beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/422537 / FA RK 24-2300
datum uitspraak: 28 april 2026
nadere beschikking betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedtaken
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. C.G.M. Baas te Bergen op Zoom.
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1]geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009, hierna: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009, hierna: [minderjarige 2] .
Als belanghebbende in deze zaak wordt gezien:
het Leger des Heils Jeugdbescherming en reclassering, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),
gevestigd te Rotterdam.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1. Het procesverloop
In het dossier zitten de volgende stukken:
- de beschikking van 11 november 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- het F9-formulier van mr. Bronsveld van 19 januari 2026;
- het F9-formulier van mr. Baas van 22 januari 2026;
- het F9-formulier met bijlagen van mr. Baas van 27 maart 2026.
Gelet op de nauwe samenhang van de onderhavige verzoeken en het resterende deel van het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling (met zaaknummer C/02/440471 / JE RK 25-1771) zijn de verzoeken gelijktijdig tijdens de zitting van 30 maart 2026 met gesloten deuren behandeld. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
Voor deze zitting heeft de rechter met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesproken over het verzoek.
4. De nadere beoordeling
De rechtbank verwijst naar de beschikking van 11 november 2025. In deze beschikking is overwogen dat het enerzijds heel belangrijk is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] contact blijven houden met hun vader. Anderzijds wil de rechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de kans geven om te laten zien dat zij in staat zijn zelf het contact met de man te behouden en vorm te geven, zoals zij hebben gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] krijgen de kans om in deze drie maanden te laten zien dat zij zelfstandig de band met hun vader kunnen behouden en betekenisvol kunnen invullen. Gelet daarop heeft de rechtbank de beslissing ten aanzien van de verzoeken aangehouden.
Aan de orde zijn thans de verzoeken van de man en de vrouw om een verdeling van de zorg- en opvoedtaken te bepalen.
Door de man is toegelicht dat hij [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in de afgelopen periode een aantal keer heeft gezien, maar het contact is minimaal. Het initiatief komt vrijwel altijd vanuit de man. In december leek sprake te zijn van een verandering in houding bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , maar daarna was het opnieuw moeilijk om contact te krijgen met de minderjarigen. De man zou het liefst zien dat de omgang soepeler kan worden vormgegeven en dat de minderjarigen langs komen wanneer zij dat willen. De man verzoekt de beslissing op de verzoeken aan te houden in afwachting van het verloop van de ondertoezichtstelling.
De vrouw verklaart dat zij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vrij laat in het contact met de man. Zij zal [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daarin niet tegenhouden; de minderjarigen hebben immers recht op contact met de man en zij houden ook veel van de man. Het is daarbij echter wel van belang dat de minderjarigen de tijd krijgen om het contact op hun tempo op te bouwen. De vrouw verzoekt een definitieve beslissing te nemen op de voorliggende verzoeken. Zij kan zich erin vinden dat in de beschikking wordt opgenomen dat de vader recht heeft op contact met de minderjarigen en dat beide partijen zich daarvoor zullen inspannen. Er dient echter geen vaste zorgregeling te worden vastgesteld tussen de man en de minderjarigen. Dit zal namelijk averechts werken bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De Raad vreest dat het averechts zal werken als [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedwongen worden tot contact met de man. Ook gelet op de leeftijd van de minderjarigen, dienen zij de ruimte te krijgen om zelf keuzes te maken.
De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens de zitting is gebleken dat er in de afgelopen periode geen verplichte contactmomenten tussen de man en de minderjarigen zijn geweest. In deze periode hebben de man en de minderjarigen vaker contact gehad; zij hebben tijdens de feestdagen meerdere momenten samen doorgebracht en hebben gezamenlijk activiteiten ondernomen. Door de vrouw is toegelicht dat zij verwacht dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meer ruimte zullen ervaren voor contact met de man als er geen gedwongen kader van de ondertoezichtstelling meer is en de minderjarigen de vrijheid hebben om de contacten overeenkomstig hun eigen wensen vorm te geven, terwijl door de man is verklaard dat hij het huidige contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als minimaal ervaart en er weinig vertrouwen in heeft dat het contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in stand blijft zonder het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling.
In de procedure met betrekking tot de verlenging van de ondertoezichtstelling heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van vier maanden. Daarbij heeft de kinderrechter overwogen dat er in de afgelopen periode weliswaar contact is geweest tussen de man en de minderjarigen, maar dat er nog wel zorgen zijn over de bestendigheid en duurzaamheid van dit contact. Tijdens de zitting is door de man verklaard dat hij graag in gesprek zou gaan met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om samen te praten over wat er in het verleden is gebeurd en over de toekomst. De rechtbank acht zo’n gesprek in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , ook zodat de man en de minderjarigen meer op één lijn kunnen komen en het vertrouwen over en weer kan groeien. De rechtbank hoopt dan ook dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hiervoor open staan.
Omdat het verloop van het contact en het gesprek tussen de man en de minderjarigen van belang is voor de beoordeling van de verzoeken, zal de rechtbank de verzoeken aanhouden voor de duur van drie maanden, te weten tot dinsdag 30 juni 2026. Aan de GI wordt verzocht om de rechtbank uiterlijk op die datum te informeren over het verloop van het contact en het gesprek tussen de man en de minderjarigen, alsmede over haar standpunt over de wijze waarop de rechtbank op de in deze zaak voorliggende verzoeken zou moeten beslissen. Daarna worden partijen, via hun advocaten, in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken schriftelijk hierop te reageren en het door hen gewenste verdere procesverloop kenbaar te maken. Aan de hand daarvan zal de rechtbank het verdere procesverloop van deze zaak bepalen.
5. De beslissing
houdt de beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken aan tot dinsdag 30 juni 2026 PRO FORMA, in afwachting van het schriftelijk verslag van de GI en de reactie van de advocaten van partijen hierop en hun standpunt over het verdere procesverloop in deze zaak, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 4.8 is overwogen;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. de Beer, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026 in aanwezigheid van mr. van der Meer, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.