[verzoeker], uit [plaats], verzoeker.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wanneer kan de bestuursrechter een inhoudelijk oordeel geven over een verzoek?
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen inzake een bestreden besluit indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Gelet op dit artikel moet er sprake zijn van een besluit en een bezwaar of beroep tegen dat besluit voordat een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening inhoudelijk kan worden behandeld. Dit is het zogenaamde connexiteitsvereiste. Ook als er sprake is van een ingediend verzetschrift tegen een uitspraak van de rechtbank is er, zolang de verzetprocedure duurt, sprake van connexiteit.
Is voldaan aan het connexiteitsvereiste?
4. Op 4 november 2025 heeft deze rechtbank uitspraak gedaan op het beroep van eiser (kenmerk BRE25/3860). Onder de uitspraak is vermeld dat als verzoeker het niet eens is met de uitspraak hij een verzetschrift kan indienen bij de rechtbank. Verzoeker heeft echter op 7 november 2025 bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak. De Afdeling heeft dit beroepschrift pas op 22 april 2026 ter verdere behandeling doorgestuurd aan deze rechtbank. De rechtbank heeft het hoger beroepschrift vervolgens aangemerkt als verzetschrift.
5. Op 27 mei 2026 heeft deze rechtbank uitspraak op het verzet gedaan en is het verzet ongegrond verklaard (kenmerk BRE 25/3860). Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Dit betekent dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet (meer) connex is aan de verzetprocedure en er dus niet is voldaan aan het connexiteitsvereiste. Het verzoek zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk zal behandelen.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 28 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: