[verzoekster], uit [plaats], verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gilze en Rijen, het college
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar verzoek tegen het besluit van het college van 12 januari 2026. Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 januari 2026, waarin het voor haar [dochter] aangevraagde leerlingenvervoer was afgewezen.
Verzoekster heeft het verzoek op 13 april 2026 ingetrokken omdat het college op 30 maart 2026 in een nieuw besluit heeft besloten dat alsnog met terugwerkende kracht vanaf 5 januari 2026 leerlingenvervoer wordt toegekend op basis van een vergoeding voor de kosten van openbaar vervoer naar [VSO] voor [dochter] en één ouder of begeleider.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat voor een proceskostenvergoeding, nu belanghebbende zelf expliciet heeft verklaard dat geen proceskosten zijn gemaakt en het bestreden besluit ten tijde van het nemen daarvan niet onrechtmatig was.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
In een voorlopige voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. Het college is met het besluit van 30 maart 2026 aan verzoekster tegemoetgekomen, omdat pas na een nieuw gesprek op 16 maart 2026 voldoende bewijs is geleverd dat [dochter] recht had op leerlingenvervoer. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoekster tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. Verzoekster heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen.
Moet het college de proceskosten van verzoekster vergoeden?
5. Het college is weliswaar tegemoetgekomen aan het verzoek van verzoekster, maar toch bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het verzoekschrift is namelijk niet ingediend door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent en ook verder is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af. De voorzieningenrechter wijst erop dat het college het door verzoekster betaalde griffierecht van € 200,- kan vergoeden. Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het college wenden.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Pasmans, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: