3. De beoordeling
Zoals hiervoor overwogen, moet op de volgende verzoeken van de vrouw in deze procedure nog worden beslist:
- vaststelling van een zorgregeling tussen de man en [minderjarige 2] ;
- vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Zorgregeling
In haar brief van 17 maart 2026 heeft de vrouw haar verzoek tot vaststelling van een zorgregeling tussen de man en [minderjarige 2] ingetrokken. Dit verzoek hoeft daarom geen verdere inhoudelijke bespreking en zal worden afgewezen.
Kinderalimentatie
Uit de ingekomen stukken volgt dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een door de man te betalen bijdrage in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Partijen hebben het volgende met elkaar afgesproken:
- met ingang van 1 oktober 2025 betaalt de man een bijdrage in de kosten van [minderjarige 1] van € 202,= per maand. Vanaf 1 januari 2026 bedraagt deze bijdrage vanwege de wettelijke indexering € 221,29 per maand;
- met ingang van 1 april 2025 betaalt de man een bijdrage in de kosten van [minderjarige 2] van
€ 308,= per maand. Vanaf 1 januari 2026 bedraagt deze bijdrage vanwege de wettelijke indexering € 322,17 per maand.
De rechtbank beschouwt het verzoek van de vrouw als gewijzigd conform de gemaakte afspraken en zal dienovereenkomstig beslissen.
4. De beslissing
De rechtbank
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man als bijdrage in de kosten van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2022 voldoet:
- met ingang van 1 oktober 2025 een bedrag van € 202,= (tweehonderdentwee euro) per maand;
- met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 211,29 (tweehonderdelf euro en negenentwintig eurocent) per maand,
voor de toekomst bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man als bijdrage in de kosten van de minderjarige [minderjarige 2] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2019 voldoet:
- met ingang van 1 april 2025 een bedrag van € 308,= (driehonderdenacht) per maand;
- met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 322,17 (driehonderd tweeëntwintig euro en zeventien eurocent) per maand,
voor de toekomst bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
wijst af het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een zorgregeling tussen de man en [minderjarige 2] .
Deze beschikking is gegeven door mr. Meyboom, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.