Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummers: 02-090816-25; 02-195187-25 (gev. ttz)
Vonnis (vul parketnummer in)van de meervoudige kamer van 28 januari 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ;
raadsman mr. J.C.W.L. Grootjans, advocaat te Middelburg.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) heeft de politierechter de zaak onder parketnummer 02-090816-25 naar de meervoudige kamer verwezen.
De zaken zijn inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. E.A. Kool en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 Sv de zaken onder de voormelde parketnummers gevoegd.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
02-090816-25
op 24 maart 2025 heeft geprobeerd [aangeefster] te dwingen tot afgifte van medicatie door middel van bedreiging met geweld of dat hij [aangeefster] heeft bedreigd;
02-195187-25
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
02-090816-25
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de primair ten laste gelegde poging tot afpersing heeft gepleegd, gelet op de bewijsmiddelen in het dossier. Alle ten laste gelegde handelingen kunnen worden bewezen, met uitzondering van het mes op de keel zetten.
02-195187-25
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide feiten heeft gepleegd. Voor verdachte was duidelijk dat hij een gebiedsverbod had gekregen en dat hij niet aanwezig mocht zijn op de plaatsen waar hij is aangehouden.
Het standpunt van de verdediging
02-090816-25
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. De ten laste gelegde gedragingen onder gedachtestreepjes drie tot en met vijf worden niet ondersteund door ander bewijs en kunnen daarom niet worden bewezen. Daarbij komt dat de gedraging onder het laatste gedachtestreepje niet was gericht tegen aangeefster en dat zij niet heeft gezien dat het voorwerp dat verdachte zou hebben neergelegd, een mes was. De overige gedragingen kunnen niet leiden tot een bewezenverklaring van een poging tot afpersing of een bedreiging. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit.
02-195187-25
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank, maar merkt daarbij op dat onduidelijk is gebleven welke documenten betreffende het gebiedsverbod aan verdachte zijn uitgereikt en in hoeverre verdachte wist of de plaatsen waar hij is aangehouden onder dat gebiedsverbod vielen.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
02-090816-25
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Verdachte is op 24 maart 2025 de ontvangstruimte van de apotheek in [plaats] binnengelopen en naar de de balie van de apotheek gegaan. Hij heeft daar een mes op zijn eigen keel gezet. Vervolgens is hij naar de balie van de doktersassistente, aangeefster [aangeefster] , gelopen. Deze balie bevindt zich aan een andere kant van de ontvangstruimte.
Aangeefster heeft verklaard dat verdachte boos op haar balie af kwam stormen. Hij schreeuwde naar haar en zij hoorde hem zeggen “Ik wil dokter [naam] spreken en ik wil mijn medicijnen, mijn oxycodon." Ze zag dat hij een soort roze gekleurd voorwerp op de balie legde, waarvan ze later begreep dat het een mes was. Verdachte was heel boos op haar en ze hoorde hem tegen haar zeggen " Kankerwijf, geef mij mijn medicijnen. Anders wordt het een bloedbad."
De verklaring van aangeefster wordt ondersteund door de verklaring van verdachte zelf, die heeft bekend dat hij heeft gezegd “ Ik wil dokter [naam] spreken, ik wil mijn medicijnen, mijn oxycodon” en ten aanzien van het roepen “Kankerwijf, geef mij mijn medicijnen, anders wordt het een bloedbad” door de verklaring van getuige [getuige] die heeft gehoord dat verdachte het woord beginnend met ‘k’ (de rechtbank begrijpt: het woord ‘kanker’) heeft geroepen. De rechtbank stelt vast dat hij dat ten overstaan van aangeefster heeft geroepen en niet in de apotheek, gelet op de verklaring van [getuige] dat dit gebeurde nadat verdachte vanuit de richting van de apotheek agressief de wachtruimte van de huisartsenpraktijk binnenkwam. Dat het voorwerp dat verdachte op de balie voor aangeefster legde een roze/rood/oranje gekleurd mes betrof, volgt uit de verklaring van verdachte zelf en uit de (beschrijving van de) camerabeelden van het moment in de apotheek. Daarop is te zien verdachte een mes vasthad waarvan het handvat rood/oranje gekleurd was. Dat aangeefster op het moment zelf niet heeft gezien dat het betreffende voorwerp een mes was, doet aan de gedraging van verdachte niet af.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte heeft geprobeerd aangeefster te dwingen medicatie aan hem af te geven door te dreigen met geweld. De primair ten laste gelegde poging tot afpersing kan dus worden bewezen.
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het zetten van het mes op zijn keel en het daarbij zeggen "Moet ik mezelf wat aandoen". Uit de (beschrijving van de) camerabeelden in het dossier volgt weliswaar dat verdachte het mes op zijn keel heeft gezet, maar uit het dossier volgt ook dat dit niet ten overstaan van aangeefster is gebeurd. Verdachte heeft dit dus niet gedaan met het oogmerk om aangeefster te dwingen tot afgifte van de medicatie.
02-195187-25
Op grond van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen of verdachte op de hoogte was van het gebiedsverbod voor de specifieke plaatsen waar hij op 25 juni en 27 juni 2025 is aangehouden.
Vast staat dat aan verdachte op 5 juni 2025 een voornemen tot het opleggen van een gebiedsverbod is uitgereikt, maar het betreffende gebiedsverbod is niet in het dossier gevoegd waardoor onbekend is wat er precies aan verdachte is uitgereikt en of daar bijvoorbeeld een plattegrond bij was gevoegd. Ten aanzien van het gebiedsverbod van 16 juni 2025 kan de rechtbank überhaupt niet vaststellen of dit aan verdachte is uitgereikt en of hij daarvan op een andere manier op de hoogte is gesteld, met hierbij een duidelijke beschrijving van het verboden gebied.
Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van feit 1 en feit 2.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 24 maart 2025 te [plaats], gemeente Schouwen-Duiveland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangeefster] te dwingen tot de afgifte van medicatie (oxycodon), die aan de huisarts(enpraktijk)/apotheek waar die [aangeefster] werkzaam is toebehoorden
- tegen die [aangeefster] heeft gezegd "Ik wil dokter [naam] spreken, ik wil mijn medicijnen, mijn oxycodon", en
- dreigend naar die [aangeefster] is gelopen en
- een mes op de balie voor die [aangeefster] heeft gelegd en
- heeft geroepen naar die [aangeefster] "Kankerwijf, geef mij mijn medicijnen, anders wordt het een bloedbad",
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit een voorwaardelijke straf met daarnaast eventueel een taakstraf. Verzocht wordt rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en in het bijzonder het ontbreken van politie- en justitiecontact sinds juli 2025 en de omstandigheid dat het feit uit onmacht is gepleegd. Verder is van belang dat de begeleiding vanuit het Leger des Heils kan worden voortgezet en dat verdachte op een wachtlijst bij Skeave Huse staat voor een woonvoorziening. Een (lange) gevangenisstraf zou ertoe kunnen leiden dat hij van de wachtlijst wordt gehaald.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing waarbij hij een mes heeft gebruikt. Hij heeft geprobeerd het slachtoffer te dwingen tot afgifte van medicatie door dreigende woorden te uiten en een mes op de balie te leggen. Dit betreft een ernstig feit. Verdachte heeft door zo te handelen voor angst gezorgd bij zijn slachtoffer, niet alleen ten tijde van het feit maar ook nadien. Zij maakte zich zorgen dat de bedreigingen uitgevoerd zouden worden en is nog steeds bang om verdachte opnieuw tegen te komen bij de balie van de huisarts. Verdachte heeft het feit gepleegd in een openbare ruimte, terwijl er meerdere getuigen aanwezig waren. Ook voor hen moet het een beangstigende situatie zijn geweest, temeer omdat verdachte zich eerder in de apotheek ook al dreigend had opgesteld.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Hieruit volgt dat hij eerder meermalen is veroordeeld voor strafbare feiten, maar recent niet voor soortgelijke feiten. Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is van toepassing in verband met een aantal oplegde strafbeschikkingen voor overtredingen en een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 23 april 2025 waarbij hij is veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur.
De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de reclassering van 30 december 2025. Hieruit volgt dat er het afgelopen jaar veel overlastmeldingen aangaande verdachte in het politiesysteem staan, maar dat hij de afgelopen maanden weinig in beeld is geweest bij de politie (mogelijk samenhangend met het gebiedsverbod). Er is sprake van instabiliteit op vrijwel alle leefgebieden. Verdachte beschikt niet over een stabiele plek om te verblijven en ontvangt een WAO-uitkering omdat hij volledig is afgekeurd op lichamelijke en psychische gronden. Daarnaast worden problemen gezien op het gebied van alcoholgebruik, wat in combinatie met zijn medicatie (oxycodon) zorgelijk is. Verdachte krijgt ondersteuning van het Leger des Heils, dat voornemens is om met de gemeente te bespreken of hij kan worden aangemeld bij het IPC+ van het Zorg- en Veiligheidshuis. Hij staat op de wachtlijst voor het project Skaeve Huse, maar onduidelijk is wanneer de woningen daadwerkelijk gerealiseerd gaan worden. Dit zou mogelijk nog een jaar kunnen duren. Verdachte is aangemeld bij de GGZ in verband met onderzoek mogelijkheden toepassing van de Wet Verplichte GGZ en de procescoördinator heeft recent een gesprek met hem gehad. Het recidiverisico kan onvoldoende worden ingeschat, omdat verdachte een ontkennende verdachte is. Het risico op het onttrekken aan voorwaarden wordt als hoog ingeschat, omdat verdachte in het verleden inconsequent was in het nakomen van afspraken. Geadviseerd wordt een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. In het verleden is gebleken dat ondanks ingezette interventies geen langdurige stabiliteit op de leefgebieden werd bereikt. De vermijdende houding van verdachte had hierbij een leidende rol. Een contact- en locatieverbod kan overwogen worden, vanwege de angst van het slachtoffer voor een nieuwe confrontatie met verdachte.
Strafmaat
Gelet op de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest passend en noodzakelijk. Een andere of lichtere sanctie zoals door de verdediging is bepleit, doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de aard en ernst van het feit. De rechtbank komt tot een lichtere straf dan de officier van justitie, enerzijds omdat de rechtbank verdachte vrijspreekt van de overtredingen van het gebiedsverbod en anderzijds omdat de rechtbank de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd meeweegt. Verdachte heeft weliswaar een mes gebruikt bij het feit, maar heeft dit op de balie gelegd en het niet dreigend in de richting van het slachtoffer gehouden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een voorwaardelijk strafdeel aan verdachte op te leggen, gelet op de inhoud van het reclasseringsrapport en het strafblad van verdachte. Gebleken is dat eerdere voorwaardelijk opgelegde straffen verdachte er in het verleden onvoldoende van hebben weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
7. De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [aangeefster] vordert een immateriële schadevergoeding van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank overweegt dat een benadeelde partij recht heeft op een immateriële schadevergoeding als de benadeelde partij op andere wijze in haar persoon is aangetast. Geestelijk letsel geldt in ieder geval als een aantasting in die zin. De benadeelde partij moet het bestaan van geestelijk letsel met stukken onderbouwen. Ook zonder geestelijk letsel kan een benadeelde partij op andere wijze in haar persoon zijn aangetast door het bewezen verklaarde feit. In dat geval moet de benadeelde partij stellen en met concrete gegevens onderbouwen dat de ernstige normschending zodanig ingrijpende gevolgen voor haar heeft gehad dat zij in haar persoon is aangetast. Soms zijn de aard en ernst van de normschending zodanig dat de nadelige gevolgen voor een benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Niet is gesteld en ook is niet gebleken dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank is verder van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending met de huidige informatie niet meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het feit dat de benadeelde partij in haar functie als doktersassistente is afgeperst zoals bewezen is verklaard, is hiervoor onvoldoende – ook al ervaart zij ongetwijfeld negatieve emoties als gevolg hiervan. De juridische drempel om op deze grond een immateriële schadevergoeding te kunnen krijgen ligt hoger.
De vaststelling van de aantasting in de persoon op andere wijze vergt nader onderzoek, dat naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk in haar vordering worden verklaard. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
8. Het beslag
Onder verdachte is een stanleymes in beslag genomen (goednummer PL2000-2025074284-G2841577). Het mes staat vermeld op de beslaglijst in het dossier. De officier van justitie heeft gevorderd dit mes verbeurd te verklaren. De verdediging heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank overweegt dat uit de afstandsverklaring in het dossier volgt dat verdachte afstand heeft gedaan van het mes. Om die reden is een beslissing op het beslag niet meer nodig. De rechtbank zal daarom geen beslissing nemen over het in beslag genomen stanleymes.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 45, 63 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 2 van parketnummer 02-195187-25 ten laste gelegde feiten;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
Poging tot afpersing;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij [aangeefster] (t.a.v. het feit onder 02-090816-25)
niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door B. Akdikan, voorzitter, en mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. J.F.C. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.J. van der Welle, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 28 januari 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
02-090816-25
hij op of omstreeks 24 maart 2025 te [plaats], gemeente Schouwen-Duiveland,
althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf
om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door
geweld en/of bedreiging met geweld
[aangeefster] te dwingen tot de afgifte van medicatie (oxycodon), in elk geval enig
goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangeefster] en/of de
huisarts(enpraktijk)/apotheek waar die [aangeefster] werkzaam is, in elk geval aan
die [aangeefster] /huis(artsenpraktijk)/apotheek en/of een derde toebehoorde(n)
- tegen die [aangeefster] heeft gezegd en/of heeft geroepen "Ik wil dokter [naam]
spreken, ik wil mijn medicijnen, mijn Oxicodon", althans woorden van gelijke
aard en/of strekking, en/of
- ( dreigend) naar die [aangeefster] is gelopen en/of
- een mes/voorwerp op de balie voor die [aangeefster] heeft gelegd en/of
- heeft geroepen naar die [aangeefster] "Kankerwijf, geef mij mijn medicijnen,
anders wordt het een bloedbad", althans woorden van gelijke dreigende aard
en/of strekking, en/of
- het mes op zijn, verdachtes, keel heeft gezet/gehouden en/of heeft gezegd "Moet
ik mezelf wat aandoen", althans woorden van gelijke aard en/of strekking,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 maart 2025 te [plaats], gemeente Schouwen-Duiveland,
althans in Nederland, [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het
leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangeefster] een
(stanley)mes, althans een voor bedreiging geschikt voorwerp, te tonen en/of
dat/een (stanley)mes/voorwerp op de balie voor die [aangeefster] neer te leggen
en/of die [aangeefster] de woorden toe te voegen: "Geef mij mijn medicijnen,
anders wordt het een bloedbad", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of
strekking
( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
02-195187-25
1
hij, op of omstreeks 25 juni 2025 te [plaats],
opzettelijk
niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, te weten een gebiedsverbod,
krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a van de Gemeentewet,
gedaan door of namens de burgemeester van de gemeente Schouwen-Duivenland,
in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste
en/of tweede lid, inhoudende – zakelijk weergegeven – dat hij, verdachte, zich in
de periode van 19 juni 2025 10:00 uur tot 19 september 2025 10:00 uur niet mocht
bevinden/begeven bij [locatie 1] (en directe omgeving) en het skatepark
( [locatie 2] (en directe omgeving), immers heeft hij, verdachte, (na
uitreiking van dat bevel) zich op 25 juni 2025 bevonden en/of begeven op de locatie
het [locatie 3] ;
( art 184 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2
hij, op of omstreeks 27 juni 2025 te [plaats],
opzettelijk
niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, te weten een gebiedsverbod,
krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a van de Gemeentewet,
gedaan door of namens de burgemeester van de gemeente Schouwen-Duivenland,
in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste
en/of tweede lid, inhoudende – zakelijk weergegeven – dat hij, verdachte, zich in
de periode van 19 juni 2025 10:00 uur tot 19 september 2025 10:00 uur niet mocht
bevinden/begeven bij [locatie 1] (en directe omgeving) en het skatepark
( [locatie 2] (en directe omgeving), immers heeft hij, verdachte, (na
uitreiking van dat bevel) zich op 27 juni 2025 bevonden en/of begeven op de locatie
[locatie 4] ;
( art 184 lid 1 Wetboek van Strafrecht )