[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker inzake het door het UWV gelegde loonbeslag.
Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is om op het verzoek te beslissen doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
Met het besluit van 12 november 2025 heeft het UWV aan verzoeker meegedeeld dat hij een bedrag moet terugbetalen. Het bezwaar dat verzoeker tegen dit besluit heeft ingediend is met het besluit van 26 februari 2026 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen dit besluit bij de rechtbank (zaaknummer 26/1940).
Het UWV heeft op 16 april 2026 loonbeslag gelegd bij de werkgever van verzoeker. Verzoeker heeft vervolgens aan de voorzieningenrechter gevraagd de tenuitvoerlegging van dit beslag te schorsen.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker zijn verzoek heeft gekoppeld aan de beroepszaak tegen het terugvorderingsbesluit. Met het terugvorderingsbesluit is echter niet het loonbeslag gelegd. Zoals ook al in de brief van 15 mei 2026 van de griffier aan verzoeker is meegedeeld, is voor het leggen van een loonbeslag een dwangbevel noodzakelijk. In de brief van 16 april 2026 die het UWV aan de werkgever heeft gestuurd wordt ook melding gemaakt van die dwangbevelen.
Is de voorzieningenrechter bevoegd?
In artikel 4:116 van de Awb is bepaald dat een dwangbevel een executoriale titel oplevert. Ingevolge artikel 8.4, eerste lid, onder b, van de Awb kan geen beroep (en dus ook geen bezwaar) worden ingesteld tegen een dwangbevel. Dit betekent dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is te oordelen over het door het UWV gelegde loonbeslag. Verzoeker zal zich met zijn verzoek tot schorsing van het loonbeslag tot de civiele rechter moeten wenden.
De meeste civiele procedures beginnen met een dagvaarding. Daarvoor moet verzoeker een gerechtsdeurwaarder inschakelen. Het verzoekschrift kan daarom niet doorgestuurd worden naar de civiele rechter.
Conclusie en gevolgen
3. De voorzieningenrechter zal zich onbevoegd verklaren.
Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is, zal het door verzoeker betaalde griffierecht aan hem worden terugbetaald.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier op 28 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl..
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: