ECLI:NL:RBZWB:2026:470

ECLI:NL:RBZWB:2026:470

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 21-01-2026
Datum publicatie 28-01-2026
Zaaknummer 11770254 \ CV EXPL 25-3287 (E)
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Tilburg

Samenvatting

Is de rechter bevoegd als in een mediationbeding in een vaststellingsovereenkomst is bepaald dat partijen eerst een mediator moeten inschakelen? De kantonrechter acht zich bevoegd en ziet geen aanleiding voor mediation.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Tilburg

Zaaknummer: 11770254 \ CV EXPL 25-3287

Vonnis van 21 januari 2026

in de zaak van

[partij 1] ,

wonend in [plaats 1] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [partij 1] ,

gemachtigde: mr. T.M. ten Velde,

tegen

[partij 2] , H.O.D.N. [bedrijf 1],

wonend in [plaats 2] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [partij 2] ,

procederend in persoon.

1. De zaak in het kort

In deze zaak gaat het in conventie over de vraag of de rechter over de vordering van [partij 1] tot nakoming van een vaststellingsovereenkomst [VSO] kan beslissen of dat partijen in verband met een daarin opgenomen mediationbeding (eerst) een mediator moeten inschakelen. De kantonrechter acht zich bevoegd en ziet geen aanleiding voor mediation. Hij wijst de gevorderde betaling van het in de VSO afgesproken bedrag toe. In reconventie vordert [partij 2] een schadevergoeding vanwege een door [partij 1] gelegd beslag. De kantonrechter is van oordeel dat [partij 2] zijn schade niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd, en wijst de vordering daarom af.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 augustus 2025

- de mondelinge behandeling van 10 december 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis wordt gewezen.

3. De feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:

- In 2022 heeft [partij 2] werkzaamheden uitgevoerd in opdracht van [partij 1] . Over de door [partij 1] te betalen vergoeding voor deze werkzaamheden hebben partijen geprocedeerd. In hoger beroep hebben partijen een VSO gesloten met behulp van een mediator. De VSO is ondertekend op 18 juli 2024. In deze VSO is onder ander opgenomen:

1. Partijen komen het volgende overeen:

a) [partij 2] zal binnen zes weken na dagtekening van de overeenkomst € 3350,- (zegge: drieëndertighonderd vijftig euro) aan [partij 1] voldoen door storting op haar bankrekeningnummer onder [rekeningnummer] ten name van [partij 1] .

b) Dit bedrag zal [partij 2] in twee termijnen betalen aan [partij 1] , doch het volledige bedrag zal betaald zijn uiterlijk binnen zes weken na dagtekening van deze overeenkomst.

2. Indien de betalingen, genoemd in artikel 1 niet tijdig plaatsvinden is [partij 2] zonder verdere aanmaning in verzuim en is hij aan [partij 1] over het niet betaalde bedrag, zolang hij in verzuim is, een rente verschuldigd, gelijk aan de wettelijke rente.

3. De vordering van [partij 1] op het bedrijf [bedrijf 2] wordt overgedragen naar [partij 2] . Indien en zover deze vordering van [partij 1] op [bedrijf 2] inbaar zou zijn, kom dit inbare bedrag volledig toe aan [partij 2] .

4. Indien partijen in de toekomst van mening verschillen over de interpretatie of uitvoering van deze overeenkomst zullen zij trachten door middel van overleg tot een regeling te komen. Wanneer het onmogelijk blijkt in onderling overleg tot een oplossing te komen dan komen partijen overeen het geschil wederom door middel van mediation op te lossen.

[…]

6. Deze overeenkomst is in geval van (toerekenbare) tekortkoming in de nakoming niet vatbaar voor gehele of gedeeltelijke ontbinding. Nakoming, al dan niet met schadevergoeding, zal steeds gevorderd kunnen worden.

[…]

7. Partijen zullen hun advocaat verzoeken de procedure bij de rechtbank te Den Bosch ten spoedigste en in ieder geval drie weken na effectuering van deze overeenkomst definitief te laten doorhalen, waarbij iedere partij de eigen proceskosten draagt. Partijen dragen ieder de eigen kosten.

- Na het sluiten van de VSO hebben partijen over en weer gecorrespondeerd over de tekst van de akte van cessie zoals onder punt 3 van de VSO bedoeld. De akte is uiteindelijk op 30 maart 2025 door [partij 1] ondertekend.

- Na het sluiten van de VSO heeft [partij 2] het onder punt 1 van de VSO afgesproken bedrag niet betaald. [partij 1] heeft [partij 2] voor betaling een paar keer aangemaand.

- Half maart 2025 heeft [partij 1] beslag gelegd uit hoofde van het vonnis in eerste aanleg.

- Het beslag is per 3 april 2025 opgeheven.

4. Het geschil

in conventie

[partij 1] vordert - samengevat - veroordeling van [partij 2] tot betaling van € 3.350,00, vermeerderd met rente. Ook wil zij dat [partij 2] de proceskosten betaalt.

[partij 2] voert verweer. Hij is van mening dat de kantonrechter onbevoegd is om in deze procedure te beslissen, omdat eerst mediation moet plaatsvinden. Overigens betwist hij de vordering van [partij 1] niet. [partij 2] is van mening dat hij schade heeft geleden. Hij concludeert daarom tot niet-ontvankelijkheid van [partij 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij 1] voor zover deze een hoger bedrag bedragen dan hetgeen zoals in de VSO is bepaald, met veroordeling van [partij 1] in de proceskosten.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie

[partij 2] vordert - samengevat - veroordeling van [partij 1] tot betaling van € 4.306,25 te vermeerderen met BTW of een bedrag dat de rechter in goed justitie bepaalt, vermeerderd met rente en incassokosten. Ook wil hij dat [partij 1] de proceskosten moet betalen. [partij 2] voert daarbij aan dat hij schade heeft geleden doordat [partij 1] ten onrechte beslag heeft gelegd.

[partij 1] betwist dat zij ten onrechte beslag heeft gelegd en dat [partij 2] schade heeft geleden. Daarom concludeert zij tot niet-ontvankelijkheid van [partij 2] dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van [partij 2] in de proceskosten.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

De kantonrechter is bevoegd

[partij 2] heeft aangevoerd dat de kantonrechter onbevoegd is, omdat artikel 4 van de VSO bepaalt dat als partijen van mening verschillen over de interpretatie of uitvoering van de VSO, zij dit via mediation moeten oplossen. Er was volgens [partij 2] in ieder geval discussie over de akte van cessie, zodat er ook discussie was over de VSO. [partij 1] betwist dat de kantonrechter niet bevoegd is vanwege deze mediationclausule. Daarnaast is er volgens haar geen discussie over de VSO, maar gaat het alleen om nakoming van de betalingsverplichting van [partij 2] zoals opgenomen in de VSO. Daarom heeft [partij 1] ook geen behoefte aan mediation.

Het is vaste rechtspraak dat ook als partijen een mediationclausule hebben opgenomen die partijen tot mediation verplicht, de rechter bevoegd blijft om kennis te nemen van het geschil. Als een mediationclausule verplichte mediation voorschrijft, kan de rechter weliswaar beslissen om de zaak aan te houden om eerst mediation te proberen, maar hij is dat niet verplicht. De rechter kan beslissen dat de behandeling van de zaak niet wordt aangehouden, bijvoorbeeld omdat de zaak daarvoor te spoedeisend is of omdat het zinloos is om mediation te beproeven.

Op grond daarvan acht de kantonrechter zich in deze procedure bevoegd. Daarbij ziet de kantonrechter geen aanleiding om de zaak aan te houden zodat partijen alsnog kunnen proberen om via mediation tot een oplossing te komen. [partij 1] voert deze procedure namelijk met het doel om een executoriale titel te verkrijgen en is niet bereid tot mediation, zodat mediation zinloos is.

in conventie

[partij 2] moet de hoofdsom van € 3.350,00 betalen

[partij 1] vordert betaling door [partij 2] van een bedrag van € 3.350,00. Deze verplichting vloeit volgens haar voort uit punt 1 van de VSO die partijen met elkaar hebben gesloten.

[partij 2] heeft niet betwist dat hij dit bedrag nog moet betalen. Daarom kan deze vordering in beginsel worden toegewezen.

[partij 2] mocht betaling niet opschorten

[partij 2] heeft aangevoerd dat hij nog niet hoefde te betalen, omdat [partij 1] nog niet had voldaan aan haar verplichting om een akte van cessie te tekenen, zoals bepaald in artikel 3 van de VSO. De kantonrechter gaat aan dat verweer voorbij op grond van het volgende.

De kantonrechter begrijpt dat [partij 2] hiermee een beroep doet op opschorting. Uit artikel 6:52 BW (Burgerlijk Wetboek) volgt dat voor een opschortingsbevoegdheid onder andere is vereist dat de schuldenaar een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser.

Op grond van punt 1 van de VSO moest [partij 2] binnen zes weken na ondertekening van de VSO het afgesproken bedrag van € 3.350,00 betalen. De overeenkomst is getekend op 18 juli 2024, zodat [partij 2] uiterlijk 29 augustus 2024 aan [partij 1] had moeten betalen. Vast staat dat [partij 2] op dat moment niet had betaald.

Niet is gebleken is dat [partij 1] op dat moment de akte van cessie ondertekend had moeten hebben. Hiervoor was geen datum of termijn vastgelegd in de VSO. Weliswaar volgt uit artikel 6:38 BW in dat geval dat [partij 2] terstond nakoming had kunnen vorderen, maar niet gesteld of gebleken is dat hij dat op dat moment ook had gedaan. Bovendien is tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de akte van cessie na de VSO nog moest worden opgesteld tussen partijen en dat over de inhoud nog nader overleg nodig was. Niet is vast komen te staan dat [partij 2] op het moment dat hij moest betalen al een tegenvordering had op [partij 1] . Daarmee is niet voldaan aan het vereiste van artikel 6:52 BW, zodat [partij 2] geen opschortingsrecht had.

[partij 2] heeft in conventie nog aangevoerd dat [partij 1] ten onrechte beslag heeft gelegd en hij hierdoor schade heeft geleden. De kantonrechter zal het beroep van [partij 2] op verrekening in conventie afwijzen, omdat de gegrondheid van dit verweer in conventie niet op eenvoudige wijze is vast te stellen.

Op grond hiervan wijst de kantonrechter de vordering tot betaling van het in de VSO afgesproken bedrag van € 3.350,00 toe.

[partij 2] moet ook de wettelijke rente en proceskosten betalen

[partij 1] vordert wettelijke rente vanaf 29 augustus 2024. Op grond van artikel 6:119 BW is een partij wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag van verzuim. Van verzuim is sprake wanneer een schuldenaar niet heeft betaald op het moment dat hij dat wel had moeten doen. Vast staat dat [partij 2] het afgesproken bedrag voor 29 augustus 2024 had moeten betalen, maar dat niet heeft gedaan. Daarom is hij vanaf die datum in verzuim en zal de kantonrechter de wettelijke rente zoals gevorderd toewijzen.

[partij 2] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [partij 1] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [partij 2] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [partij 1] worden begroot op:

- griffierecht

90,00

- salaris gemachtigde

476,00

(2 punten × € 238,00)

- nakosten

119,00

Totaal

685,00

in reconventie

[partij 2] vordert in reconventie vergoeding van schade door [partij 1] . Daarbij voert hij aan dat [partij 1] ten onrechte beslag heeft laten leggen. Ten eerste lag het beslag op de auto van zijn partner. Bovendien was het beslag gebaseerd op het vonnis in eerste aanleg, terwijl dat was gepasseerd en vervangen door de VSO die tijdens de door het Hof voorgedragen mediation tot stand was gekomen. Tot slot moest hij voor het opheffen van het beslag een bedrag betalen dat veel hoger was dan het bedrag dat volgens de VSO zou moeten worden betaald. [partij 2] heeft alles in het werk moeten stellen om de openbare verkoop van de auto te voorkomen en de deurwaarder ervan te overtuigen dat het beslag ten onrechte was gebaseerd op het vonnis in eerste aanleg. Zijn schade bestaat, aldus nog steeds [partij 2] , uit de uren die hij hieraan heeft besteed en de opdrachten die hij hierdoor heeft misgelopen. [partij 2] begroot zijn schade op een bedrag van € 4.306,25 exclusief btw op basis van de volgende berekening:

Gewerkte uren:

€ 175,00 + 6% kantoorkosten * 7,5 uur = € 1.391,25 exclusief btw

Misgelopen opdrachten met basisvergoeding:

€ 1.500,00 + 6% kantoorkosten = € 1.590,00 exclusief btw

€ 1.250,00 + 6% kantoorkosten = € 1.325,00 exclusief btw

totaal gederfde omzet = € 2.915,00 exclusief btw.

[partij 1] betwist dat zij ten onrechte beslag heeft gelegd. Volgens haar was [partij 2] van mening dat de VSO nog niet van kracht was, omdat [partij 1] de akte van cessie nog niet had ondertekend, zodat het vonnis in eerste aanleg nog steeds rechtsgeldig was. Voor zover [partij 2] , aldus [partij 1] , van mening was dat de VSO wel al direct na ondertekening bindend was en het vonnis in eerste aanleg daarom geen basis kon vormen voor het beslag, had [partij 2] een andere procedure moeten voeren. Overigens mocht [partij 1] er volgens haar van uitgaan dat de auto van [partij 2] was, omdat de auto op zijn naam stond. Daarnaast betwist [partij 1] dat [partij 2] schade heeft geleden. Zij heeft begrepen dat de deurwaarder na een klacht van [partij 2] het beslag heeft opgeheven. Als en voor zover de discussie met de deurwaarder extra tijd in beslag nam, is volgens haar niet in te zien waarom dit [partij 1] raakt. De schade is niet onderbouwd en niet op voorhand aannemelijk. Bovendien kon [partij 2] geen commercieel tarief in rekening brengen, omdat het gaat om uren die hij in persoon heeft besteed voor zichzelf. Tot slot blijkt volgens [partij 1] nergens uit dat [partij 2] opdrachten is misgelopen en dat hij geen enkele tijd meer had om enig werk te verzetten.

[partij 2] heeft geen grondslag aangevoerd voor zijn vordering. Gezien zijn stellingen, gaat de kantonrechter ervan uit dat [partij 2] zijn vordering baseert op een onrechtmatige daad van [partij 1] en vult deze grondslag voor zover nodig aan.

De regeling voor onrechtmatige daad staat in artikel 6:162 BW. Daarin is onder meer bepaald dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander daardoor lijdt, te vergoeden. Een vordering op deze grondslag kan pas worden toegewezen al aan alle voorwaarden van artikel 6:162 BW is voldaan.

Los van de vraag of [partij 1] ten onrechte beslag heeft gelegd, blijkt niet dat [partij 2] als gevolg van dit beslag schade heeft geleden. Weliswaar heeft [partij 2] aangevoerd dat hij veel kosten heeft moeten maken om verweer te voeren tegen het beslag, maar deze stelling heeft hij niet nader onderbouwd. Gezien de betwisting door [partij 1] had hij dat wel moeten doen. Het besteden van eigen tijd aan het voeren van verweer, kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet zondermeer worden aangemerkt als schade die voor vergoeding in aanmerking komt. Daarbij is niet gebleken dat [partij 2] kosten voor derden heeft moeten maken of door het besteden van eigen tijd inkomsten of winst heeft gederfd. De enkele stelling dat [partij 2] telefoontjes van potentiële klanten heeft gemist en daardoor opdrachten is misgelopen of opdrachten heeft opgezegd, is daarvoor onvoldoende.

Op grond daarvan is de kantonrechter van oordeel dat niet is voldaan aan het schadevereiste uit artikel 6:162 BW. Daarom zal de vordering tot vergoeding van schade worden afgewezen. De andere vorderingen van [partij 2] hangen hiermee samen en zullen om die reden ook worden afgewezen.

[partij 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [partij 1] worden begroot op een bedrag van € 476,00 (2 punten × € 238,00) aan salaris gemachtigde.

6. De beslissing

De kantonrechter

in conventie

veroordeelt [partij 2] om aan [partij 1] te betalen een bedrag van € 3.350,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 29 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [partij 2] in de proceskosten van € 685,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

wijst de vorderingen van [partij 2] af,

veroordeelt [partij 2] in de proceskosten van € 476,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?