ECLI:NL:RBZWB:2026:4710

ECLI:NL:RBZWB:2026:4710

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 28-04-2026
Datum publicatie 29-05-2026
Zaaknummer C/02/446509 / KG ZA 26-163
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Vervangende toestemming vakantie en aanvraag paspoort minderjarige. Minnelijke regeling niet mogelijk gebleken.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

vonnis

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

Zaaknummer: C/02/446509 / KG ZA 26-163

Vonnis in kort geding van 28 april 2026

in de zaak van

[de vrouw] ,

hierna te noemen de vrouw

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat: mr. L. van Baaren te Rotterdam,

tegen

[de man] ,

hierna te noemen de man,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat: mr. T. Möller te Tilburg.

Als informant wordt aangemerkt:

de gecertificeerde instelling

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

locatie te Tilburg, hierna te noemen de GI,

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de voorzieningenrechter over de vordering geadviseerd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- het bericht met bijlage van mr. Van Baaren van 13 april 2026.

De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de zitting op 16 april 2026 met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.

Tijdens de zitting zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man, bijgestaan door mr. I.A.C. Cools, waarnemend voor mr. Möller. Daarnaast zijn verschenen een vertegenwoordiger namens de Raad en een vertegenwoordiger namens de GI.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Partijen hebben met elkaar een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021, hierna te noemen [minderjarige] .

De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

[minderjarige] verblijft bij de vrouw.

Partijen hebben met bijstand van De Gezinsmanager op 14 november 2022 afspraken met elkaar gemaakt in een ouderschapsplan over onder meer een zorgregeling. [minderjarige] verblijft volgens deze regeling in de even weken bij de vrouw en in de oneven weken bij de man, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op maandag. Tevens zijn er afspraken gemaakt over de verdeling van de vakanties en feestdagen. In de zomervakantie verblijft [minderjarige] drie weken bij de vrouw en drie weken bij de man.

Bij beschikking van deze rechtbank van 5 februari 2026 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 5 februari 2026 tot 5 februari 2027.

Over de uitvoering van de zorgregeling zijn tussen partijen twee kortgedingprocedures gevoerd, die geleid hebben tot vonnissen van 12 juni 2024 en 23 mei 2025, waarbij de zorgregeling steeds deels is gewijzigd.

Bij beschikking van 18 februari 2026 van deze rechtbank in de zaak met zaaknummer C/02/421659 / FA RK 24-1937 is, voor zover thans van belang, bepaald dat de tussen partijen op 14 november 2022 overeengekomen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (alsmede de vonnissen van 12 juni 2024 en 23 mei 2025) wordt gewijzigd, in die zin dat de GI voorlopig de bevoegdheid heeft om de zorgregeling zodanig aan te passen, dat deze past bij wat [minderjarige] aan kan.

3. De vorderingen

Standpunt van de vrouw

De vrouw vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat de voorzieningenrechter:

I. aan de vrouw vervangende toestemming verleent voor een vakantie met de minderjarige, [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] , in de periode van 12 juli 2026 tot en met 2 augustus 2026 voor de duur van maximaal drie weken naar Turkije, dan wel dat de voorzieningenrechter in goede justitie zelf een beslissing neemt;

II. aan de vrouw vervangende toestemming verleent voor de aanvraag van een paspoort ten behoeve van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] ;

III. bepaalt dat de onder I. en II. gevorderde vervangende toestemmingen strekken tot vervanging van de vereiste toestemmingen van de man.

Door en namens de vrouw is daartoe in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het volgende aangevoerd. De vrouw is voornemens om met [minderjarige] ten behoeve van vakantie naar [plaats 1] in Turkije te reizen en aldaar te verblijven in de periode van 12 juli 2026 tot en met 2 augustus 2026. De vrouw heeft familie in Turkije. Haar broer heeft aldaar recent een dochter gekregen, wat mede aanleiding is voor de voorgenomen reis. Tijdens de reis zal het hoofdverblijf in [plaats 1] zijn, waar twee broers en een grootmoeder van de vrouw wonen. Ook is de vrouw voornemens om (kortdurend) te verblijven bij familieleden in [plaats 2] , waar onder andere haar grootmoeder en jongere broer woonachtig zijn. De vrouw dient voor de reis tijdig vluchten te boeken en praktische voorbereidingen te treffen. Hierin in het spoedeisend belang gelegen. De man weigert echter toestemming te verlenen voor de vakantie. Dat partijen niet met [minderjarige] op vakantie gaan naar het buitenland, is een eenzijdig standpunt vanuit de man. Er is verder geen sprake van enig concreet risico dat [minderjarige] aan het gezag van de man zal worden onttrokken. De reis is van beperkte duur en de vrouw heeft duurzame, sociale, maatschappelijke en economische bindingen in Nederland. Ook heeft [minderjarige] zijn hoofdverblijf in Nederland. Dit betekent dat de vrouw voornemens is om na haar vakantie terug te keren naar Nederland. De voornoemde periode van drie weken valt in de periode dat de vrouw [minderjarige] in de zomervakantie van 2026 volgens de geldende zorgregeling bij zich heeft.

Verder is een geldig reisdocument voor [minderjarige] nodig voor de vakantie. De man beschikt op dit moment over de identiteitskaart (ID-kaart) van [minderjarige] , die op zich voldoende zou moeten zijn voor Turkije. De man wil dit document echter niet aan de vrouw afgeven. Zij wil daarom zelf graag over een eigen legitimatiebewijs van [minderjarige] beschikken. Vanwege de verstoorde verhoudingen en het ontbreken van communicatie tussen partijen is het voor de vrouw niet gemakkelijk om de beschikking te verkrijgen over de voormelde ID-kaart.

Standpunt van de man

De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw en concludeert tot afwijzing van die vorderingen.

Ter onderbouwing van zijn verweer voert de man, kort samengevat, het volgende aan. Sinds partijen uit elkaar zijn, heeft de vrouw meerdere keren eenzijdig het contact tussen [minderjarige] en de man stopgezet en zijn er veel juridische procedures geweest. Ook is de vrouw gestopt met meerdere ingezette hulpverleningstrajecten. Hierdoor is het vertrouwen van de man in de vrouw afgenomen. Tussen partijen is er een stilzwijgende afspraak, die inhoudt dat partijen enkel in Nederland op vakantie gaan met [minderjarige] . Na de eerste keer dat het contact tussen [minderjarige] en de man was hersteld, gaf de vrouw gelijk aan dat zij naar het buitenland wilde. Het is bij eerder betrokken hulpverlening bekend dat de vrouw vluchtgedrag kan vertonen. De man heeft er onvoldoende vertrouwen in dat de vrouw na een uitreis met [minderjarige] zal terugkeren naar Nederland, omdat zij [minderjarige] vaker bij de man heeft weggehouden en er op dit moment geen contact is tussen partijen. Indien de vrouw bij haar familie in Turkije is, kan dat een reden zijn voor de vrouw om weer te vluchten. Daarnaast is er sinds kort sprake van een ondertoezichtstelling. De man vindt het nu niet het moment voor de vrouw om met [minderjarige] op vakantie te gaan naar het buitenland. De man wil zo snel mogelijk starten met de hulpverlening en vanaf een stabiele situatie verder kijken, omdat er nu sprake is van een onwerkbare situatie tussen partijen. Het is meer in het belang van [minderjarige] dat er snel wordt gestart met de hulpverlening, dan dat [minderjarige] op vakantie naar Turkije kan. De man zou zelf ook graag op vakantie naar het buitenland willen met [minderjarige] , maar dat doet hij niet. Er zijn namelijk afspraken gemaakt tussen partijen en beide partijen dienen zich daaraan te houden. Daarnaast liggen de twee plaatsen, die de vrouw in Turkije wil bezoeken, ver uit elkaar en schijnt de broer van de vrouw in [plaats 3] te wonen. Ook maakt het de man bang dat [minderjarige] naar Turkije, een islamitisch land, zou gaan, terwijl [minderjarige] zelf christelijk wordt opgevoed.

Verder heeft [minderjarige] voor een reis naar Turkije geen paspoort nodig. Hij heeft al een ID-kaart, die ook voor Turkije kan worden gebruikt. Daardoor is er geen sprake is van spoedeisend belang bij de vordering onder II. van de vrouw. De man houdt de ID-kaart van [minderjarige] bij zich, omdat hij het heeft aangevraagd en betaald. Hij wil dat identiteitsbewijs enkel aan de vrouw geven, indien er strikte afspraken worden gemaakt. Verder heeft de vrouw al eerder de mogelijkheid gehad om een paspoort voor [minderjarige] aan te vragen. Hiervan heeft zij geen gebruik gemaakt.

Op de overige stellingen van partijen, het standpunt van de GI en het advies van de Raad wordt hierna ingegaan.

4. De beoordeling

Spoedeisend belang

Ingevolge artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. Het spoedeisend belang van de vrouw bij de gevorderde vervangende toestemming voor de vakantie is gelegen in het feit dat de vrouw op korte termijn op vakantie wil met [minderjarige] naar Turkije. De man weigert daarvoor toestemming te geven. De reis en het verblijf moeten nog worden geregeld. Ook ten aanzien van de door de vrouw gevorderde vervangende toestemming voor de aanvraag van een paspoort is er sprake van spoedeisend belang, nu de vrouw een legitimatiebewijs van [minderjarige] nodig heeft voor het plannen van de vakantie, het reizen naar en het verblijf in het buitenland. Niet is gebleken dat de man bereid is de in zijn bezit zijnde ID-kaart van [minderjarige] , ten behoeve van de vakantie, aan de vrouw beschikbaar te stellen.

Standpunt van de GI

De vertegenwoordiger van de GI heeft tijdens de zitting, kort samengevat, het volgende naar voren gebracht. Partijen werken momenteel mee aan de ondertoezichtstelling. Er is nu nog sprake van een opstartfase. De GI hoopt door middel van hulpverlening de communicatie tussen partijen te verbeteren. Ook wil de GI op termijn een observatietraject starten bij zowel de man als de vrouw. Hiervoor moeten er nog concrete plannen worden opgesteld. De GI gunt [minderjarige] een vakantie in het buitenland met allebei zijn ouders. De GI kan echter niet zeggen of een vakantie als door de vrouw genoemd de hulpverlening in de weg zal staan, omdat het onduidelijk is wanneer de hulpverlening zal starten. Verder heeft de GI geen indicatie dat de vrouw met [minderjarige] niet terug zal keren naar Nederland. Indien de vrouw niet terugkeert, zal de GI zich actief inzetten om ervoor te zorgen dat [minderjarige] terug komt naar Nederland.

Advies van de Raad

De vertegenwoordiger van de Raad heeft tijdens de zitting, kort samengevat, het volgende aangegeven. Dat er sprake is van een ondertoezichtstelling geeft al aan dat er grote zorgen zijn over de opvoedistuatie van zowel de man als de vrouw en de onderlinge verhoudingen tussen hen. Ook is er sprake (geweest) van een locatie- en contactverbod tussen partijen. Het is van belang dat er concreet zicht komt op beide partijen en hun opvoedsituaties. Desondanks heeft een kind recht op een vakantie met een ouder, al dan niet naar het buitenland. Hoewel er sprake is van veel problematiek tussen partijen, zal een vakantie daarin niets veranderen. Zo lang de GI geen bezwaren heeft tegen de vakantie, die zien op de veiligheid van [minderjarige] , ziet de Raad geen reden om daarvan af te wijken. De Raad adviseert daarom om de vorderingen van de vrouw toe te wijzen.

Inhoudelijke beoordeling

Vervangende toestemming vakantie

In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat als ouders, die samen het gezag hebben over een kind, het niet eens kunnen worden over een beslissing over het kind, zij de rechtbank kunnen vragen die beslissing te nemen. De rechter moet dan een beslissing nemen die hij het meest in het belang van het kind vindt.

Op grond van lid 5 van artikel 1:253a BW dient de voorzieningenrechter, alvorens te beslissen, een vergelijk tussen partijen te beproeven. Bij de zitting is gebleken dat een minnelijke regeling tussen hen niet mogelijk was.

Omdat partijen gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben over [minderjarige] , heeft de vrouw toestemming van de man nodig om met [minderjarige] op vakantie te gaan naar Turkije. De vraag die de voorzieningenrechter in dit geval moet beantwoorden, is of de man die toestemming op goede gronden weigert te verlenen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat niet het geval. De voorzieningenrechter vindt het, net als de Raad, in het belang van [minderjarige] wenselijk dat hij een vakantie met de vrouw in Turkije kan doorbrengen en zij daar familie van de vrouw kunnen bezoeken. Immers, voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] is het goed dat hij de familie van de vrouw leert kennen. Daarnaast is het nog niet duidelijk wanneer de hulpverleningstrajecten zullen starten en kan daarom niet worden gesteld dat de vakantie naar Turkije deze trajecten in de weg zal staan. Verder stelt de man dat er sprake is van vluchtgevaar door de vrouw, waardoor hij niet wil dat de vrouw op vakantie naar Turkije gaat met [minderjarige] . De man heeft desgevraagd geen concrete aanwijzingen benoemd, die erop duiden dat de vrouw met [minderjarige] in Turkije zal blijven. De stelling dat sprake is van vluchtgevaar wordt bovendien door de vrouw onderbouwd betwist, nu zij aannemelijk gemaakt dat zij duurzame, sociale, maatschappelijke en economische bindingen in Nederland heeft. Daarnaast betekent het eventueel vertonen van vluchtgevaar niet zonder meer dat de vrouw na een uitreis uit Nederland niet naar dit land zal terugkeren. Uit wat de GI en de Raad naar voren hebben gebracht, blijkt evenmin dat sprake is vluchtgevaar. De Raad adviseert zelfs tot toewijzing van de vordering. De voorzieningenrechter is er zelf niet van overtuigd dat de vrouw na de vakantie niet met [minderjarige] zal terugkeren naar Nederland. Ten slotte is mede van belang dat de vrouw onweersproken heeft gesteld dat de periode waarin zij met [minderjarige] naar Turkije wil gaan en daar met hem wil verblijven in de periode van de zomervakantie 2026 is waarin hij volgens de zorgregeling bij haar dient te verblijven.

Vast staat dat de man weigert om de vrouw de toestemming voor de voormelde vakantie te geven. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter aan de vrouw toestemming verlenen, ter vervanging van de toestemming van de man, om met [minderjarige] op vakantie te gaan naar Turkije gedurende de door de vouw genoemde drie weken. Met deze toestemming is het belang van [minderjarige] het beste gediend.

Vervangende toestemming aanvragen paspoort

Op grond van artikel 34 lid 1 van de Paspoortwet wordt bij een paspoortaanvraag voor een minderjarige een toestemmingsverklaring overgelegd van beide ouders die het gezag uitoefenen. Als één van de ouders weigert toestemming te geven, kan de rechtbank, in dit geval de voorzieningenrechter, vervangende toestemming verlenen.

De voorzieningenrechter zal in het belang van [minderjarige] de vrouw ook vervangende toestemming verlenen voor de aanvraag van een paspoort voor [minderjarige] . Voor de geplande reis heeft [minderjarige] een geldig legitimatiebewijs nodig. Gebleken is dat de man in het bezit is van een ID-kaart van [minderjarige] , waarmee hij wel naar Turkije mag afreizen en verblijven. De man wil dat identiteitsbewijs enkel onder door hem te stellen strikte voorwaarden aan de vrouw afgeven. Tussen partijen is echter nauwelijks sprake van communicatie en de verhoudingen tussen hen zijn verstoord. Er kan daarom niet van hen worden verwacht dat zij, al dan niet door tussenkomst van de GI, met elkaar in overleg treden over de door de man gestelde voorwaarden. De voorzieningenrechter heeft er daardoor onvoldoende vertrouwen in dat de man het identiteitsbewijs tijdig zal afgeven aan de vrouw ten behoeve van de vakantie. Indien de man het identiteitsbewijs echter niet afgeeft, kan de vrouw niet met [minderjarige] afreizen naar Turkije. Ter zitting is de voorzieningenrechter niet gelukt om de man te bewegen om de ID-kaart aan de vrouw af te geven. Ten slotte wordt, wellicht ten overvloede, geoordeeld dat de vrouw als hoofdopvoeder van [minderjarige] , in het bezit is van een identiteitsbewijs van [minderjarige] .

Restvorderingen

Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

Proceskosten

Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitvoerbaar bij voorraad

De voorzieningenrechter zal de toewijzende beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing moet worden nageleefd, ook als hoger beroep wordt ingesteld.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

verleent aan de vrouw vervangende toestemming, ter vervanging van de toestemming van de man, om in de periode van 12 juli 2026 tot en met 2 augustus 2026 met de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021, naar [plaats 1] , Turkije, te reizen en aldaar te verblijven;

verleent aan de vrouw vervangende toestemming, ter vervanging van de toestemming van de man, om ten behoeve van de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021, een paspoort aan te vragen;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Toekoen, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026, in tegenwoordigheid van mr. van Oorschot, griffier.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. van Oorschot

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand