ECLI:NL:RBZWB:2026:4697

ECLI:NL:RBZWB:2026:4697

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 28-04-2026
Datum publicatie 29-05-2026
Zaaknummer C/02/447244 / JE RK 26-663
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Machtiging uithuisplaatsing voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/447244 / JE RK 26-663

Datum uitspraak: 28 april 2026

Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg, gevestigd te Tilburg,

hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

ingeschreven in [plaats 1] ,

verblijvende te [plaats 2] ;

advocaat: mr. A.A. Nunnikhoven.

De kinderrechter merkt als informant aan:

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

verblijvende te [plaats 2] .

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt het volgende stuk mee in de beoordeling:

- de beschikking (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van 16 april 2026 en alle daarin genoemde stukken.

Bij voormelde beschikking heeft de kinderrechter een brede spoedmachtiging verleent tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van twee weken, te weten met ingang van 16 april 2026 tot 30 april 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden tot 29 april 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 april 2026. Daarbij waren aanwezig:

twee vertegenwoordigers van de GI (mevrouw [persoon 1] en mevrouw [persoon 2] );

de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

de vader;

een tolk in de Poolse taal (mevrouw [persoon 3] )

2. Het resterende verzoek

Aan de kinderrechter ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek tot een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van vier weken, namelijk voor de periode van 30 april 2026 tot 14 mei 2026. Ook ligt nog ter beoordeling voor het verzoek van de GI tot een machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten tot 26 juni 2026. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3. De beoordeling

De internationale bevoegdheid en het toepasselijk recht

Omdat [minderjarige] en de moeder de Poolse nationaliteit hebben, moet de kinderrechter ambtshalve beoordelen of zij internationaal bevoegd is en welk recht van toepassing is op het verzoek van de GI.

De gewone verblijfplaats van [minderjarige] bevindt zich in Nederland. Op grond van artikel 7 lid 1 BrusselIIter Verordening is de Nederlandse rechter daarom bevoegd om te beslissen op het verzoek tot een machtiging uithuisplaatsing. De kinderrechter zal hierbij Nederlands recht toepassen (artikel 17 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996).

De positie van vader

Gebleken is dat, hoewel de vader [minderjarige] niet heeft erkend en ook niet is belast met het gezag over haar, hij gedurende een periode samen met de moeder [minderjarige] heeft verzorgd. Daarom heeft de kinderrechter de vader in deze procedure als informant aangemerkt.

De onderbouwing van het verzoek van de GI

Sinds de geboorte van [minderjarige] zijn er ernstige zorgen over haar veiligheid en ontwikkeling. Aan de zijde van de moeder is sprake van instabiliteit, middelengebruik, psychische problematiek, zorgmijding en het structureel niet naleven van afspraken. Aan de zijde van vader is sprake van psychotische episodes, waarvoor een gedwongen opname en behandeling via de GGZ noodzakelijk is geweest. Vanwege agressief gedrag door vader moest moeder regelmatig met [minderjarige] vluchten naar familie om hen in veiligheid te brengen en hebben moeder en [minderjarige] kort na de geboorte van [minderjarige] een periode in een moeder-kindvoorzieningen verbleven, waarna zij zijn teruggekeerd naar de woning van vader. In februari 2026 heeft een crisisinterventie plaatsgevonden, waarbij moeder en [minderjarige] wederom in een moeder-kindhuis zijn geplaatst. Er werd daar opnieuw middelengebruik door moeder gesignaleerd, er was sprake van liegen en het niet naleven van afspraken en het veroorzaken van onrust binnen de voorziening. Zij kon na een ernstig incident, waarbij moeder de locatie van een van de andere moeders daar met haar ex-partner heeft gedeeld en hem vervolgens heeft binnengelaten, niet meer in het moeder-kindhuis verblijven. Ook daarna is gebleken dat moeder niet in staat is om [minderjarige] de basale veiligheid, structuur en verzorging te bieden die [minderjarige] gezien haar leeftijd dringend nodig heeft. Er zijn op korte termijn geen alternatieve moeder-kindvoorzieningen beschikbaar, een terugkeer naar vader is geen optie en er is een ook een reëel vluchtgevaar van moeder naar Polen met [minderjarige] . De veiligheid van [minderjarige] is niet langer gegarandeerd bij een verblijf bij moeder. Een machtiging tot uithuisplaatsing is noodzakelijk de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige] te waarborgen. Ter zitting heeft de GI aangegeven dat [minderjarige] middels de spoedmachtiging uithuisplaatsing inmiddels geplaatst is in een crisis pleeggezin op een geheim adres. Er is verder een start gemaakt met contactherstel tussen de ouders en [minderjarige] . Begonnen is met twee begeleide omgangsmomenten per week gedurende een uur en deze zullen daarna verder worden uitgebreid.

Het standpunt van de ouders

De moeder heeft ter zitting aangegeven dat haar situatie is verbeterd. Zij heeft inmiddels een baan bij [supermarkt]. Daarnaast heeft zij de zorgen van de GI gehoord en wat nodig is om daaraan te werken. Door de advocaat van moeder is verder aangegeven dat de zorgen rondom [minderjarige] worden begrepen, maar dat moeder van goede wil is om verder aan zichzelf te werken.

De vader heeft ter zitting aangegeven dat bij hem sprake is van psychische problematiek; zijn eerste kind is overleden en [minderjarige] is nu ook uit huis geplaatst en hij trekt het daardoor niet meer. Hij heeft wekelijks contact met een arts.

Het oordeel van de kinderrechter

Uit artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Op basis van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken stelt de kinderrechter vast dat sprake is van ernstige zorgen over de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] . Gebleken is dat bij moeder sprake is van alcohol- en drugsgebruik en door betrokken hulpverleners zijn zorgen geuit over de fysieke conditie van [minderjarige] , haar verzorging en het ontbreken van structuur en voorspelbaarheid in haar dagelijkse leven bij verblijf bij moeder. Bij vader is sprake van psychische problematiek en wegens huiselijk geweld heeft moeder meerdere malen van hem moeten vluchten. [minderjarige] is nog maar één jaar, maar gelet op voormelde problematiek, hebben in haar korte leven al meerdere interventies plaatsgevonden om haar veiligheid en een goede ontwikkeling te kunnen waarborgen. Er is intensieve hulpverlening ingezet en moeder en [minderjarige] hebben verschillende malen in een moeder-kindhuis verbleven. Door het incident zoals hiervoor door de GI omschreven kan moeder daar echter niet meer verblijven. Daarnaast is ter zitting gebleken dat het geïndiceerde traject bij [hulpverlening] voor verslavingszorg en de inzet van een vertrouwenspersoon voor haar hierdoor ook zijn stopgezet. Er zijn zoals de GI in haar verzoek uiteen heeft gezet geen andere mogelijkheden gebleken om de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] te waarborgen, dan een uithuisplaatsing van [minderjarige] . De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat het in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk is dat zij uit huis wordt geplaatst en zal daarom het verzoek van de GI tot een machtiging uithuisplaatsing voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling toewijzen.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

Ter zitting is verder besproken dat in de komende periode de ouders de nodige trajecten moeten opstarten, dan wel voortzetten; de moeder moet een traject voor verslavingszorg aan gaan en de vader moet ervoor zorgen dat hij bij de GGZ in behandeling is en blijft en zijn medicatie blijft nemen. Documentatie van de behandeling van vader zal hij aan de GI moeten sturen, zodat zij meer zicht krijgen op zijn situatie. Ondertussen zal contact tussen [minderjarige] en ouders blijven plaatsvinden zoals de GI dat heeft voorgesteld, namelijk contacten tussen zowel [minderjarige] en moeder als [minderjarige] en vader, alsmede tussen ouders samen en [minderjarige] . De GI kan dan bekijken hoe die contacten verlopen, hoe deze verder kunnen worden uitgebreid en wat verder nodig is om de veiligheid van [minderjarige] bij terugkeer naar moeder te kunnen blijven waarborgen.

Tot slot zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek tot een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing voor de periode van 30 april 2026 tot 14 mei 2026 afwijzen. Hierbij is gelet op de machtiging uithuisplaatsing namelijk geen belang meer.

4. De beslissing

De kinderrechter:

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 30 april 2026 tot 26 juni 2026;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026 door mr. Van Leuven, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Reijerse als griffier, en op schrift gesteld op 30 april 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Reijerse als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand