Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummers: 02-277926-25; 02-307274-25 (gev. ttz)
Vonnis (vul parketnummer in)van de meervoudige kamer van 28 januari 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting in [plaats] ,
raadsvrouw mr. S. van de Voorde, advocaat te Middelburg.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. E.A. Kool en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder de voormelde parketnummers gevoegd.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
02-277926-25
op 18 oktober 2025 een geldbedrag heeft gestolen van [hotel] door middel van bedreiging met geweld;
02-307274-25
op 24 augustus 2025 [slachtoffer 1] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven of met zware mishandeling.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
02-277926-25 en 02-307274-25
De officier van justitie acht de feiten wettig en overtuigend bewezen gelet op de bewijsmiddelen in het dossier.
Het standpunt van de verdediging
02-277926-25
De verdediging is van mening dat de rechtbank wel tot een bewezenverklaring kan komen van de diefstal, maar dat niet kan worden bewezen dat daarbij is gedreigd met geweld. Verdachte had het mes slechts vast, maar heeft het mes niet getoond of daarmee bewegingen gemaakt in de richting van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Het opzet van verdachte op de bedreiging met geweld ontbrak en hij heeft niet bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de zichtbaarheid van het mes een bedreiging met geweld opleverde. Verzocht wordt verdachte partieel vrij te spreken van de bedreiging met geweld.
02-307274-25
De verdediging bepleit vrijspraak van het feit. Niet bewezen kan worden verdachte heeft gezegd ”ik maak jou dood”, omdat het dossier daarvoor onvoldoende bewijs bevat. Het dreigen met “je gaat klappen krijgen” betreft geen bedreiging met zware mishandeling.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
02-277926-25
Gelet op de bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte geld heeft gestolen uit de kassa van [hotel] en – toen hij werd betrapt – heeft gedreigd met geweld om te kunnen vluchten en het bezit van het geld te verzekeren.
Uit de bewijsmiddelen volgt namelijk dat verdachte, terwijl hij het weggenomen geld in zijn handen had en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] probeerden hem ervan te weerhouden er met het gestolen geld vandoor te gaan, een mes heeft getoond aan [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] en met het mes een dreigende beweging heeft gemaakt in de richting van [slachtoffer 3] om ervoor te zorgen dat zij uit de weg ging en hij weg kon gaan met het buitgemaakte geld. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door het mes op deze manier te tonen opzet had op de bedreiging met geweld, temeer omdat verdachte zelf heeft verklaard dat hij het mes heeft getoond om [slachtoffer 3] weg te krijgen en dus zelf weg te kunnen komen (“Toen deed ik zo met het mes van weg weg”). Naar het oordeel van de rechtbank staat niet vast dat de gezichtsbedekking bij verdachte als doel had de diefstal met bedreiging met geweld gemakkelijk te maken, omdat niet kan worden uitgesloten dat het te maken had met de weersomstandigheden zoals door verdachte is verklaard. Bovendien heeft verdachte de gezichtsbedekking direct nadat hij was binnengekomen afgedaan. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dat onderdeel van de tenlastelegging.
02-307274-25
Op grond van de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] en de verklaring van getuige [getuige 1] acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tegen [slachtoffer 1] heeft gezegd "zodra ik buiten ben, kom ik jou tegen en ga jij zien, je gaat klappen krijgen". De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat verdachte tegen [slachtoffer 1] heeft gezegd “ik maak jou dood”, omdat dit alleen uit de verklaring van getuige [getuige 2] volgt en aangeefster [slachtoffer 1] hierover zelf niet heeft verklaard.
De rechtbank is van oordeel dat de woorden “je gaat klappen krijgen” niet kunnen worden gekwalificeerd als een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling, omdat onder ‘klappen krijgen’ ook een eenvoudige mishandeling kan worden verstaan.
De rechtbank acht daarom niet bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling en zal verdachte van dit feit vrijspreken.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
02-277926-25
op 18 oktober 2025 te [plaats] een hoeveelheid geld dat aan [hotel] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd gevolgd van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:- zich in het voornoemde hotel te begeven,- vervolgens naar de kassabalie te lopen en de kassa te openen,- op korte afstand een mes te tonen aan die voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en vervolgens daarbij met het mes dreigende bewegingen in de richting van die [slachtoffer 3] te maken.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel). Aan de wettelijke vereisten daarvoor is voldaan. Gelet op het strafblad van verdachte en het over hem opgemaakte reclasseringsrapport, zijn er geen mogelijkheden voor begeleiding in het kader van een voorwaardelijke straf of maatregel. Het door [slachtoffer 3] verzochte contact- en/of locatieverbod is bij oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel niet nodig.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit oplegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel dan wel een onvoorwaardelijke gevangenisstaf. Er is niet voldaan aan het vereiste in de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers (hierna: de Richtlijn) dat er ten minste tien processen-verbaal opgemaakt moeten zijn, omdat er een reële kans bestaat dat verdachte niet wordt veroordeeld voor het feit dat op 30 januari 2026 op zitting wordt behandeld en dit proces-verbaal daarom niet mee mag tellen. Daarbij komt dat verdachte hulp nodig heeft. De reële alternatieven zijn niet uitgeput, een ISD-maatregel draagt niet bij tot gedragsverandering en de ISD-maatregel is niet in verhouding tot de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden. De Ketenveldnorm Levensloopaanpak via het Zorg- en Veiligheidshuis lijkt het meest aangewezen, maar is niet onderzocht. Een contact- en/of locatieverbod is niet noodzakelijk, indien een (al dan niet voorwaardelijke) ISD-maatregel wordt opgelegd.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal met bedreiging met geweld waarbij hij een mes heeft gebruikt. Hij heeft het mes dreigend getoond om weg te komen met het buitgemaakte geld toen hij werd betrapt. Dit betreft een ernstig feit, waarmee verdachte voor angst heeft gezorgd bij de hotelmedewerkers die hem hebben betrapt. Gebleken is dat het feit impact op hen heeft gehad en dat zij vreesden voor hun veiligheid en de veiligheid van andere aanwezigen in het hotel. Uit de ingediende vordering van [slachtoffer 3] volgt dat zij ook na het feit nog stress en angstgevoelens ervaarde en dat zij zich nadien onveiliger voelde dan voorheen.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Hieruit volgt dat hij veelvuldig is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder recent ook meermalen voor soortgelijke (vermogens)feiten. Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is van toepassing in verband met een strafbeschikking van 18 oktober 2025 voor een overtreding.
De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de reclassering van 29 december 2025. Hieruit volgt dat verdachte staat geprioriteerd als zeer actieve veelpleger en dat hij driemaal een ISD-maatregel heeft doorlopen, waarvan er één (die in 2013 startte) positief werd afgerond. Na de laatste ISD-maatregel (in 2023) is een WLZ-3 GGZ indicatie afgegeven, waarna verdachte in een voorziening werd geplaatst. Tijdens of kort na alle ISD-maatregelen verviel verdachte in middelengebruik en delictgedrag. Verdachte kwam nadien meermalen opnieuw in aanraking met politie en justitie, vooral vanwege overlastgevend en/of verward gedrag en vermogensdelicten. Door de jaren heen is geprobeerd verdachte vanuit het gedwongen kader en vanuit de WLZ-indicatie in zorg te krijgen en te houden, maar verdachte heeft zich hieraan telkens onttrokken. Tijdens detenties stond hij niet open voor hulp. Geen van de ingezette interventies heeft geleid tot langdurige of blijvende gedragsverandering en het verminderen van het recidiverisico. Er is geprobeerd om vanuit de WLZ zorg te bieden, maar verdachte bleek onvoldoende open te staan voor de geboden mogelijkheden. De mogelijkheden voor passende zorg zijn beperkt, enerzijds vanwege de complexiteit van de problematiek van verdachte, capaciteitsproblemen en lange wachttijden bij zorginstanties, anderzijds omdat de vraag is of een WLZ-3 GGZ indicatie passend is bij de problematiek van verdachte. Er is bij hem sprake van psychiatrische problematiek, middelenproblematiek, agressieproblematiek, een zorgmijdende houding en een gebrek aan intrinsieke motivatie. Binnen hulpverleningstrajecten stelt hij zich niet begeleidbaar op en vertrekt hij vaak als niet aan zijn wensen wordt voldaan. Hij geeft aan dat hij een dak boven zijn hoofd passende zorg vindt en dat hij niet openstaat voor begeleiding of behandeling. Het zorgkantoor adviseert om, als een ISD-maatregel wordt opgelegd, al bij aanvang van het traject in te zetten op een verzoek tot herindicatie voor een hogere WLZ-indicatie. De ISD-inrichting heeft aangegeven dat zij hierop in kunnen zetten. De reclassering vindt een rechtstreekse plaatsing vanuit de huidige WLZ-indicatie niet haalbaar om verdachte structureel (en op korte termijn) in zorg te krijgen. Door zijn pro-criminele en zorgmijdende houding, het gebrek aan motivatie en zijn irreële wensen ten aanzien van zorg ziet de reclassering, na alle mislukte trajecten, geen mogelijkheden om verdachte te begeleiden binnen een voorwaardelijk kader en in dat kader in te zetten op het toewerken naar gedragsverandering en het terugdringen van recidive. Het risico op recidive en het risico op onttrekken aan voorwaarden worden ingeschat als hoog. Er zijn geen passende interventies om het hoge recidiverisico te verlagen. De reclassering vraagt zich af of langdurige gedragsverandering haalbaar is bij verdachte, maar acht een onvoorwaardelijke ISD-maatregel geïndiceerd, omdat verdachte bij onttrekking aan de maatregel direct wordt teruggeplaatst in detentie. Zo wordt het risico op recidive ingeperkt en is er een directe consequentie als verdachte zich onttrekt, waardoor er een zwaardere externe motivatie is om te werken aan gedragsverandering dan in een voorwaardelijk kader. Gedurende de maatregel kan de WLZ-indicatie worden onderzocht en kan (indien geïndiceerd) een nieuwe indicatie worden aangevraagd, waarna verdachte in het kader van nazorg in een passende woonvoorziening kan worden geplaatst.
Maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders
De rechtbank is op grond van het dossier, waaronder in het bijzonder de bevindingen van de reclassering, en het verhandelde ter zitting van oordeel dat het opleggen van de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders wenselijk en noodzakelijk is.
Aan de eisen van de wet wordt voldaan. Immers, op het door verdachte begane misdrijf is voorlopige hechtenis toegelaten. In de vijf jaren voorafgaand aan dit misdrijf is verdachte ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of taakstraf veroordeeld. Het feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen. Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. De veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van de maatregel.
Verder is voldaan aan de Richtlijn, omdat over een periode van vijf jaren meer dan tien processen-verbaal tegen verdachte zijn opgemaakt, waarvan tenminste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit. Dat ten aanzien van een van die opgemaakte processen-verbaal op (zeer) korte termijn een zitting is gepland en de uitkomst daarvan op dit moment nog onzeker is, maakt dat niet anders. Op grond van de Richtlijn gaat het immers om opgemaakte processen-verbaal, niet om daadwerkelijke veroordelingen.
Verdachte is de afgelopen periode meermalen veroordeeld voor strafbare feiten en is aangemerkt als zeer actieve veelpleger. Er is eerder al geprobeerd om door middel van verschillende trajecten, waaronder hulpverlening vanuit de WLZ-indicatie, de situatie van verdachte te stabiliseren en het recidiverisico terug te dringen. Deze trajecten zijn onvoldoende effectief gebleken om een langer durende wijziging van zijn situatie te bewerkstelligen. Daarbij spelen zijn zorgmijdende houding en een gebrek aan intrinsieke motivatie een belangrijke rol. Verdachte lijkt niet of nauwelijks open te staan voor hulp en begeleiding, of alleen op zijn eigen voorwaarden. Er is niet ingezet op de Ketenveldnorm Levensloopaanpak, waardoor dit traject op dit moment niet aan de orde is. Gelet op deze omstandigheden ziet de rechtbank geen mogelijkheid om het recidiverisico terug te dringen door middel van een andere of lichtere sanctie dan een ISD-maatregel, zoals een behandel- en begeleidingstraject in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke straf of een voorwaardelijke ISD-maatregel. Gelet op het hoge risico dat verdachte zich onttrekt aan voorwaarden, acht de rechtbank deze opties ontoereikend. Omdat verdachte tijdens eerdere detenties niet openstond voor hulp en omdat een ISD-maatregel in het verleden een van de drie keren succesvol is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat deze maatregel de voorkeur geniet boven het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zodat kan worden geprobeerd een wijziging in de situatie van verdachte te bewerkstelligen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat vanuit de ISD-inrichting bij aanvang al kan worden ingezet op een verzoek tot herindicatie voor een hogere WLZ-indicatie, waardoor – indien die wordt toegekend – mogelijk een passendere vorm van nazorg na de ISD-maatregel kan worden geboden. Alles afwegend zal de rechtbank aan verdachte daarom een onvoorwaardelijke ISD-maatregel opleggen.
Maatregel 38v Sr (contact- en gebiedsverbod)
Gelet op de opgelegde ISD-maatregel, waardoor verdachte gedurende twee jaar in een inrichting wordt geplaatst, ziet de rechtbank geen noodzaak voor het opleggen van een contact- en/of gebiedsverbod met [slachtoffer 3] op grond van artikel 38v Sr.
7. Het beslag
De teruggave
Ten aanzien van het in beslag genomen voorwerp, te weten een geldbedrag van 80 euro, wordt een last gegeven tot teruggave aan [hotel] , die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.
8. De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een schadevergoeding van € 1.266,43 voor het feit onder parketnummer 02-277926-25, bestaande uit € 16,43 aan materiële schade en
€ 1.250,= aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat is bewezen dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde materiële schade is niet betwist en is toewijsbaar.
Ten aanzien van de immateriële schade heeft de benadeelde gesteld dat zij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en de ernst van de normschending door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. De benadeelde is namelijk op korte afstand bedreigd met een mes. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank is van oordeel dat de situatie in de door de benadeelde aangehaalde uitspraak onvoldoende vergelijkbaar is met de onderhavige situatie. Gelet op alle omstandigheden, de onderbouwing van de benadeelde partij en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht rechtbank vergoeding van een bedrag van € 750,= billijk.
Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan, mede gelet op de betwisting daarvan door verdachte en omdat (de omvang van) de schade onvoldoende is onderbouwd. Verdere behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De rechtbank acht de gevorderde schade dus toewijsbaar tot een bedrag van € 766,43, waarvan € 16,43 materiële schade en € 750,= immateriële schade.
Ook zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 18 oktober 2025.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.(vul naam in van de benaddelde partij met alleen voorletters)
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f, 38m, 38n, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 02-307274-25 ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
02-277926-25
diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;
- verklaart verdachte strafbaar;
Maatregel
- gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor twee jaar;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] (parketnummer 02-277926-25) van € 766,43, waarvan € 16,43 aan materiële schade en € 750,= aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 18 oktober 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] (parketnummer 02-277926-25), € 766,43 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 18 oktober 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 7 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Beslag
- gelast de teruggave aan [hotel] van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:
* 80,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: BZAS6520, ibn 18-10-2025).
Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Ploeg-Hogervorst, voorzitter, en J.F.C. Janssen en B. Akdikan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.J. van der Welle, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 28 januari 2026.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
02-277926-25
hij op of omstreeks 18 oktober 2025 te [plaats](een) (hoeveelheid) geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan[hotel] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen methet oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werdvoorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweldtegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ,gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk temaken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vluchtmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:- (al dan niet) voorzien van een geheel of gedeeltelijk over/voor zijn hoofd/gezichtgetrokken sjaal, althans (in ieder geval) voorzien van een geheel/gedeeltelijk bedekthoofd/gezicht – zich naar/in voornoemd hotel te begeven,- (vervolgens) (rechtstreeks) naar de kassa(balie) te lopen en/of de kassa te openenmet een mes,- (op korte afstand) een mes te tonen aan die voornoemde [slachtoffer 2] en/of[slachtoffer 3] en/of (vervolgens) daarbij met het mes stekende en/of dreigendebewegingen in de richting van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te maken;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
02-307274-25
hij op of omstreeks 24 augustus 2025 te [plaats] [slachtoffer 1] heeft bedreigdmet enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "zodra ik buiten ben, kom ikjou tegen en ga jij zien, je gaat klappen krijgen" en/of "ik maak jou dood", althanswoorden van gelijke dreigende aard of strekking
( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )