RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
zaak/rolnr.: 11804383 / CV EXPL 25-2416
vonnis d.d. 11 maart 2026
in de zaak van
VDKB B.V.,
gevestigd te Bergen op Zoom,
eisende partij,
hierna te noemen: VDKB,
gemachtigde: AGIN Timmermans Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde partij] h.o.d.n. [bedrijf],
gevestigd te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
De procesgang blijkt uit de volgende stukken:
a. de dagvaarding van 3 juli 2025 met producties;
b. het mondelinge antwoord met producties;
c. de aantekeningen van de griffier met betrekking tot de mondelinge behandeling van 2 februari 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Partijen hebben op 9 april 2019 een overeenkomst met elkaar gesloten (hierna: de overeenkomst). Op basis van de overeenkomst betaalde [gedaagde partij] jaarlijks een totaalbedrag van eerst € 2.500,00 per jaar aan VDBK voor het verrichten van administratieve, boekhoudkundige en fiscale werkzaamheden. Dit bedrag werd jaarlijks geïndexeerd.
De overeenkomst is beëindigd per 31 juli 2024.
Op 3 september 2024 heeft VDKB een e-mailbericht gestuurd aan [gedaagde partij] . Daarin staat voor zover relevant het volgende:
“(…)Jouw aangifte IB 2023 moet nog wel worden ingediend en voorzien van de cijfers 2023.
Dat wil ik graag zo simpel mogelijk houden en dan op regie basis factureren.
Ik heb dan nog wei jouw privé gegevens van 2023 nodig (zie checklist).(…)”
Op 5 november 2024 heeft VDKB een e-mailbericht gestuurd aan [gedaagde partij] . Daarin staat voor zover relevant het volgende:
“(…) Jouw IB 2023 Is momenteel nog niet ingediend
Daarmee hangt ook samen het opstellen van de balans en winst- en verliesrekening over 2023.
Kun je aangeven of wij deze werkzaamheden nog dienen op te pakken? Of een tijdstip noemen waarin.je dit wilt of kunt afronden?(…)”
Op 26 november 2024 heeft [gedaagde partij] op dit e-mailbericht gereageerd. Daarin staat voor zover relevant het volgende:
“(…)2023 zouden jullie nog doen idd.
Ik zal zsm de gevraagde vragenlijst even naar jullie mailen zodat je alles hebt om het af te ronden. Volgens mij is dat het enige wat je nog nodig hebt toch?(…)”
Na het beëindigen van de overeenkomst heeft VDKB nog werkzaamheden voor [gedaagde partij] verricht. Hiervoor heeft VDKB op 1 januari 2025 een factuur met nummer [nummer] aan [gedaagde partij] gestuurd. Het totaalbedrag van deze factuur is € 1.337,05. Deze factuur heeft [gedaagde partij] onbetaald gelaten.
3. Het geschil
VDKB vordert om [gedaagde partij] bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan VDKB te betalen:
- € 1.607,24, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 1.337,05 vanaf 27 juni 2025;
- de proceskosten.
VDKB legt aan haar vordering ten grondslag dat VDKB en [gedaagde partij] na het beëindigen van de overeenkomst een nieuwe overeenkomst zijn aangegaan op basis waarvan de werkzaamheden die VDKB uitvoert op regiebasis worden gefactureerd (hierna: de nieuwe overeenkomst). Uit hoofde van de nieuwe overeenkomst heeft VDKB van [gedaagde partij] het bedrag van € 1.337,05 te vorderen zoals gespecificeerd is in de factuur met factuurnummer [nummer] . Nu [gedaagde partij] niet heeft betaald binnen de betalingstermijn van 14 dagen, is zij in verzuim.
[gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van de vordering en stelt daartoe dat er geen nieuwe overeenkomst tot stand is gekomen waarin is afgesproken dat oude werkzaamheden op regiebasis afgemaakt zouden worden. De afspraak is dat de overeenkomst werd ontbonden na Q2 2024 en dat het lopende werk - zijnde onder andere het jaarwerk van 2023 - zou worden afgemaakt onder de voorwaarden van de overeenkomst. Er is geen nieuw werk in opdracht gegeven en er kan dus geen sprake zijn van werk op regiebasis. Mocht er toch sprake zijn van werken op regiebasis, dan dienen de reeds betaalde reserveringen voor jaarwerk in zowel 2023 als 2024 verrekend te worden.
4. De beoordeling
Geen nieuwe overeenkomst tot stand gekomen
Op grond van artikel 6:217 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) komt een overeenkomst tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. VDKB heeft gesteld dat zij eind 2024 jaarwerk voor het jaar 2023 voor [gedaagde partij] heeft verricht en dat [gedaagde partij] heeft ingestemd met het aanbod van VDKB om deze werkzaamheden te doen op regiebasis. Zij heeft zich ter onderbouwing van deze stelling beroepen op de hiervoor onder de feiten genoemde e-mailberichten van 3 september 2024, 5 november 2024 en 26 november 2024. Volgens VDKB blijkt uit deze e-mailberichten dat zij heeft aangeboden om op regiebasis de werkzaamheden voor de aangifte IB 2023 voor [gedaagde partij] te verrichten en dat [gedaagde partij] dit aanbod heeft aanvaard door niet te protesteren na de e-mail van 3 september 2024 en door de benodigde gegevens voor deze werkzaamheden aan te leveren.
De kantonrechter is van oordeel dat uit de e-mailberichten waarop VDKB zich beroept geen aanvaarding van [gedaagde partij] kan worden afgeleid van het aanbod van VDKB om de werkzaamheden voor de aangifte IB 2023 na het beëindigen van de overeenkomst op regiebasis uit te voeren. [gedaagde partij] heeft niet gereageerd op de mail van VDKB van 3 september 2024 en een aanbod kan niet stilzwijgend aanvaard worden. Er is een voldoende bepaalde aanvaarding vereist. Dat [gedaagde partij] op 26 november 2024 heeft toegezegd dat zij de gevraagde informatie zou aanleveren, maakt dit niet anders aangezien zij dat gedaan heeft naar aanleiding van de e-mail van 5 november 2024 en er in de e-mailwisseling van november 2024 niet gesproken wordt over facturering op regiebasis. De aanvaarding moet inhoudelijk met het aanbod overeenstemmen.
Daarmee is niet vast komen te staan dat partijen zijn overeengekomen dat het jaarwerk voor het jaar 2023 op regiebasis gefactureerd zou worden. De vordering van VDKB zal om die reden worden afgewezen.
Proceskosten
VDKB is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden vastgesteld op € 100,00 aan reis-, verblijf- en verletkosten.
5. De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vordering af,
veroordeelt VDKB in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde partij] begroot op € 100,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dam, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.