beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/432930 / FA RK 25-1284
Datum uitspraak: 28 april 2026
(Nadere) beschikking betreffende hoofdverblijf en zorgregeling
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Janse uit Halsteren,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende in [plaats]
advocaat: mr. N.P.M. Planthof uit Goes,
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2] geboren op [geboortedag 2] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
Als informant in deze zaak wordt gezien:
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Middelburg,
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1. Het (verdere) procesverloop
Dit blijkt uit de volgende stukken:
de (tussen)beschikking van deze rechtbank van 17 juni 2025 en alle daarin genoemde stukken;
het op 27 januari 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Janse met bijlage;
het op 23 februari 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Planthof;
het op 22 april 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Planthof met bijlagen;
het op 23 april 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Janse met bijlage, inhoudende een wijziging van het verzoek.
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 28 april 2026. Bij die behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig van de Raad en zijn een tweetal vertegenwoordigers van de GI verschenen.
Vanwege de nauwe samenhang tussen de verzoeken in deze zaak en het verzoek van de GI in de zaak met het kenmerk C/02/446006 / JE RK 26-433, worden de zaken gezamenlijk behandeld. Er zal bij separate beschikking worden beslist.
2. De (nadere) beoordeling
Vorige beschikking
De rechtbank verwijst naar haar beschikking van 17 juni 2025. In deze beschikking zijn de verzoeken wat betreft het vaststellen van een definitief hoofdverblijf, een definitieve zorgregeling en het opnemen van een ouderschapsplan in de te wijzen beschikking op verzoek van partijen aangehouden voor de duur van acht maanden, zodat partijen samen met de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling kunnen proberen om tot een ouderschapsplan te komen. Bij dezelfde beschikking heeft de rechtbank het zelfstandige verzoek van de man met betrekking tot het vaststellen van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen afgewezen.
Stand van zaken in het kader van de ondertoezichtstelling
Bij F9-formulier van 27 januari 2026 heeft mr. Janse de rechtbank bericht over het resultaat van de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling. Hieruit volgt, samengevat, dat het een aantal maanden heeft geduurd voordat er, na het uitspreken van de ondertoezichtstelling, een jeugdbeschermer beschikbaar was. Inmiddels is dit wel het geval. De samenwerking met de jeugdbeschermers verloopt goed, maar alles gaat erg traag. Er is hulp in het kader van Goed Genoeg Ouderschap (GGO) ingezet vanuit het Leger des Heils, zodat zicht kan worden verkregen op de woon- en opvoedsituatie van de kinderen. Daarnaast is, in samenspraak met partijen, de voorlopige zorgregeling tussen de vrouw en de kinderen recent uitgebreid naar een regeling van maandag tot en met woensdag. De vrouw heeft de wens dat de kinderen op doordeweekse dagen meer bij haar kunnen zijn. Ook is het gebleken dat de man recent is verhuisd naar [plaats] en dat in de thuissituatie van de man hulpverlening ingezet zal worden in de vorm van opvoedondersteuning en ondersteuning bij huishoudelijke taken. Mr. Janse heeft van de GI vernomen dat partijen naar een andere organisatie zullen worden doorverwezen op het moment dat het rapport van het Leger des Heils beschikbaar is. Voorts is afgesproken dat het contact tussen partijen over de kinderen via de jeugdbeschermers loopt. De vrouw ervaart dat de wisselmomenten doorgaans redelijk goed verlopen, ondanks dat de man zich niet altijd aan de afspraken houdt. Het gaat over het algemeen ook goed met de kinderen. De vrouw maakt zich wel zorgen over het feit dat de kinderen na een wisselmoment moeten wennen aan de bij de vrouw gehanteerde regels. Hoewel de vrouw veel behoefte heeft aan duidelijkheid, is het van belang dat er eerst stappen worden gezet binnen de ondertoezichtstelling in het kader van het maken van een ouderschapsplan.
Het (nadere) verzoek
Gelet op het voorgaande ligt ter beoordeling aan de rechtbank nog voor de (gewijzigde) verzoeken van de vrouw om, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de vrouw het hoofdverblijf zullen hebben.
II. een zorgregeling vast te stellen waarbij de man en de kinderen vanaf de meivakantie 2026 voorlopig gerechtigd zijn tot contact met elkaar op de navolgende momenten:
gedurende schoolweken ieder weekend van vrijdagavond 18:30 uur tot zondagavond 18:30 uur, met uitzondering van het eerste weekend van de maand (waarbij als het eerste weekend wordt aangeduid wanneer er een vrijdag, zaterdag of zondag op de 1e van de maand valt)
de helft van de (school)vakanties en (nationale) feestdagen
III. te bepalen dat eventuele aanpassingen in de zorgregeling in samenspraak en onder begeleiding van de GI kunnen plaatsvinden.
Daarnaast verzoekt de man, bij wijze van zelfstandige verzoek:
I. te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de man hebben;
II. Primair te bepalen dat de kinderen gedurende de schoolweken ieder weekend van vrijdagavond 19.00 uur tot zondagavond 19.00 uur bij de vrouw verblijven, met uitzondering van het eerste weekend van de maand (waarbij als eerste weekend wordt aangeduid wanneer er een vrijdag, zaterdag of zondag op de 1ste van de maand valt) alsmede de helft van de (school)vakanties en (nationale) feestdagen en bijzondere dag, waarbij de vrouw de kinderen ophaalt bij de man en de man de kinderen ophaalt bij de vrouw, dan wel een zodanige zorgregeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie juist acht;
Subsidiair, voor het geval de rechtbank het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw bepaalt, te bepalen dat de kinderen gedurende de schoolweken ieder weekend van vrijdagavond 19:00 uur tot zondagavond 19:00 uur bij de man verblijven alsmede de helft van de (school) vakanties en (nationale) feestdagen en bijzondere dagen, waarbij de man de kinderen ophaalt bij de vrouw en vrouw de kinderen ophaalt bij man, dan wel een zodanige zorgregeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie juist acht.
De standpunten
De GI licht toe dat de kinderen momenteel doordeweeks bij de man verblijven en in het weekend bij de vrouw. Inmiddels is het GGO-onderzoek afgenomen bij beide ouders. Het ouderschap van beide ouders is goed genoeg, maar er zijn nog wel aandachtspunten. Zo heeft de vrouw moeite met het omgaan met veranderingen en dient de man stappen te zetten in het aanbrengen van structuur. Op 18 april 2026 is er een Veilig Thuis melding binnengekomen, inhoudende dat er zorgen zijn over de hygiëne in de woning van de man en dat er sprake is van uitschelden en aan de armen trekken van de kinderen. Deze melding is besproken met beide ouders. De man ontkent de inhoud van de melding. De man heeft wel aangegeven dat het hem financieel en tijd-technisch niet lukt om, gelet op de huidige verdeling van zorg- en opvoedtaken en de beslissing van de rechtbank tot het verlenen van vervangende toestemming tot inschrijving van de kinderen op een school in de woonplaats van de vrouw, de kinderen steeds naar school te brengen. De GI vindt het daarom belangrijk dat de verdeling van zorg- en opvoedtaken tijdelijk wordt gewijzigd, en wel zo dat de kinderen doordeweeks bij de vrouw verblijven en in de weekenden bij de man. De kinderen gaan immers bij de vrouw in het dorp naar school en de opvang. De man is in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak omtrent de vervangende toestemming inschrijving school. Hoewel de uitkomst daarvan dus afwachten is, is het erg belangrijk dat de kinderen in de tussentijd naar deze school en kinderopvang blijven gaan. De man kan dan de komende periode financieel aansterken. Het is belangrijk dat IPT betrokken blijft. [praktijk] is al in de thuissituatie van de man betrokken, maar nog niet bij de vrouw. Over een half jaar zal de gewijzigde zorgregeling worden geëvalueerd. Het is voor nu te vroeg om een definitieve zorgregeling te bepalen.
Door en namens de vrouw wordt ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat de vrouw achter het voornemen staat om de kinderen voortaan doordeweeks bij de vrouw te laten zijn, alsmede het eerste weekend van de maand. De overige weekenden zullen de kinderen bij de man zijn. De kinderen hebben een belaste voorgeschiedenis. De vrouw maakt zich daarom zorgen om het feit dat het een voorlopige regeling betreft die over zes maanden weer totaal anders kan zijn. Kleine aanpassingen kunnen in overleg met de GI worden gedaan, maar het is niet in het belang van de kinderen dat deze regeling over zes maanden weer verandert. De vakanties kunnen bij helfte worden verdeeld. Voorts geeft de vrouw aan op dit moment er niet achter te kunnen staan dat de man de kinderen op vrijdagmiddag ophaalt op school. Dit kan mogelijk wel onder begeleiding en in samenwerking met de GI worden vormgegeven. Ook moet worden voorkomen dat er te veel tegelijk verandert voor de kinderen. Voor nu is het beter om af te spreken dat de man de kinderen om 18:30 uur ophaalt bij de pleegvader, omdat de kinderen dat gewend zijn.
Door en namens de man wordt ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen de vervangende toestemming inschrijving school. De verdere beslissingen omtrent het hoofdverblijf en de zorgregeling hangen hier nauw mee samen. Het is voor de man lastig om de kinderen nu iedere dag naar school te brengen, gelet op de reisafstand en de daarbij komende kosten. Dit maakt dat een spiegelbeeld van de huidige zorgregeling voor nu de oplossing is. Het is de bedoeling dat dit een tijdelijke regeling is en dus geen definitieve zorgregeling. Na een aanhouding van zes maanden ten aanzien van definitieve beslissingen kan de stand van zaken vervolgens worden besproken, waaronder de uitkomst van het hoger beroep. De man wil de kinderen graag op vrijdagmiddag ophalen op school. Op deze manier worden alle veranderingen voor de kinderen meteen doorgevoerd en niet op een later moment nog een keer. De vakanties kunnen bij helfte worden verdeeld.
De Raad verklaart dat blijkt dat het de man niet lukt om de kinderen iedere dag naar school te brengen, gelet op de reistijd en -kosten. Doordat de zorgregeling als gevolg hiervan compleet zal worden omgedraaid, zal er een grote verandering voor de kinderen volgen. De Raad snapt de zorgen van de vrouw over een mogelijke (nieuwe) wisseling van de zorgregeling over een half jaar, maar de man heeft hoger beroep ingesteld tegen de vervangende toestemming inschrijving school, welke uitkomst nog onduidelijk is. De Raad ziet daarom geen mogelijkheden om definitieve beslissingen te nemen ten aanzien van de zorgregeling en het hoofdverblijf. Alles tegen elkaar afgewogen, is het plan van de GI het meest in het belang van de kinderen. Het is goed om de vrouw de ruimte te geven om te wennen aan de aankomende veranderingen, zodat binnen twee maanden kan worden toegewerkt naar een situatie waarbij de man de kinderen op vrijdagmiddag ophaalt op school. De kinderen hebben veel meegemaakt en er moet stabiliteit ontstaan. Dit ontbreekt tot nu toe.
Inhoudelijke beoordeling
Tijdens de mondelinge behandeling is het de rechtbank gebleken dat partijen het met elkaar eens zijn over een wijziging van de voorlopige zorgregeling zoals die is bepaald bij het vonnis in kort geding van 27 maart 2025. De man heeft aangegeven dat het hem onvoldoende lukt om, conform de huidige regeling, de kinderen dagelijks naar school te brengen, gelet op de afstand en de reiskosten. Gelet hierop ziet de man zich genoodzaakt om in te stemmen met het voornemen om de huidige zorgregeling te wijzigen, in die zin dat voorlopig een spiegelbeeld van de zorgregeling zal gelden. Dit houdt in dat de kinderen voor het komende half jaar doordeweeks bij de vrouw zullen verblijven en in de weekenden bij de man. Op deze wijze krijgt de man de tijd om zijn financiële situatie te verbeteren. Over een half jaar kan de zorgregeling worden geëvalueerd en zal worden onderzocht welke zorgregeling op dat moment het meest in het belang van de kinderen is, mede gelet op de nog onduidelijke uitkomsten van het hoger beroep van de man tegen de aan de vrouw verleende vervangende toestemming tot inschrijving van de kinderen op een school/ kinderopvang in haar woonplaats. De man heeft voorts verklaard dat hij het liefst wenst dat de kinderen elk weekend bij hem verblijven, maar dat hij ook akkoord is met het verzoek van de vrouw dat de kinderen het eerste weekend van de maand bij haar zijn. De vrouw kan zich ook vinden in het voornemen om de zorgregeling om te draaien. Hoewel de vrouw ter zitting haar zorgen heeft geuit over het effect van het bepalen van een voorlopige regeling in plaats van een definitieve regeling op de kinderen, verzet zij zich hier niet tegen. De Raad en de GI adviseren de rechtbank geen definitieve beslissingen te nemen op de verzoeken, aangezien de uitkomsten van het hoger beroep nog onbekend zijn en op een later moment indachtig de uitspraak in het hoger beroep moet worden bekeken wat in het belang van de kinderen is.
Het is de rechtbank daarnaast gebleken dat de ouders baat hebben bij duidelijkheid en het schriftelijk vastleggen van de door hen gemaakte afspraken. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank op het verzoek van partijen en conform het advies van de Raad bepalen dat met ingang van zondag 3 mei 2026 vanaf 18:30 uur de voorlopige zorgregeling zoals deze is bepaald bij het vonnis in kort geding van 27 maart 2025 zal worden gewijzigd. De rechtbank zal bepalen dat een voorlopige zorgregeling zal gelden tussen de man en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , inhoudende dat de kinderen omgang hebben met de man gedurende schoolweken ieder weekend van vrijdagavond 18:30 uur tot zondagavond 18:30 uur, met uitzondering van het eerste weekend van de maand (waarbij als het eerste weekend wordt aangeduid wanneer er een vrijdag, zaterdag of zondag op de eerste van de maand valt), alsmede de helft van de (school)vakanties en (nationale) feestdagen, waarbij de man de kinderen (de eerste twee maanden) op vrijdag ophaalt bij de pleegvader van de vrouw en de vrouw de kinderen (de gehele periode) op zondag ophaalt bij de man. Tevens zal de rechtbank bepalen dat binnen twee maanden wordt toegewerkt naar een situatie waarbij de man de kinderen op vrijdagmiddag na school ophaalt, nadat de vrouw [minderjarige 1] naar de school van [minderjarige 2] heeft gebracht. Met deze gewijzigde voorlopige regeling beoogt de rechtbank aan partijen duidelijkheid te verschaffen, zodat partijen binnen de ondertoezichtstelling aan de slag kunnen gaan met het behalen van de doelen en hun eigen hulpverleningstrajecten.
Voorts stelt de rechtbank vast dat de man hoger beroep heeft ingesteld tegen een beslissing van de rechtbank inzake vervangende toestemming inschrijving school en kinderopvang. De uitkomst van deze procedure hangt nauw samen met de verzoeken in de onderhavige procedure. Gelet hierop dient eerst de beslissing in het hoger beroep te worden afgewacht. Ook moeten partijen nog veel stappen zetten binnen de ondertoezichtstelling. De rechtbank zal daarom, conform het advies van de Raad, de definitieve beslissingen op de verzoeken met betrekking tot het hoofdverblijf en de zorgregeling aanhouden voor de duur van zes maanden in afwachting van het hoger beroep en het verdere verloop van de ondertoezichtstelling.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw met betrekking tot het opnemen van het nog te overleggen ouderschapsplan in de te wijzen beschikking afwijzen, nu de vrouw dit verzoek ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft ingetrokken.
De rechtbank verzoekt tot slot de GI en (de advocaten van) partijen om uiterlijk op de hierna te vermelden PRO FORMA datum nadere stukken in te dienen zoals in het dictum is beschreven. De rechtbank zal bepalen dat aan de GI een afschrift van deze beschikking zal worden verstrekt.
3. De beslissing
De rechtbank:
wijzigt de voorlopige zorgregeling zoals bepaald bij het vonnis in kort geding van 27 maart 2025 en bepaalt dat tussen de man en de kinderen een voorlopige zorgregeling zal gelden, inhoudende dat de kinderen omgang hebben met de man gedurende schoolweken ieder weekend van vrijdagavond 18:30 uur tot zondagavond 18:30 uur, met uitzondering van het eerste weekend van de maand (waarbij als het eerste weekend wordt aangeduid wanneer er een vrijdag, zaterdag of zondag op de eerste van de maand valt), alsmede de helft van de (school)vakanties en (nationale) feestdagen, waarbij de man de kinderen (de eerste twee maanden) op vrijdag ophaalt bij de pleegvader van de vrouw en de vrouw de kinderen (de gehele periode) op zondag ophaalt bij de man. Binnen twee maanden wordt toegewerkt naar een situatie waarbij de man de kinderen op vrijdagmiddag na school ophaalt, nadat de vrouw [minderjarige 1] naar de school van [minderjarige 2] heeft gebracht;
verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van deze zaak voor wat betreft het vaststellen van het hoofdverblijf van de kinderen en een definitieve zorgregeling aan tot 3 november 2026 PRO FORMA, in afwachting van de briefrapportage van de GI omtrent de resultaten van de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling;
verzoekt de advocaten van partijen om de rechtbank uiterlijk op voornoemde PRO FORMA datum nader te informeren over het verloop en de resultaten van het hoger beroep omtrent de vervangende toestemming school en kinderdagverblijf, alsmede de wijze waarop de zaak verder moet worden afgedaan (eventueel met opgave van verhinderdata);
wijst het verzoek van de vrouw ten aanzien van de opname van het ouderschapsplan in de beschikking af;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026 door mr. van de Merbel, rechter, tevens kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 18 mei 2026.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.