RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
zaak/rolnr.: 11848087 / CV EXPL 25-2763
vonnis d.d. 13 mei 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Deurwaarderskantoor Van Lith B.V.,
tegen
[gedaagde] , h.o.d.n. [bedrijf] ,
gevestigd te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
De procesgang blijkt uit de volgende stukken:
a. de dagvaarding van 1 augustus 2025 met producties;
b. het mondelinge antwoord;
c. het e-mailbericht van de gemachtigde van [eiser] van 20 maart 2026 met producties;
d. de aantekeningen van de griffier met betrekking tot de mondelinge behandeling van 30 maart 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Partijen hebben in februari 2023 een mondelinge bemiddelingsovereenkomst gesloten op grond waarvan [gedaagde] heeft bemiddeld in de verkoop van een auto, een Volkswagen EOS met [kenteken], die eigendom was van [eiser] (hierna: de auto).
De auto is op 14 juni 2024 op een andere naam gezet.
3. Het geschil
[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 5.756,25 te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 5.000,00 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele betaling, te vermeerderen met de proceskosten.
Aan haar vordering legt [eiser] ten grondslag dat op grond van de tussen partijen gesloten bemiddelingsovereenkomst [gedaagde] de opbrengst van de auto na de verkoop aan [eiser] over had moeten maken. [eiser] stelt dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] de auto van [eiser] zou proberen te verkopen voor een bedrag van € 5.000,00, maar dat [gedaagde] de auto heeft verkocht zonder dit aan [eiser] te melden en zonder haar hiervoor te betalen. Daarom is [gedaagde] aan [eiser] een bedrag verschuldigd van € 5.000,00.
[gedaagde] betwist dat hij een bedrag van € 5.000,00 verschuldigd is aan [eiser] . De afspraak was in eerste instantie dat hij de auto zou verkopen voor € 5.000,00, maar hij stelt dat er van alles mis was met de auto en dat hij de auto uiteindelijk voor € 3.250,00 heeft verkocht. Hij stelt voorts dat hij aan [eiser] een bedrag van € 1.000,00 heeft betaald, maar dat hij hier geen papieren van heeft. Hij erkent dat hij nog € 2.250,00 moet betalen. Hij heeft hier echter de financiële middelen niet voor, omdat hij leeft van een AOW-uitkering en hier beslag op ligt. Hij zou € 50,00 per maand kunnen aflossen.
4. De beoordeling
Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] zou bemiddelen bij de verkoop van de aan [eiser] in eigendom toebehorende auto. Partijen zijn het erover eens dat de afspraak was dat [gedaagde] de auto zou verkopen en leveren aan een koper, tegen betaling van € 5.000,00 door die koper. De tussen partijen gesloten overeenkomst kwalificeert aldus als een bemiddelingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:425 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). In onderhavig geval is de auto verkocht, geleverd en overgeschreven op naam van de koper, maar is het overeengekomen bedrag niet bij [eiser] terecht gekomen. Door de auto te leveren aan de koper en niets te betalen aan [eiser] , is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van de bemiddelingsovereenkomst. [eiser] kan om die reden nakoming vorderen en aanspraak maken op de overeengekomen verkoopprijs.
[gedaagde] stelt dat hij de auto niet voor € 5.000,00 maar voor € 3.250,00 heeft verkocht. Dit blijkt ook uit de door hem overgelegde factuur van de verkoop. [eiser] betwist echter dat zij akkoord is gegaan met een lagere verkoopprijs en stelt dat zij niets anders zijn overeengekomen dan dat hij de auto zou verkopen voor € 5.000,00. [gedaagde] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt wanneer en op welke manier er door [eiser] akkoord is gegeven op de verkoop voor een lagere prijs waardoor de kantonrechter niet kan vaststellen dat partijen op een later moment iets anders overeen zijn gekomen dan de originele afspraak. Het verweer van [gedaagde] slaagt daarom niet.
Het voorgaande brengt met zich dat de door [eiser] gevorderde hoofdsom van
€ 5.000,00 zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding.
Buitengerechtelijke incassokosten
De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
Proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden vastgesteld op:
- dagvaarding € 149,71
- griffierecht € 257,00
- salaris gemachtigde € 720,00 (2 punten x tarief € 360,00)
- nakosten € 144,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.270,71
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.756,25 vermeerderd met de wettelijke rente over € 5.000,00 vanaf 1 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten van € 1.270,71, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet op tijd aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dam, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.