ook de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 22 juni 2025. Daarnaast zal de rechtbank voor alle toegewezen schade van de benadeelde partijen de gevorderde schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het betreffende toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

Eigen schuld

De rechtbank verwerpt het gevoerde verweer van de verdediging dat een matiging van de schadevergoedingsplicht ten aanzien van de toe te wijzen affectieschade dient plaats te vinden wegens ‘eigen schuld’ van [slachtoffer] als bedoeld in artikel 6:101 lid 1 BW aan de door hem geleden schade. Ook indien vastgesteld zou moeten worden dat de door [slachtoffer] opgelopen schade mede het gevolg is geweest van omstandigheden die aan hem kunnen worden toegerekend, dan eist de billijkheid wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten van beide kanten, dat de schade volledig voor rekening van de verdachte blijft. Het door verdachte tweemaal op [slachtoffer] schieten met een vuurwapen is namelijk in grote mate kwalijker dan de daaraan voorafgegane confrontatie waarbij verdachte door [slachtoffer] en zijn zoon is geslagen.

8. Het beslag

De inbeslaggenomen voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer. De voorwerpen zijn daarvoor vatbaar en het wordt passend geacht om daartoe te beslissen omdat de bewezen verklaarde feiten met betrekking tot en met behulp van de voorwerpen zijn begaan. Daarbij komt dat de voorwerpen van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 36f, 38z, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

02-190413-25: Doodslag;

02-349288-25: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twaalf jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Maatregel

- legt de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheids-beperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;

Benadeelde partijen

Alle hieronder toegewezen schade ziet op het feit met parketnummer 02-190413-25.

[slachtoffer] sr.

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] sr. van € 35.953,-, waarvan € 18.453,- aan materiële schade en € 17.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] sr., € 35.953,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 178 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

[benadeelde 3]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 3] van € 17.500,- wegens immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 3] , € 17.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 112 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

[benadeelde 1]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 17.500,- wegens immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] , € 17.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 112 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

[benadeelde 4]

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;

[benadeelde 5]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 5] van € 17.500,- wegens immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 5] , € 17.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 112 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

[benadeelde 6]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 6] van € 22.650,-, waarvan € 5.150,- aan materiële schade en € 17.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 6] , € 22.650,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 133 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 6] , geboren op 24 augustus 2024, te openen rekening met een BEM-clausule;

Beslag

- verklaart aan het verkeer onttrokken de volgende voorwerpen:

* 1 stk Wapen (Omschrijving: PL2000-2025161552-G2874887);

* 1 stk Munitie (Omschrijving: PL2000-2025161552-G2875216).

Dit vonnis is gewezen door mr. A.L. Hoekstra, voorzitter, en mr. G.M.J. Kok en mr. M.H.M. Collombon, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. de Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 mei 2026.

Bijlage I

De tenlastelegging

02-190413-25 Aan verdachte is tenlastegelegd dat

hij, op of omstreeks 22 juni 2025 te Vlissingen , opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen, op zeer korte afstand, meerdere kogels af te vuren op het lichaam van die [slachtoffer] waarbij die [slachtoffer] meermalen is geraakt;( art 289 Wetboek van Strafrecht )

02-349288-25 Aan verdachte is tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 22 juni 2025 te Vlissingen , een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten eenpistool, van het merk Blow, type TR 34, kaliber 9 mm Br. kort, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, voorhanden heeft gehad;( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. G.M.J. Kok
  • mr. M.H.M. Collombon
  • mr. A.L. Hoekstra

Griffier

  • mr. M. de Jonge

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand