beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/439685 / FA RK 25-4643
Datum uitspraak: 30 april 2026
Beschikking over regeling verdeling zorg- en opvoedingstaken, vervangende toestemming voor inschrijving voetbalvereniging, hoofdverblijf en bijdrage kosten verzorging en opvoeding
in de zaak van
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. J.L. Küppers-van Duivenbooden in Breda,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. C.J.H.E. Jeurissen in Breda,
over de minderjarige:
[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016, hierna: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1. Het procesverloop
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 9 september 2025 ontvangen verzoek met (deels later nagezonden) bijlagen;
- de brief van mr. Küppers-van Duivenbooden van 23 oktober 2025;
- het op 30 december 2025 ontvangen verweerschrift met het zelfstandig verzoek met bijlagen;
- het op 8 januari 2026 ontvangen verweerschrift op het verweerschrift met het zelfstandig verzoek met bijlagen;
- het op 14 januari 2026 ontvangen aanvullend verweerschrift met wijziging c.q. vermeerdering (zelfstandig) verzoek met bijlagen;
- het F9- formulier met bijlage van mr. Küppers-van Duivenbooden van 15 januari 2026;
- het F9- formulier met bijlage van mr. Jeurissen van 9 februari 2026;
- het F9-formulier met bijlage van mr. Jeurissen van 8 april 2026;
- het F9-formulier van mr. Küppers-van Duivenbooden van 13 april 2026;
- het F9-formulier van mr. Jeurissen van 15 april 2026.
De verzoeken zijn behandeld op de zitting van 18 maart 2026. Bij die behandeling zijn verschenen partijen, met hun advocaten. Ook was er een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.
De rechter heeft eerder op 16 januari 2026 met [minderjarige] gesproken over de verzoeken. Nadien heeft [minderjarige] nogmaals de gelegenheid gekregen om te zeggen wat hij van de verzoeken vindt maar hij heeft daar geen gebruik van gemaakt. Tijdens de zitting heeft de rechter samengevat wat [minderjarige] op 16 januari 2026 heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren.
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .
Bij vonnis in kort geding van 5 maart 2025 heeft de voorzieningenrechter onder meer een voorlopige regeling in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorg- en contactregeling) vastgesteld. Ook heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de man ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] een bijdrage aan de vrouw moet voldoen op de in dat vonnis opgenomen wijze.
Bij vonnis in kort geding van 10 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter onder meer bepaald dat de daarin beschreven persoonlijke spullen van [minderjarige] door de man worden afgeleverd aan de vrouw, dat er, nadat de vrouw dit met [minderjarige] heeft besproken, via de advocaten contact zal zijn over een eerste contactmoment tussen de man en [minderjarige] en dat de vrouw [minderjarige] zal inschrijven van [voetbalvereniging 1] , nu de man hiervoor zijn toestemming heeft verleend.
3. De verzoeken en de standpunten van partijen
3.1.1. De man verzoekt dat de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. een zorg- en contactregeling vastlegt, zoals opgenomen in randnummer 8 dan
wel 3 van het verzoekschrift;
II. een onderzoek door de Raad gelast;
III. partijen doorverwijst naar een traject in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA);
IV. de vrouw gelast om haar medewerking te verlenen aan de inschrijving van [minderjarige]
bij de [voetbalvereniging 2] te [woonplaats 1] en bij gebrek aan medewerking, om vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven bij die voetbalvereniging.
Kosten rechtens.
Ter toelichting op zijn verzoek stelt de man samengevat dat hij er geen bezwaar tegen heeft dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw is. Partijen hebben met elkaar een concept ouderschapsplan opgesteld, waaraan tot voor kort uitvoering werd gegeven. Hierin zijn onder andere afspraken opgenomen over de zorg- en contactregeling. Partijen zullen daarbij kijken naar mogelijkheden voor uitbreiding. De vrouw heeft echter plots aangegeven dat [minderjarige] niet meer naar de man wil. Dat is voor de man onbegrijpelijk omdat [minderjarige] het volgens hem fijn heeft bij hem. [minderjarige] lijdt onder de discussie. Hij is niet met de man mee op vakantie gegaan en de vrouw heeft [minderjarige] zonder overleg/ toestemming van de voetbalvereniging gehaald omdat [minderjarige] niet meer zou willen voetballen daar. Veilig Thuis is bij hen betrokken geraakt en er is gesproken over het opstarten van een traject bij [hulpverlening] . De vrouw wil hieraan echter niet meewerken. Het contact tussen de man en [minderjarige] moet zo spoedig mogelijk worden hersteld. Voor het contact is geen contra-indicatie. De man wil de zorg- en contactregeling in overeenstemming brengen met de nieuwe voetbaltrainingstijden.
Daarnaast vindt de man het noodzakelijk dat partijen worden doorverwezen naar een traject in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA) om de communicatie van partijen te verbeteren en te begeleiden met een uitbreiding van het contact tussen de man en [minderjarige] . Als dit noodzakelijk is dan verzoekt de man de rechtbank ook om een raadsonderzoek te gelasten.
De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man en verzoekt om deze verzoeken af te wijzen.
De vrouw verzoekt zelfstandig dat de rechtbank bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bepaalt dat:
I. [minderjarige] zijn hoofdverblijf heeft bij haar;
II. de man met ingang van 7 juli 2025, dan wel per datum indiening van het
onderhavig verzoek, als bijdrage in de kosten voor de opvoeding en verzorging van [minderjarige] maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw een bedrag van € 769,00 per maand dient te voldoen, althans een zodanig bedrag vaststelt en met ingang van een dusdanige datum als de rechtbank in goede justitie juist acht;
III. de man met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 804,37 per maand ten behoeve van [minderjarige] dient te voldoen. Althans vast te stellen dat de door de rechtbank
vast te stellen bijdrage in de kosten van [minderjarige] met ingang van het jaar van de door de rechtbank gehanteerde ingangsdatum jaarlijks wordt geïndexeerd conform de wettelijke indexering.
Kosten rechtens.
In reactie op de verzoeken van de man stelt de vrouw dat de man, kort nadat zij de relatie had beëindigd, haar bij de keel gegrepen heeft. Daarop is Veilig Thuis betrokken geraakt. Zes dagen later escaleerde de situatie opnieuw. [minderjarige] gaf daarna aan dat hij bang was voor de man en dat hij niet meer met hem naar voetbal wilde gaan. In een kort geding- procedure zijn partijen een zorg- en contactregeling met elkaar overeengekomen, neergelegd in het vonnis van 5 maart 2025. De man bleef daarna bedreigingen uiten. Op school uit [minderjarige] dat hij niet met de man op vakantie wil en dat hij niet voor langere tijd bij deze wil verblijven. Bij [hulpverlening] heeft [minderjarige] aangegeven dat hij bang is voor de man omdat hij boos op hem reageert en dat de man in zijn bijzijn over de vrouw heeft gescholden. In de zomervakantie is [minderjarige] bij de man weggelopen en heeft de vrouw hem opgehaald. De man doet aangifte tegen de vrouw en hij weigert de spullen van [minderjarige] bij de vrouw af te geven. Het in na gesprekken met [hulpverlening] niet gelukt om tot een contactherstel te komen tussen [minderjarige] en de man. De man wil de contactregeling hervatten. Tijdens een nieuwe kort geding- procedure zijn er afspraken gemaakt over onder andere de spullen van [minderjarige] en over een eerste contactmoment tussen [minderjarige] en de man. [minderjarige] staat echter niet open voor contact met de man. Na incidenten over het mobiele abonnement van [minderjarige] , school en sieraden van de vrouw heeft [minderjarige] zelf conclusies getrokken. Inmiddels gaat het jeugdhulptraject vanuit [hulpverlening] starten dat een jaar zal duren.
Hoewel de vrouw het liefst ziet dat [minderjarige] op een normale manier contact heeft met de man, is dat nu (nog) niet mogelijk. [minderjarige] wil op dit moment geen contact met de man. De vrouw meent dat het belang van [minderjarige] hierbij leidend moet zijn. Contact forceren is schadelijk voor [minderjarige] .
De vrouw hoopt dat de man zich gaat richten op het, onder professionele begeleiding, heropbouwen van de vertrouwensband en van het contact met [minderjarige] . Binnen het traject van [hulpverlening] kunnen hierin stapjes worden gezet. Los hiervan vindt de vrouw de door de man verzochte zorg- en contactregeling niet in het belang van [minderjarige] omdat hierin veel wisselmomenten zitten en dit te belastend is voor [minderjarige] . De vrouw verzoekt daarom om dit verzoek af te wijzen dan wel dit aan te houden in afwachting van de uitkomst van het hulpverleningstraject. Wanneer de rechtbank oordeelt dat er toch vooraf contact moet plaatsvinden, dient dit volgens de vrouw onder de begeleiding van bijvoorbeeld mevrouw [persoon 1] te gebeuren. De vrouw heeft geen bezwaar tegen een eventueel raadsonderzoek. Omdat partijen al zijn aangemeld voor een traject bij [hulpverlening] ziet de vrouw geen meerwaarde in een traject in het kader van UHA. Nu de man eerder toestemming heeft gegeven voor de inschrijving van [minderjarige] bij [voetbalvereniging 1] heeft de man geen belang meer bij zijn verzoek om [minderjarige] bij VV [voetbalvereniging 2] opnieuw in te schrijven. Nu partijen het hierover eens zijn, verzoekt de vrouw om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar in een beschikking vast te leggen.
De man heeft op 8 januari 2026 een verweerschrift op de zelfstandige verzoeken van de vrouw ingediend. Hij is het niet eens met die zelfstandige verzoeken en verzoekt dat de rechtbank deze verzoeken bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, afwijst.
In reactie op het verweer en de zelfstandige verzoeken van de vrouw stelt de man dat het over de oude discussies, die de vrouw weer beschrijft, niet langer moet gaan. Van belang is om te starten met de in het vonnis van 10 oktober 2025 opgenomen afspraak over het contact tussen hem en [minderjarige] . De uitvoering van die afspraak is niet goed gegaan. Een oude discussie is herleefd, [minderjarige] is hierbij betrokken en heeft daarop aangegeven de man niet meer te willen zien. De afspraak uit dit vonnis wordt niet nagekomen. Inmiddels heeft de vrouw ook het hulptraject bij [hulpverlening] afgezegd. [minderjarige] komt zo tussen zijn ouders in te staan. De vrouw kan geen emotionele toestemming verlenen voor een onbelast contact tussen de man en [minderjarige] . De man krijgt geen mogelijkheid om het contact op te starten, waardoor de relatie tussen hem en [minderjarige] steeds verder in het gedrang komt. De man meent daarom dat de rechtbank een contactregeling moet vaststellen. Hij begrijpt dat een opbouw hierin wenselijk is. Het verzoek tot onderzoek door de Raad is nog steeds relevant. Dit is ook door Veilig Thuis en Jeugdzorg geadviseerd. Een doorverwijzing naar een traject in het kader van het UHA heeft weinig zin als de vrouw daaraan niet meewerkt. De inschrijving bij [voetbalvereniging 2] is achterhaald nu de man heeft ingestemd met de inschrijving bij [voetbalvereniging 1] .
De vrouw heeft op 14 januari 2026 een aanvullend verweerschrift met een gewijzigd c.q. vermeerderd (zelfstandig) verzoek ingediend. Zij verzoekt dat de rechtbank bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de verzoeken van de man afwijst;
II. bepaalt dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf heeft bij haar;
III. bepaalt dat de man met ingang van 7 juli 2025, dan wel per datum indiening van het
onderhavig verzoek, als bijdrage in de kosten voor de opvoeding en verzorging van [minderjarige] maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw een bedrag van € 904,00 per maand dient te voldoen, althans een zodanig bedrag vaststelt en met ingang van een dusdanige datum als de rechtbank in goede justitie juist acht;
IV. bepaalt dat de man met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 946,00 per
maand ten behoeve van [minderjarige] dient te voldoen. Althans vast te stellen dat de door de rechtbank vast te stellen bijdrage in de kosten van [minderjarige] met ingang van het jaar van de door de rechtbank gehanteerde ingangsdatum jaarlijks wordt geïndexeerd conform de wettelijke indexering.
Kosten rechtens.
Ter toelichting op haar aanvullend verweerschrift en gewijzigd/vermeerderd (zelfstandig) verzoek betwist de vrouw dat zij oude kwesties oprakelt om spanningen in stand te houden of om de vader-kind relatie te belemmeren. De voorgeschiedenis is van invloed op de houding van [minderjarige] naar de man toe. Zonder inzicht in de gevoelens, weerstand en terughoudendheid van [minderjarige] kan er geen duurzame contactregeling tot stand komen. Het vonnis van 10 oktober 2025 was slechts een richting, met een nadruk op de noodzaak van zorgvuldige begeleiding en hulpverlening. De vrouw benadrukt dat zij het contact tussen de man en [minderjarige] niet tegenwerkt maar dat zij dit juist stimuleert. [minderjarige] ervaart echter spanning en weerstand in het contact met de man, mede omdat hij zich niet gehoord of onveilig bij de man voelt. Omdat de vrouw recent een intensief EMDR-traject heeft doorlopen, acht zij het nu niet verantwoord om deel te nemen aan een zwaar traject bij [hulpverlening] . Zij blijft bereid tot hulpverlening mits dit in een verantwoord tempo plaatsvindt en dit haar herstel niet ondermijnt. De vrouw vindt een raadsonderzoek naar wat nodig is om tot contactherstel tussen de man en [minderjarige] te komen, wenselijk.
Tijdens de zitting is door en namens de man samengevat aangevoerd dat er al meerdere trajecten zijn ingezet en dat er al twee kort gedingprocedures zijn gevoerd. Het inzetten van nog een traject zal voor verdere vertraging zorgen en de situatie verslechteren. Er is in het afgelopen jaar veel gebeurd. Hoe langer er wordt gewacht met het opstarten van de contacten tussen de man en [minderjarige] , hoe moeilijker dit wordt en hoe meer [minderjarige] van de man gaat vervreemden. Er moet nu duidelijkheid voor [minderjarige] komen dat hij contact met zijn vader mag hebben. De verwijten over en weer moeten stoppen want daardoor blijft [minderjarige] klem zitten.
Het gaat in de ogen van de man steeds mis met de contactregeling omdat er geen regeling op papier staat waaraan alle betrokkenen zich moeten houden. De situatie is sinds het vonnis van 10 oktober 2025 niet veranderd. Als het contactherstel niet wordt doorgezet, blijft de mening en de weerstand van [minderjarige] in stand. De man heeft hulpverleningsinstanties ingeschakeld en kaartjes en cadeaus gestuurd maar er is daarop geen enkele reactie gekomen en het traject bij [hulpverlening] is door de vrouw stopgezet.
Van de zijde van de vrouw is tijdens de zitting samengevat gesteld dat zij inmiddels open staat voor een traject vanuit [hulpverlening] . De vrouw betwist dat er sinds het vonnis van
10 oktober 2025 niets veranderd is. Zoals afgesproken, heeft zij met [minderjarige] gepraat maar stond hij er niet voor open om iets met de man te gaan doen. [minderjarige] wilde de man wel een berichtje sturen maar de reactie van de man daarop viel verkeerd bij [minderjarige] . De vrouw kon daarna niet meer verder komen met [minderjarige] . Zij wil niets liever dan dat [minderjarige] een fijn contact heeft met de man. De man kan zijn houding veranderen. Zo kan de man de focus op [minderjarige] leggen wanneer [minderjarige] bij hem is en kan hij iets alleen met [minderjarige] ondernemen. Ook is het al enige tijd geleden dat de man [minderjarige] een berichtje heeft gestuurd. De vrouw wil evenmin dat het uitblijven van contact tussen de man en [minderjarige] nog langer duurt omdat de afstand steeds groter wordt. De vrouw stelt voor dat de contacten onder begeleiding van mevrouw [persoon 1] of mevrouw [persoon 2] kunnen starten.
4. Het standpunt en het advies van de Raad
De vertegenwoordiger van de Raad heeft aangegeven dat de man en [minderjarige] nu al acht maanden geen contact met elkaar hebben. Het wordt dan lastiger om tot contactherstel te komen. Van belang is dat er geluisterd wordt naar [minderjarige] maar het is niet de bedoeling dat hem gevraagd blijft worden of hij contact met de man wil. Niet gebleken is dat er sprake is van kindermishandeling of -misbruik of van zaken die een bedreiging voor de ontwikkeling van [minderjarige] zouden zijn. Er zijn inmiddels diverse instanties bij het gezin betrokken geweest maar een en ander heeft nergens toe geleid. Wanneer er enkel een traject in het kader van UHA wordt ingezet, duurt het vier tot zes maanden voordat dit daadwerkelijk kan starten. De weerstand van [minderjarige] is dan alleen maar groter geworden. Voor het verrichten van een raadsonderzoek is er op dit moment sprake van een wachttijd van zes maanden. In deze is van belang dat er direct wordt gekeken naar wat nodig is voor een contactherstel. Een mogelijkheid is dat mevrouw [persoon 2] of mevrouw [persoon 1] enkele contactmomenten begeleidt zodat de sfeer daarvan kan worden bekeken. Daarvoor is het wel van belang dat de vrouw de man informeert over zaken rondom [minderjarige] . Een frequentie van eenmaal per maand is dan passend. De man kan alvast starten met het sturen van kaartjes naar [minderjarige] met daarop een korte tekst. Het doorverwijzen van partijen naar een traject in het kader van UHA is wel raadzaam. Wanneer dat traject niet tot een resultaat leidt dan wordt er hiervan een melding gedaan aan de Raad en kan de Raad een onderzoek starten, indien de Raad dit nodig acht.
5. De beoordeling
Hoofdverblijf
Op het zelfstandige verzoek van de vrouw dat de rechtbank het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar bepaalt, is van toepassing artikel 1:253a, lid 2, onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Hierin staat dat de rechtbank op verzoek van de ouders of van één van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder andere omvatten de beslissing bij welke ouder het kind het hoofdverblijfplaats heeft.
In zijn verzoekschrift heeft de man in randnummer 3. gesteld dat hij er geen bezwaar tegen heeft dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw wordt bepaald. De rechtbank zal dit verzoek dan ook toewijzen als na te melden, nu haar dit niet onrechtmatig voorkomt en dit in het belang van [minderjarige] wordt geacht.
Vervangende toestemming inschrijving voetbalvereniging
In zijn verweerschrift op de zelfstandige verzoeken van de vrouw heeft de man in randnummer 17. gesteld dat de inschrijving van [minderjarige] bij [voetbalvereniging 2] te [woonplaats 1] is achterhaald nu hij heeft ingestemd met de inschrijving van [minderjarige] op een andere voetbalclub.
Gelet op deze stelling van de man kan het verzoek van de man zoals hiervoor in 3.1. onder IV. vermeld, niet meer worden onderzocht. Dit verzoek zal de rechtbank dan ook afwijzen.
Bijdrage kosten in verzorging en opvoeding
De (aanvullende) zelfstandige verzoeken van de vrouw tot de vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] zullen op een ander moment op een zitting bij het cluster Familie van deze rechtbank worden behandeld. Partijen ontvangen hierover nog verdere informatie.
Zorg- en contactregeling
Op het verzoek van de man tot de vaststelling van een zorg- en contactregeling, zoals opgenomen in 3.1. onder I., zijn van toepassing de artikelen 1:253a en 1:377e BW.
In artikel 1:377e BW is opgenomen dat de rechtbank op verzoek van een ouder/de ouders een bestaande zorgregeling kan wijzigen als de omstandigheden inmiddels zijn veranderd of als de rechtbank die regeling heeft vastgesteld op grond van onjuiste of onvolledige gegevens.
Uit de stukken en uit de behandeling op zitting staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. De man heeft gesteld dat de wijziging van de omstandigheden volgt uit het feit dat hij en [minderjarige] op dit moment al geruime tijd geen contact meer met elkaar hebben. De vrouw heeft dit niet betwist. De man kan daarom in diens verzoek worden ontvangen.
Aan de beoordeling van de rechtbank ligt vervolgens voor de vraag of dit verzoek van de man kan worden toegewezen. De rechtbank moet dan volgens artikel 1:253a BW een zodanige beslissing nemen die zij in het belang van het kind vindt. De rechter moet eerst bekijken of de ouders met elkaar afspraken kunnen maken (artikel 1:253a lid 5 BW).
Tijdens de zitting heeft de rechter uitgebreid gesproken met partijen en hun advocaten. De vertegenwoordiger van de Raad heeft partijen en de rechter geadviseerd.
De rechter constateert dat beide partijen in de stukken en tijdens de zitting de behoefte ervaren om zaken uitgebreid toe te lichten en dat zij daarbij ieders standpunt sterk naar voren willen laten komen. Er worden door partijen vele incidenten aangehaald en ook wordt er over zaken gesproken uit het verleden. Hoewel de rechtbank goed begrijpt dat partijen dit doen uit liefde voor en betrokkenheid op [minderjarige] , maakt dit alles wel dat er al lange tijd sprake is van een zeer onrustige situatie, waarbij de nodige emoties telkens weer naar voren komen. Deze situatie is sterk voelbaar voor [minderjarige] . Hij ziet het allemaal gebeuren en daar reageert hij op. Hij creëert een copingsmechanisme en van daaruit maakt hij noodgedwongen keuzes.
Er is veel gebeurd tussen partijen. De rechtbank wil dit niet negeren. Het is echter naar het oordeel van de rechtbank in het belang van [minderjarige] om vanaf nu vooruit te gaan kijken. [minderjarige] heeft grote behoefte aan rust, duidelijkheid, structuur en veiligheid. Het is van belang dat partijen een situatie kunnen laten ontstaan waarin zij op ouderschapsniveau constructief kunnen samenwerken. Wanneer zij dit ook gezamenlijk kunnen uitdragen naar [minderjarige] , kan [minderjarige] gaan zien en ervaren dat hij onbelast contact met beide ouders kan hebben. Dit kan de nodige rust in de situatie terug brengen.
Partijen hebben tijdens de zitting beiden aangegeven dat het inzetten van hulpverlening voor hen noodzakelijk is. Ook zijn zij het er met elkaar over eens dat het contact tussen de man en [minderjarige] hersteld moet worden. Enerzijds dient de hulpverlening zich te richten op het contactherstel tussen de man en [minderjarige] , anderzijds is hulpverlening van belang om de communicatie en samenwerking tussen partijen te verbeteren.
In de door hen overgelegde stukken hebben partijen eerder voorstellen gedaan tot het aangaan van een traject in het kader van het UHA en tot het door de Raad verrichten van een onderzoek. Beide hulpverleningsvormen gaan echter op dit moment gemoeid met veel tijd omdat er sprake is van (lange) wachttijden. Dit wordt door geen van de aanwezigen op zitting wenselijk geacht. De man en [minderjarige] hebben al geruime tijd geen contact meer met elkaar en de weerstand van [minderjarige] tegen contact met de man neemt niet af. Het is daarom van belang dat er met het inzetten van het contactherstel op korte termijn kan worden gestart.
In het licht van het voorgaande is met partijen gekomen tot de volgende afspraken. Partijen waren het aanvankelijk eens over het inzetten van een hulpverleningstraject bij [hulpverlening] . De vrouw kon daarvoor op enig moment om haar moverende redenen niet meer open staan maar tijdens de zitting heeft zij verklaard daartoe alsnog (weer) bereid te zijn. Zij heeft toegezegd contact op te nemen met [hulpverlening] voor het starten van dat traject. De advocaat van de vrouw zou de rechtbank informeren of [hulpverlening] bereid is om het hulpverleningstraject te starten.
Daarnaast zijn partijen met elkaar op de zitting overeengekomen dat het contact tussen de man en [minderjarige] hersteld zal worden in de vorm van contacten begeleid door mevrouw [persoon 2] . De advocaat van de man dan wel van de vrouw zou daartoe contact opnemen met mevrouw [persoon 2] . Wanneer zou blijken dat mevrouw [persoon 2] niet binnen een maand kon starten met de begeleide contacten dan zou mevrouw [persoon 1] worden benaderd en gevraagd of zij de contacten wil begeleiden. De rechtbank zou worden geïnformeerd over wie de begeleiding van de contacten op zich zal nemen.
Voor het goed verlopen van de contacten is van belang dat de man op de hoogte is over de recente ontwikkelingen van [minderjarige] . Nu [minderjarige] bij de vrouw verblijft, is zij ook wettelijk verplicht om de man hiervan op de hoogte te stellen.
Desgevraagd heeft de vrouw op zitting verklaard dat zij de man niet over zaken rondom [minderjarige] informeert. Partijen zijn er op zitting echter mee akkoord gegaan dat de vrouw de man met ingang van 22 maart 2026 en vanaf dan elke derde zondag van de maand zal informeren over [minderjarige] .
Verder zijn partijen het er met elkaar over eens dat er een videobelmoment zal plaatsvinden op 1 april 2026, zijnde de verjaardag van [minderjarige] . De vrouw zal de man op die dag om 07:30 uur facetimen. Wanneer [minderjarige] dit moment spannend vindt, zal de vrouw bij het videomoment blijven. De man zal het videomoment kort houden. De vrouw zal vooraf met [minderjarige] bespreken wat er is afgesproken op de zitting zodat [minderjarige] daarop voorbereid is. De rechtbank acht het daarbij van belang dat de vrouw daarbij naar [minderjarige] uitstraalt dat zij achter de afspraken staat en dat zij hem daarmee emotionele toestemming geeft om het contact met de man aan te gaan.
Met inachtneming van het voorgaande is met partijen besproken dat de rechtbank de zaak zal aanhouden, in eerste instantie in afwachting van de hiervoor vermelde berichtgeving van de advocaten van partijen en vervolgens in afwachting van het verloop van de op te starten (hulpverlenings)trajecten. De zaak zal op een nader te bepalen datum op een zitting worden gepland.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank de berichtgeving van de advocaten ontvangen. Namens de man is, anders dan op zitting is besproken, aangegeven dat partijen inmiddels in onderling overleg afspraken aan het maken zijn over het herstelcontact tussen [minderjarige] en de man. Om die reden is het voorgenomen traject met mevrouw [persoon 2] ‘on hold’ gezet. De man acht het raadzaam dat partijen zich wenden tot [hulpverlening] . Mevrouw [persoon 2] en [hulpverlening] zullen daarom daarvoor nu nog niet ingeschakeld worden maar pas als er in onderling overleg niet tot herstelcontact wordt gekomen. De advocaat van de man verzoekt om de zaak aan te houden en te beslissen zoals ter zitting overeengekomen is.
Van de zijde van de vrouw wordt bevestigd wat namens de man is bericht.
In aanvulling daarop stelt de advocaat van de vrouw dat [hulpverlening] helaas niet de mogelijkheid heeft om de zaak opnieuw te openen. Hulpverlening is echter wel wenselijk voor het geval dat partijen in onderling overleg niet tot (verder) contactherstel kunnen komen. Om onnodige vertraging te voorkomen, verzoekt de advocaat om partijen door te verwijzen naar een hulpverleningstraject in het kader van het UHA. Ook namens de vrouw wordt verzocht de zaak aan te houden in afwachting van de huidige ontwikkelingen.
Gelet op de ontwikkelingen die zich na afloop van de zitting hebben voorgedaan, geeft de rechtbank partijen een groot compliment dat zij op eigen initiatief met elkaar in gesprek zijn gegaan om te proberen om tot een herstel van het contact tussen de man en [minderjarige] te komen. Hiermee laten partijen zien dat zij in het belang van [minderjarige] willen en kunnen denken en handelen.
De rechtbank zal daarom, zoals door partijen is verzocht, de zaak aanhouden tot na te melden pro forma datum in afwachting van (nadere) schriftelijke berichtgeving van de advocaten van partijen over het verloop van de huidige ontwikkelingen. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in het belang van [minderjarige] deze tijd gebruiken en dat zij hun uiterste best zullen doen om tot goede afspraken met elkaar te komen.
Wanneer dit partijen lukt, dienen de advocaten de rechtbank hierover te berichten, waarbij kan worden aangegeven of een nadere zitting gewenst is of dat de zaak op dit verzoek schriftelijk kan worden afgedaan. In het geval dat partijen een nadere zitting wensen, zal dit tezamen met het (aanvullend) zelfstandig verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] worden behandeld door het cluster Familie van deze rechtbank. Wanneer het partijen onverhoopt toch niet lukt om met elkaar tot overeenstemming en afspraken te komen rondom het contact tussen de man en [minderjarige] dan kunnen zij zich ook wenden tot het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) voor het inzetten van een hulpverleningstraject. Gezien het tijdsverloop en de nieuw ontstane ontwikkelingen, zal de rechtbank van de afspraken van partijen zoals hiervoor zijn opgenomen in 5.11, voor nu alleen de afspraak ten aanzien van het door de vrouw informeren van de man vaststellen. Het staat partijen uiteraard vrij om hierover in onderling overleg andere afspraken te maken.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016, zijn hoofdverblijf heeft bij de vrouw;
bepaalt dat de vrouw de man met ingang van 22 maart 2026 en vanaf dan elke derde zondag van de maand zal informeren over belangrijke gebeurtenissen rondom [minderjarige] ;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van deze zaak aan tot 4 augustus 2026 pro forma, in afwachting van bericht van de advocaten van partijen over het resultaat van het overleg van partijen en de manier waarop de zaak verder moet worden afgedaan, met inachtneming van hetgeen in 5.14. is opgenomen;
wijst af het verzoek van de vrouw, zoals opgenomen in 3.1.1, onder IV;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bogaert, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026 in aanwezigheid van Dekkers, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.