Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-190057-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 27 mei 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1990,
zonder vaste woon-of verblijfplaats hier te lande,
verblijvende aan [verblijfadres] ,
raadsman mr. L.S. Stek, advocaat te Amsterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 mei 2026, waarbij de officier van justitie mr. L. van Hemert en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is op 16 december 2025 gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Ter zitting van 13 mei 2026 is de tenlastelegging overeenkomstig artikel 313 Sv gewijzigd. De rechtbank gaat ervan uit dat met die laatstgenoemde wijziging slechts is beoogd aan feit 4 een subsidiair feit toe te voegen.
De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte omstreeks 21 juni 2025
feit 1: de taxi van [slachtoffer 1] heeft gestolen en daarbij [slachtoffer 1] heeft getrapt, geduwd en geslagen;
feit 2: na het gebruik van alcohol en/of drugs en door harder te rijden dan was toegestaan en door een rood stoplicht te rijden een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer 2] (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen, dan wel gevaar op de weg heeft veroorzaakt;
feit 3: opzettelijk en in ernstige mate de verkeersregels heeft geschonden, waardoor levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan;
feit 4: een personenauto heeft bestuurd terwijl hij onder invloed van alcohol en drugs was, dan wel wist of moest weten dat hij onder invloed was van alcohol en drugs.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 1, 2, 3 en 4 primair heeft begaan. Voor wat betreft feit 2 kan wat de officier van justitie betreft worden uitgegaan van de zwaarste vorm van schuld, namelijk roekeloosheid. De officier van justitie betoogt dat de feiten in eendaadse samenloop zijn gepleegd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging voert aan dat feit 1 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, met dien verstande dat verdachte aangever alleen heeft geduwd. Van de overige geweldshandelingen dient verdachte te worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 2 voert de verdediging aan dat verdachte een enkele verkeersovertreding heeft begaan, waardoor slechts sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend rijgedrag en niet van roekeloos of zeer onvoorzichtig of onoplettend rijgedrag. Voor wat betreft feit 3 wordt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 4 primair wordt vrijspraak bepleit, aangezien niet is voldaan aan artikel 17 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: BADG) waardoor de uitslag niet mag worden gebruikt voor het bewijs. Ook ten aanzien van feit 4 subsidiair wordt vrijspraak bepleit, omdat naar uiterlijke verschijningsvorm onvoldoende kan komen vast te staan dat verdachte onder invloed was van alcohol of verdovende middelen.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Vaststaande feiten
Op 20 juni 2025 omstreeks 23.40 uur stond aangever [slachtoffer 1] met zijn taxi bij station Tilburg. Verdachte stapte in die taxi, pakte de autosleutels van aangever af en duwde aangever uit die taxi. Vervolgens reed verdachte weg met de taxi van aangever en volgde een rit van ongeveer twintig minuten door het centrum van Tilburg. Tijdens die rit reed verdachte onder meer door rood, verleende hij geen voorrang aan andere verkeersdeelnemers, reed hij harder dan de toegestane snelheid en manoeuvreerde hij steeds van rijbaan tussen overige verkeersdeelnemers. Uiteindelijk reed verdachte op de Ringbaan-Zuid waar hij een rood verkeerslicht passeerde, waardoor [slachtoffer 2] , wiens stoplicht groen licht uitstraalde, met verdachte in aanrijding kwam. Als gevolg van die aanrijding heeft [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel opgelopen, te weten een gecompliceerde voetbreuk.
Feit 1
Vast staat dat verdachte voorafgaand en tijdens het stelen van de taxi aangever heeft geduwd. De rechtbank is van oordeel dat over de overige ten laste gelegde geweldshandelingen onduidelijkheid bestaat. Aangever verklaart namelijk dat hij is geslagen en pijn voelde aan zijn zij en onderrug, terwijl getuige [getuige 1] aangeeft dat verdachte aangever een vuistslag in zijn gezicht gaf. Op de camerabeelden is het slaan, dan wel het geven van een vuistslag in het gezicht van aangever, niet waargenomen door de rechtbank. Dat verdachte aangever ook zou hebben getrapt, is noch door aangever noch door getuige [getuige 1] verklaard en valt evenmin ondubbelzinnig uit de camerabeelden vast te stellen. Dit betekent dat onvoldoende uit het dossier blijkt dat deze geweldshandelingen hebben plaatsgevonden. De rechtbank zal verdachte voor de geweldshandelingen trappen en slaan dan ook partieel vrijspreken. Voor het overige acht de rechtbank het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Feit 4
De rechtbank stelt vast dat de uitslag van het bloedonderzoek van 6 augustus 2025, met daarin de mededeling dat een verdachte het recht heeft op tegenonderzoek, weliswaar naar het adres van verdachte in België is gezonden, maar verdachte zat op dat moment (preventief) gedetineerd in [detentieadres] . Aangezien de uitslag van het bloedonderzoek op dat moment niet op een andere manier aan verdachte kenbaar is gemaakt, is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat niet is voldaan aan de strikte waarborg zoals opgenomen in artikel 17 van het BADG. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad betekent dit dat de uitslag van het bloedonderzoek niet tot het bewijs kan dienen. Dat verdachte door het ontvangen van het einddossier op de hoogte is gebracht van de uitslag van het bloedonderzoek maakt dit niet anders. Daarmee is verdachte namelijk niet gewezen op zijn recht op tegenonderzoek. Het met het voorschrift beoogde doel is niet bereikt. De rechtbank zal verdachte van het primair ten laste gelegde feit vrijspreken.
Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat verbalisant [verbalisant 1] meerdere symptomen bij verdachte heeft waargenomen, waaronder bloeddoorlopen ogen, spierspanning van de kaken, vergrote pupillen, onrustig gedrag, overmatig transpireren en verward gedrag. Deze symptomen passen bij alcohol- en drugsgebruik maar zouden ook kunnen wijzen op een psychische aandoening, zoals een psychose. In het rapport van psycholoog [persoon 1] van 29 januari 2026 wordt echter niet geconcludeerd tot een dergelijke psychische aandoening, zodat de rechtbank uitsluit dat daarvan sprake is geweest.
Vervolgens resteert de vraag of kan worden vastgesteld dat is voldaan aan artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), wat betekent dat verdachte onder zodanige invloed van een stof verkeerde dat hij wist of moest weten dat het gebruik daarvan, al dan niet in combinatie met een andere stof, de rijvaardigheid kon verminderen en hij daardoor niet in staat kon worden geacht tot behoorlijk besturen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte wist dat hij onder invloed was en dit zijn rijvaardigheid kon verminderen. Zij betrekt daarbij dat verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij die avond twee of drie glazen bier had gedronken en ‘niet in normale staat van doen was’. Bovendien passen de door de verbalisanten waargenomen symptomen bij het gebruik van alcohol en drugs. De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2
Allereerst stelt de rechtbank vast - conform hetgeen hiervoor onder feit 4 is overwogen - dat verdachte de auto heeft bestuurd, terwijl hij onder invloed van alcohol en drugs verkeerde, als bedoeld in artikel 8, eerste lid. Ook staat op basis van de (beschrijving van de) camerabeelden vast dat verdachte een rood verkeerslicht heeft genegeerd en met onverminderde snelheid, het kruispunt is opgereden en aldaar in aanrijding is gekomen met de personenauto van slachtoffer [slachtoffer 2] , terwijl hij met een hogere snelheid dan de aldaar toegestane maximum snelheid van 50km per uur heeft gereden.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of het verkeersongeval te wijten is aan de schuld van verdachte in de zin van artikel 6 WVW en, als dat het geval is, van welke mate van schuld sprake is. Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld aan een verkeersongeval, zoals is ten laste gelegd, moet worden gekeken naar het geheel van het rijgedrag van verdachte, de aard en de ernst van de verkeersovertreding(en) en naar de omstandigheden waaronder die overtreding(en) is/zijn begaan.
De mate van schuld is in drie gradaties aan verdachte ten laste gelegd: roekeloos, zeer onvoorzichtig en aanmerkelijk onvoorzichtig. Van roekeloosheid is sprake wanneer zodanige feiten en omstandigheden worden vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedragingen van verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, en dat verdachte zich daarvan bewust was of had moeten zijn. Of sprake is van roekeloosheid zal afhangen van de specifieke omstandigheden van het geval. Volgens de officier van justitie heeft verdachte roekeloos gereden, vanwege de overschrijdingen van de maximum snelheid, het gevaarlijk inhalen, het herhaaldelijk door rood rijden, het niet verlenen van voorrang en het slingeren tussen de overige verkeersdeelnemers door, terwijl hij onder invloed verkeerde. De rechtbank constateert dat slechts de verkeersgedragingen die enkele seconden voorafgaand aan de aanrijding hebben plaatsgevonden onder feit 2 ten laste zijn gelegd. Het gevaarlijke rijgedrag van verdachte dat voor die tijd heeft plaatsgevonden, maakt hiervan geen deel uit. Hoewel verdachte onder invloed van alcohol en drugs, te hard door rood is gereden en op het kruispunt in aanrijding is gekomen met het slachtoffer [slachtoffer 2] , is dat op zichzelf naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om tot roekeloosheid te komen. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.
Wel acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte schuld heeft in de vorm van ‘zeer onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam’ rijgedrag. Verdachte heeft onder invloed van alcohol en drugs, te hard en door rood gereden. Dat andere weggebruikers bij het rode verkeerslicht stil stonden, heeft hem er niet van weerhouden het kruispunt op te rijden. Hij is via het voorsorteer vak om rechtsaf te slaan om de stilstaande auto’s heen gereden waar hij door rood het kruispunt op is gereden. Daar is hij in aanrijding gekomen met de auto van slachtoffer [slachtoffer 2] . Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gedragen, zodat sprake is van een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval.
Zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank is van oordeel dat het letsel van het slachtoffer [slachtoffer 2] als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Er is sprake van een gecompliceerde voetbreuk en uit de medische verklaring en de gegeven toelichting ter zitting blijkt dat er, ook na eventuele nadere behandelingen of operaties, geen kans is op restloze genezing.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat het rijgedrag van verdachte als zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam moet worden aangemerkt en het aan zijn schuld te wijten is dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor het slachtoffer [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Eendaadse samenloop
De rechtbank neemt voor wat betreft de bewezenverklaarde feiten 2 en 4 subsidiair eendaadse samenloop aan. De in die feiten bewezenverklaarde handelingen en feitelijkheden leveren in die mate een zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat verdachte van die handelingen en feitelijkheden (in wezen) één verwijt kan worden gemaakt. Bij de bepaling van de hoogte van de straf zal hiermee rekening worden gehouden.
Feit 3
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit heeft begaan.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1omstreeks 21 juni 2025 te Tilburg op de openbare weg, te weten aan de Burgemeester Brockslaan,
een personenauto (taxi), die geheel aan [slachtoffer 1] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 1] (in zijn functie van taxichauffeur), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte:- die [slachtoffer 1] (met kracht) uit de personenauto (taxi) heeft geduwd;
2
omstreeks 21 juni 2025 te Tilburg,
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Ringbaan-Zuid,
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, onvoorzichtig en onoplettend,
- terwijl hij, verdachte, onder invloed van alcohol en drugs als bedoeld in artikel 8 eerste lid van de WVW 1994,
- het kruispunt gevormd door de Ringbaan-Zuid en/of de Winkler Prinsstraat - zijnde wegen van gelijke orde – te naderen, met een hogere snelheid dan de aldaar op dat moment voor personenauto’s toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur,
- aldus met onverminderde (veel te hoge) snelheid een rood verkeerslicht te negeren en
- het kruispunt op te rijden, op het moment dat een voor hem, verdachte, in tegenovergestelde richting (van links) over die Winkler Prinsstraat komende personenauto reeds dicht was genaderd, waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig aanrijding is gekomen met die personenauto, door welk verkeersongeval
- [slachtoffer 2] , (zijnde de bestuurder van die personenauto) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gecompliceerde voetbreuk werd toegebracht;
3
omstreeks 21 juni 2025 te Tilburg, als bestuurder van een voertuig, te weten een personenauto (merk Kia Niro, met kenteken [kenteken 1] ),
daarmee rijdende op het Burgemeester Stekelenburgplein en/of Burgemeester Brokxlaan en/of de Fraterstraat en/of de Jan Heijnstraat en/of de Sint Ceciliastraat en/of Hart van Brabantlaan en/of de Gasthuisring en/of de Spoorlaan en/of de Willem II-Straat en/of de
Magazijnstraat en/of de Ringbaan-Oost en/of de Lourdesstraat en Caspar Houbenstraat te Tilburg,
zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door,
- meermalen geen voorrang te verlenen aan een of meerdere verkeersdeelnemers en
- meermalen een rood verkeerslicht te passeren zonder te stoppen en
- veel hogere snelheden dan de ter plaatse toegestane en/of verantwoorde snelheid te rijden en
- meermalen van links naar rechts en/of rechts naar links (tussen overige verkeersdeelnemers) te manoeuvreren en/of uitwijken waarbij verdachte bijna in aanraking komt met (een) ander(e) voertuig(en) en
- meermalen slingerend over de verschillende rijstroken te rijden, door welke verkeersgedragingen van verdachte gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was;
4
subsidiair:
omstreeks 21 juni 2025 te Tilburg als bestuurder van een voertuig, (personenauto) dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van meerdere stoffen, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van vier jaren met aftrek van voorarrest. Daarnaast vordert de officier van justitie een ontzegging van de rijbevoegdheid voor vijf jaren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit primair te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest. Subsidiair wordt verzocht om het deel dat de reeds ondergane gevangenisstraf overstijgt in voorwaardelijke vorm op te leggen. Daarnaast wordt verzocht om niet over te gaan tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
In de nacht van 20 op 21 juni 2025 heeft verdachte de taxi van slachtoffer [slachtoffer 1] gestolen en daarbij geweld gebruikt. Met die taxi heeft verdachte vervolgens gedurende twintig minuten het centrum van Tilburg onveilig gemaakt door daar ontzettend gevaarlijk te rijden. Terwijl hij onder invloed verkeerde, heeft hij te hard gereden, meerdere rode verkeerslichten genegeerd, geen voorrang verleend aan overige verkeersdeelnemers en slingerend over de rijstroken gereden. Bij een kruispunt op de Ringbaan-Zuid is verdachte, nadat hij de kruising te hard naderde en daarbij door rood reed, in aanrijding gekomen met het slachtoffer [slachtoffer 2] . Verdachte heeft met zijn handelen de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht en heeft onaanvaardbare risico’s op ernstige gevolgen in het leven geroepen, die zich deels ook hebben verwezenlijkt. Het is een wonder dat er niemand is overleden. Het slachtoffer [slachtoffer 2] heeft door het handelen van verdachte zwaar lichamelijk letsel opgelopen en haar voet zal niet meer herstellen. Zoals blijkt uit haar verklaring op de zitting ondervindt zij nog steeds de gevolgen van het ongeval. Zij is arbeidsongeschikt geraakt en kampt met paniekaanvallen, pijn en verdriet, omdat haar leven voorgoed is veranderd. Dit zal zij haar hele leven met zich mee moeten dragen. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte in Nederland van 29 september 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte in België van 15 januari 2026. Daaruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor verkeersfeiten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 5 februari 2026. Daaruit komt naar voren dat de reclassering geen concrete uitspraken kan doen over delictgerelateerde factoren en of er een verband bestaat tussen de leefgebieden en de ten laste gelegde feiten. Het is de reclassering namelijk niet duidelijk geworden wat er precies voorafging aan de diefstal en het ongeval. De reclassering schat de risico’s in als laag en adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het psychologisch onderzoek van 29 januari 2026. Daaruit komt naar voren dat bij betrokkene sprake is van een narcistische persoonlijkheidsstoornis met enkele antisociale kenmerken en van een minstens lichte stoornis in het gebruik van stimulantium (zoals cocaïne) in vroege remissie in een gereguleerde omgeving. Ten tijde van het plegen van het feit was sprake van deze narcistische persoonlijkheidsstoornis en de minstens lichte stoornis in het gebruik van stimulantium was op dat moment nog niet in vroege remissie. Ook was er toen sprake van een intoxicatiesyndroom door het gebruik van stimulantia en hallucinogenen. Hoewel de psycholoog aangeeft dat dit de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloedde, wordt niet geadviseerd de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate of niet aan verdachte toe te rekenen. Het risico op gewelddadig gedrag wordt matig ingeschat. De psycholoog onthoudt zich van advies over de op te leggen straf, omdat de inperkende invloed van de persoonlijkheidsstoornis en de minstens lichte stoornis in gebruik van stimulantium op het vermogen van verdachte om zijn gedrag in een niet delictgerelateerde richting te sturen klein acht en bovendien omdat verdachte een overwegend opportunistische, externaliserende houding en gebrek aan intrinsieke motivatie voor intensieve behandeling heeft waardoor verdachte interventies in het kader van bijzondere voorwaarden waarschijnlijk niet volhoudt. De psycholoog heeft een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel overwogen, maar de uitvoerbaarheid daarvan lijkt, mede door de woonplaats van verdachte, beperkt.
Strafoplegging
Gezien de ernst van de feiten acht de rechtbank alleen een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Ondanks het lage recidiverisico ziet de rechtbank meerwaarde in het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel, om verdachte ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen. Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding om een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen.
Tot slot heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat de feiten 2 en 4 subsidiair in eendaadse samenloop zijn gepleegd.
Het voorgaande afwegend maakt dat de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden acht. Daarnaast acht de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
Voorlopige hechtenis
Omdat verdachte zich aan de schorsingsvoorwaarden houdt en geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd, is de rechtbank gelet op het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:987 van oordeel dat het geschorste bevel van de voorlopige hechtenis niet zal worden opgeheven.
7. De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 32.841,21 voor feit 1.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Factuur schaderapport, schade voertuig, huur taxi 15 september, 1 oktober en 13 oktober en mobiel pinapparaat
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding met betrekking tot de factuur van het schaderapport, de schade aan het voertuig, de huur van de taxi op 15 september, 1 oktober en 13 oktober 2025 en voor het vervangen van het mobiel pinapparaat acht de rechtbank toewijsbaar. Deze schade is voldoende onderbouwd, door de verdediging niet betwist en een rechtstreeks gevolg van het strafbare feit. De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook toewijzen.
Gederfde inkomsten
De rechtbank is van oordeel dat de schadepost gederfde inkomsten voldoende is onderbouwd en door de verdediging onvoldoende gemotiveerd is betwist. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de benadeelde partij van 21 juni 2025 tot 15 september 2025 niet heeft kunnen werken. Dit wordt ook ondersteund door de verklaring van de huisarts waaruit blijkt dat de benadeelde partij tot 8 september 2025 in behandeling was. De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook toewijzen, omdat dit een rechtstreeks gevolg is van het strafbare feit.
Boordcomputer
De schadepost voor het vervangen van de boordcomputer is naar het oordeel van de rechtbank eveneens voldoende onderbouwd en door de verdediging onvoldoende gemotiveerd betwist. De kosten van de boorcomputer blijken uit de overgelegde stukken. Bovendien is de boordcomputer door verdachte uit de auto getrokken en door het raam van de rijdende auto weggegooid. De boordcomputer was niet meer bruikbaar. De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook toewijzen, omdat dit een rechtstreeks gevolg is van het strafbare feit.
Mobiele telefoons
De door de benadeelde partij gevorderde schadevergoeding met betrekking tot de iPhone 15 acht de rechtbank toewijsbaar. Deze schade is voldoende onderbouwd, onvoldoende gemotiveerd betwist en een rechtstreeks gevolg van het strafbare feit. Voor wat betreft de Samsung Galaxy S22 overweegt de rechtbank dat die schadepost door de verdediging gemotiveerd is betwist. De rechtbank sluit daarom aan bij de door de verdediging aangevoerde aanschafwaarde van € 364,99. Voor het overige deel zal de schade niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Huur taxi 2 september
Ten aanzien van het gevorderde bedrag voor de huur van de taxi van 2 september 2025 is de rechtbank van oordeel dat de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan, mede gelet op de betwisting daarvan door de verdediging. Het huren van een taxi op 2 september 2025 strookt niet met de overgelegde stukken waaruit de gederfde inkomsten tot 15 september 2025 blijken. Daar komt bij dat uit de stukken ook niet, dan wel onvoldoende, blijkt dat deze kosten zouden zien op het voorbereiden van de taxi. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW aan de orde als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast.
De vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op de grondslagen lichamelijk letsel en aantasting in de persoon ‘op andere wijze’.
Fysiek letsel
De benadeelde partij vordert € 1.100,- voor het fysieke letsel en zoekt aansluiting bij categorie c van de Rotterdamse schaal, waarbij als uitgangspunt een herstelperiode van twee maanden is genomen. De rechtbank is van oordeel dat de verdediging gemotiveerd heeft betwist dat sprake is van fysiek letsel als gevolg van het handelen door verdachte. Immers heeft de rechtbank alleen het duwen bewezen verklaard en niet is gebleken dat het duwen heeft geleid tot het fysieke letsel bij de benadeelde partij. De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook niet-ontvankelijk verklaren. Dat deel kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Psychisch letsel
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De rechtbank is van oordeel dat hiervan sprake is, aangezien uit de overgelegde stukken blijkt dat bij de benadeelde partij de diagnose PTSS is vastgesteld en dit een direct gevolg is van het strafbare handelen van verdachte. De rechtbank ziet daarom aanleiding om aan te sluiten bij ‘PTSS’, zoals opgenomen in hoofdstuk 14 van de Rotterdamse schaal, en wel bij categorie (d) minder ernstig, waarbij gemiddeld genomen een schadebedrag van € 2.675,- en € 5.000,- wordt toegekend. De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 4.000,- billijk.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente over de immateriële schade worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 21 juni 2025. Over de materiële schade zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf het moment dat de vordering tot schadevergoeding is ingediend, te weten 1 mei 2026.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 55, 57, 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5a, 6, 8, 175, 176, 179 van de Wegverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het onder feit 4 primair ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;
feit 3: overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994;
de eendaadse samenloop van:
feit 2: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze wet
en
feit 4 subsidiair: overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twintig (20) maanden, waarvan vier (4) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Bijkomende straffen
- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van drie (3) jaren;
Benadeelde partij
T.a.v. feit 1
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 30.534,22, waarvan € 26.534,22 aan materiële schade en € 4.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over de immateriële schade vanaf 21 juni 2025 en vermeerderd met de wettelijke rente over de materiële schade vanaf 1 mei 2026, tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , € 30.534,22 te betalen, waarvan € 26.534,22 aan materiële schade en € 4.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over de immateriële schade vanaf 21 juni 2025 en vermeerderd met de wettelijke rente over de materiële schade vanaf 1 mei 2026, tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 160 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.M. Fleskens, voorzitter,
en mr. C.H.W.M. Sterk en mr. C.R.R. Loeve, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.W. Schalk, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 mei 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1hij op of omstreeks 21 juni 2025 te Tilburg op of aan de openbare weg, te weten aan de Burgemeester Brockslaan, althans een openbare weg,
een personenauto (taxi), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] (in/tijdens zijn functie van/als taxichauffeur), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte:meermaals, althans eenmaal- die [slachtoffer 1] tegen het lichaam heeft getrapt en/of- (vervolgens) die [slachtoffer 1] (met kracht) uit de personenauto (taxi) heeft geduwd en/of- (vervolgens) die [slachtoffer 1] in de rechterzij en/of onderrug heeft geslagen;( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 21 juni 2025 te Tilburg, in elk geval in Nederland,
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Ringbaan-Zuid,
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- terwijl hij, verdachte, onder invloed van alcohol en/of drugs als bedoeld in artikel 8 eerste lid en/of tweede lid van de WVW 1994 verkeerde (te weten 530 microgram MDMA per liter bloed, 24 microgram MDA per liter bloed, 41 microgram cocaïne per liter bloed en/of 0,40 milligram alcohol (ethanol) per milliliter bloed,
- het kruispunt gevormd door de Ringbaan-Zuid en/of de Winkler Prinsstraat - zijnde wegen van gelijke orde – te naderen, met een hogere snelheid dan de aldaar op dat moment voor personenauto’s toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur,
- aldus met onverminderde (veel te hoge) snelheid een rood verkeerslicht te negeren en/of
- het kruispunt op te rijden, op het moment dat een voor hem, verdachte, in tegenovergestelde richting (van links) over die Winkler Prinsstraat komende personenauto reeds dicht was genaderd, waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig in botsing of aanrijding is gekomen met die personenauto, door welk verkeersongeval
- [slachtoffer 2] , (zijnde de bestuurder van die personenauto) zwaar lichamelijk letsel, te weten gezichtsletsel en/of een gecompliceerde voetbreuk, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale
bezigheden is ontstaan;
( art 6 Wegenverkeerswet 1994 )
3
hij op of omstreeks 21 juni 2025 te Tilburg, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig, te weten een personenauto (merk Kia Niro, met kenteken [kenteken 1] ),
daarmee rijdende op het Burgemeester Stekelenburgplein en/of Burgemeester Brokxlaan en/of de Fraterstraat en/of de Jan Heijnstraat en/of de Sint Ceciliastraat en/of Hart van Brabantlaan en/of de Gasthuisring en/of de Spoorlaan en/of de Willem II-Straat en/of de
Magazijnstraat en/of de Ringbaan-Oost en/of de Lourdesstraat en Caspar Houbenstraat te Tilburg,
zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door,
- meermalen geen voorrang te verlenen aan een of meerdere verkeersdeelnemers en
- meermalen een rood verkeerslicht te passeren zonder te stoppen en
- veel hogere snelheden dan de ter plaatse toegestane en/of verantwoorde snelheid te rijden en
- meermalen van links naar rechts en/of rechts naar links (tussen overige verkeersdeelnemers) te manoeuvreren en/of uitwijken waarbij verdachte bijna in aanraking komt met (een) ander(e) voertuig(en) en
- meermalen slingerend over de verschillende rijstroken te rijden, door welke verkeersgedragingen van verdachte gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was;
( art 5a lid 1 Wegenverkeerswet 1994 )
4
primair:
hij op of omstreeks 21 juni 2025 te Tilburg, in elk geval in Nederland,
als bestuurder van een voertuig (personenauto), heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof en alcohol, te weten alcohol in combinatie met MDMA, MDA en/of cocaïne, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94 het gehalte in zijn bloed 530 microgram MDMA per liter bloed, 24 microgram MDA per liter bloed, 41 microgram cocaïne per liter bloed en/of 0,40 milligram alcohol (ethanol) per milliliter bloed bedroeg;
( art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 6 Wegenverkeerswet 1994 )
subsidiair:
hij op of omstreeks 21 juni 2025 te Tilburg als bestuurder van een voertuig, (personenauto) dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een (of meerdere) stof(fen), te weten alcohol en/of MDA en/of MDMA en/of Cocaïne, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.
( art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994)