RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
Samenvatting
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1903
(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college.
1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak het beroep van eiseres tegen de beslissing op bezwaar van 6 februari 2025, waarbij het college de weigering van het verzoek tot wijzing van persoonsgegevens in de basisregistratie personen (BRP) heeft gehandhaafd. De rechtbank beoordeelt het beroep onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd heeft en dus mocht nemen. Eiseres krijgt geen gelijk. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 8 maart 2023 heeft eiseres een verzoek ingediend bij het college om haar persoonsgegevens (te weten: geslachtsnaam, voornaam, geboortedatum, geboorteplaats en nationaliteit) in de BRP te wijzigen.
Het college heeft op 18 december 2023 het verzoek geweigerd (het primaire besluit). Eiseres heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
Op 6 februari 2025 heeft het college de beslissing op bezwaar genomen, waarbij het bezwaar ongegrond is verklaard (het bestreden besluit).
Eiseres heeft hier op 20 maart 2025 beroep tegen ingesteld. Het college heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres en haar gemachtigde deelgenomen. Namens het college was mr. [naam 1] aanwezig.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst, omdat zij nog niet over alle informatie beschikte die nodig was om het onderzoek te kunnen afronden.
De rechtbank heeft op 19 januari 2026 een aanvullende schriftelijke reactie van het college ontvangen. Hierop heeft eiseres op 24 februari 2026 gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank op 22 april 2026 het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Beroepsgronden
3. Eiseres voert – kort samengevat – aan dat het college het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd heeft.
Het toetsingskader
4. De wettelijke bepalingen die van belang zijn voor deze zaak, staan in bijlage 1 bij deze uitspraak.
De BRP bevat persoonsgegevens over de ingezetenen van Nederland. In artikel 2.58 van de Wet BRP is geregeld hoe een verzoek om wijziging van die gegevens moet worden beoordeeld. In deze zaak is daarbij vooral artikel 2.8, tweede lid, van de Wet BRP van belang. Daarin is een rangorde aangegeven voor de zogenaamde brondocumenten bij de beoordeling van gegevens over feiten die zich buiten Nederland hebben voorgedaan.
In een uitspraak van 22 oktober 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het beoordelingskader omtrent voor verzoeken tot wijziging van persoonsgegevens in de BRP aangepast. Aan de hand van dit beoordelingskader beoordeelt de rechtbank dit beroep. Van dit nieuwe beoordelingskader heeft de Afdeling een stroomschema gemaakt. Dit stroomschema is als bijlage 2 bij deze uitspraak gevoegd.
Beoordeeld moet worden of buiten redelijke twijfel uit de overgelegde brondocumenten, zo nodig bezien in samenhang met de daarmee verband houdende nadere bewijsmiddelen, volgt dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn. Als dat het geval is, en het brondocument van gelijke of hogere orde is dan het document of de verklaring op grond waarvan de eerdere inschrijving heeft plaatsgevonden, wordt het gegeven, of worden de gegevens waar het in dat geval om gaat, in de BRP gewijzigd.
Het beroep op het motiveringsbeginsel
5. De rechtbank stelt voorop dat ze, mede gelet op de taalanalyse van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, ervan uitgaat dat de huidige persoonsgegevens van eiseres in de BRP niet correct zijn. Dit laat echter onverlet dat een wijzigingsverzoek wel moet voldoen aan de regels voor wijzigingen in de BRP.
Het geboortebewijs
6. Naar de mening van eiseres stelt het college ten onrechte dat het geboortewijs geen bewijskracht heeft.
Het college erkent dat het geboortebewijs een brondocument in de zin van artikel 2.8, tweede lid, onder c, van de Wet BRP is. Daarmee is aan stap 1 van het stroomschema voldaan. Op grond van stap 2 moet het college, bij twijfel aan de juistheid of rechtsgeldigheid van de feiten in het geboortebewijs, aannemelijk maken dat kennelijk geen behoorlijk onderzoek is gedaan voorafgaand aan de afgifte van het geboortebewijs.
Het college stelt naar het oordeel van de rechtbank terecht dat de afgifte van het geboortebewijs alleen is gebaseerd op de verklaring (‘sworn affidavit’) van [naam 2]. Volgens het college is deze verklaring onvoldoende om de juistheid van de feiten in het geboortebewijs vast te stellen, onder meer omdat het een verklaring is van iemand die volgens de verklaring tien jaar was toen eiseres werd geboren. Daarnaast ontbreekt enig ander schriftelijk bewijs dat de verklaring bevestigt. Het document geeft er ook geen blijk van dat nader onderzoek is gedaan naar de inhoud van de verklaring. De latere verklaring van [naam 3] bevestigt weliswaar de verklaring van [naam 2], maar heeft niet ten grondslag gelegen aan de afgifte van het geboortebewijs.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het college aannemelijk gemaakt heeft dat kennelijk geen behoorlijk onderzoek aan de afgifte van het geboortebewijs ten grondslag heeft gelegen. Dit betekent dat dit geboortebewijs op zichzelf onvoldoende is om op basis daarvan de daarin vermelde gegevens over te nemen in de BRP.
Het paspoort
7. Eiseres stelt ook dat het college ten onrechte ervan uit is gegaan dat het paspoort geen bewijskracht heeft.
Wederom stelt de rechtbank vast dat aan stap 1 van het stroomschema voldaan is. Het college erkent namelijk dat het door eiseres aangeleverde paspoort een brondocument is in de zin van artikel 2.8, tweede lid, onder d, van de Wet BRP. Bij stap 2 moet het college wederom, bij twijfel aan de juistheid of rechtsgeldigheid van de feiten in het geboortebewijs, aannemelijk maken dat kennelijk geen behoorlijk onderzoek is gedaan voorafgaand aan de afgifte van het paspoort.
Het college stelt daarbij dat het paspoort is afgegeven op grond van het geboortebewijs. Zoals in rechtsoverweging 6.3 al is geoordeeld, heeft het college aannemelijk gemaakt dat daaraan kennelijk geen behoorlijk onderzoek ten grondslag heeft gelegen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het college terecht stelt dat het vastleggen van biometrische gegevens, het verrichten van een taalonderzoek en het maken van een pasfoto onvoldoende is om de juistheid van de persoonsgegevens in het paspoort te bevestigen. Het zegt wel iets over de relatie tussen het paspoort en de aanvrager van dat paspoort. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het college aannemelijk gemaakt heeft dat kennelijk geen behoorlijk onderzoek aan de afgifte van het paspoort ten grondslag heeft gelegen. Ook het paspoort is dus onvoldoende om de BRP te wijzigen.
De overige documenten
8. Eiseres meent dat het college de overige documenten (te weten: de brief van de advocaat, de registratie van geboorten van 19 januari 2009, de verklaring van de National Population Commission (NPC), de ‘attestation letter’ van de NPC, de verklaring van [naam 3] en de verklaring van [naam 2]) niet zomaar terzijde mag schuiven. Deze documenten vormen namelijk een nadere onderbouwing van de juistheid van de gegevens in de brondocumenten.
Voor de rechtbank staat voldoende vast dat de documenten van de NPC en de registratie van geboorten d-documenten zijn. Ook staat voor de rechtbank voldoende vast dat de verklaringen van [naam 2] en [naam 3] d-documenten zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan de brief van de advocaat niet worden aangemerkt als een brondocument en heeft deze geen toegevoegde waarde.
De rechtbank stelt vervolgens vast dat de verklaring en de ‘attestation letter’ van de NPC gebaseerd zijn op het geboorteregister en de verklaring van [naam 3]. De gegevens worden ook bevestigd door de verklaring van [naam 2].
Het college betwist dat een verband kan worden gelegd tussen eiseres en de gegevens in het geboorteregister. Gelet op stap 3 van het stroomschema dient het college hierover gemotiveerd twijfels aan te geven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college dit gedaan. Het college hecht namelijk geen waarde aan beide verklaringen, mede omdat het familieverband tussen eiseres en deze twee personen niet aannemelijk is gemaakt. De rechtbank kan het college hierin volgen.
Vervolgens is het volgens het stroomschema aan eiseres om aannemelijk te maken dat het verband tussen de gegevens in het geboorteregister en eiseres wel bestaat. Op dit moment heeft eiseres dat naar het oordeel van de rechtbank nog onvoldoende gedaan. Ook de overige documenten zijn dus onvoldoende om de persoonsgegevens van eiseres in de BRP te wijzigen. De rechtbank is van oordeel dat het verband bijvoorbeeld aannemelijk gemaakt kan worden door een familieverband tussen eiseres en [naam 3] en/of [naam 2] aan te tonen.
9. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, slaagt het beroep van eiseres op het motiveringsbeginsel niet.
Conclusie en gevolgen
10. De rechtbank is van oordeel dat het college het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd heeft en dus mocht nemen. Het beroep is dus ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ze krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
De beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier, op 1 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage 1: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving (voor zover relevant)
Wet basisregistratie personen (Wet BRP)
Artikel 2.7, lid 1,
a. In de BRP worden over de ingeschrevene uitsluitend de volgende gegevens opgenomen:
1° gegevens over de burgerlijke staat waar het betreft de naam, de geboorte, het geslacht, de ouders, het huwelijk, dan wel geregistreerd partnerschap en eerdere huwelijken of eerder geregistreerde partnerschappen, de echtgenoot dan wel geregistreerd partner en eerdere echtgenoten of geregistreerde partners, de kinderen en het overlijden;
[…]
Artikel 2.8, lid 2
De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:
Artikel 2.58