Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-220268-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 2 juni 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1974 in [geboorteplaats 1] ,
wonende aan het adres [adres] ,
nu gedetineerd in [PI] ,
raadsvrouw mr. C.J.I.F. van Beek, advocaat in Goes.
1. Het onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 mei 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.C. Fimerius en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
Kort en feitelijk weergegeven komt de verdenking erop neer dat verdachte op 29 juli 2025 in [plaats 1] een 14-jarige leerling van hem heeft verkracht (feit 1) en aangerand (feit 2). Daarnaast is de verdenking dat verdachte in de periode van 1 april 2024 tot en met 30 juli 2025 kinderporno heeft vervaardigd (gemaakt), heeft verworven, in zijn bezit heeft gehad en zich daartoe de toegang heeft verschaft (feit 3).
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
Verdachte heeft de feiten gepleegd. Bij feit 3 kan alleen het vervaardigen en het in bezit hebben van kinderporno worden bewezen. De officier van justitie vindt verder dat op de foto’s niet is te zien dat een persoon oraal of vaginaal wordt gepenetreerd (foto’s #03 en #010 van de collectiescan).
Het standpunt van de verdediging
Verdachte ontkent het met de penis penetreren van de vagina en tussen de schaamlippen (het vierde gedachtestreepje onder feit 1). Wat betreft de kinderporno (feit 3) is op de foto’s niet te zien dat een persoon oraal of vaginaal wordt gepenetreerd (foto’s #03 en #010 van de collectiescan). Verder zijn alle foto’s eind 2024 verwijderd, zodat geen sprake meer is van bezit daarvan. Verdachte moet daarom van deze delen van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Voor het overige bekent verdachte de feiten.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1 en feit 2
Verdachte heeft een veertienjarige leerling van hem verkracht en aangerand. Verdachte en deze leerling hebben allebei verklaard over de seksuele handelingen die hebben plaatsgevonden. Het gaat om pijpen, beffen, aftrekken, vingeren, (tong)zoenen en het betasten van de borsten en billen.
Verdachte heeft ontkend dat sprake is geweest van penetratie met de penis in de vagina. Toch vindt de rechtbank dit ook bewezen. Verdachte en de leerling hebben beiden verklaard dat zij twee keer hebben geprobeerd op deze manier seks te hebben. Over de tweede keer verklaart de leerling dat ze iets in haar vagina voelde gaan, maar dat ze denkt dat hij er niet helemaal in was. Op het klembord van haar telefoon stond in de als laatst gekopieerde tekst ‘ik was heel gespannen dus t zat er half in en t deed fuckung veel pijn’. Op de zitting heeft verdachte voor het eerst verklaard dat hij met zijn vinger heeft gevoeld of seks mogelijk was. Verdachte zou tot de conclusie zijn gekomen dat dit niet mogelijk was. De rechtbank vindt deze verklaring niet aannemelijk en stelt vast dat verdachte deels met zijn penis in de vagina van de leerling is geweest.
Feit 3
Verdachte heeft kinderporno gemaakt door seksuele foto’s van de minderjarige [slachtoffer 1] te maken. Hij heeft ook dergelijke foto’s van haar ontvangen. Hij heeft deze foto’s daardoor gedurende een bepaalde periode in bezit gehad. De rechtbank vindt niet bewezen dat op die foto’s is te zien dat de minderjarige persoon oraal of vaginaal wordt gepenetreerd met een tong, omdat zowel de verdediging als de officier van justitie ter zitting hebben gezegd dat deze handelingen niet zichtbaar zijn op de betreffende foto’s. De rechtbank gaat daar dan ook van uit.
Pleegperiode
Verdachte en [slachtoffer 1] hebben verklaard dat de foto’s zijn gemaakt of verstuurd in de periode dat zij een relatie hadden, die ongeveer duurde van de examenperiode in 2024 (in april/mei) tot januari 2025. De rechtbank kan niet met zekerheid vaststellen wanneer het bezit van die foto’s precies is geëindigd. Verdachte heeft verklaard dat hij de foto’s heeft verwijderd na het beëindigen van de relatie met [slachtoffer 1] . Uit de bevindingen van de politie blijkt dat er ten aanzien van een aantal afbeeldingen in de periode van 21 april 2025 tot en met 18 juli 2025 voor het laatst handelingen zijn verricht, zoals het wijzigen of opslaan van de afbeelding.
Daarmee staat vast dat het bezit van de foto’s op enig moment in de periode van 1 april 2024 tot en met 30 juli 2025 is geëindigd. De rechtbank vindt dus bewezen dat verdachte de foto’s in die periode heeft vervaardigd, verworven, in bezit heeft gehad en zich daartoe de toegang heeft verschaft.
Inwerkingtreding Wet seksuele misdrijven tijdens pleegperiode
De pleegperiode ligt deels vóór en deels na de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven op 1 juli 2024. Met deze wet is de strafbaarstelling van handelingen met betrekking tot kinderporno tekstueel gewijzigd en is de maximale straf met één jaar verhoogd. Verder is het wetsartikel gewijzigd van 240b naar 252 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
De rechter kan misslagen in de tenlastelegging verbeteren, als de verdachte daardoor niet in zijn verdediging wordt geschaad. De tenlastelegging is gebaseerd op de nieuwe wet. Omdat het feit deels vóór de inwerkingtreding daarvan ligt, splitst de rechtbank de bewezenverklaring in twee periodes en past zij de tenlastelegging voor de eerste periode aan de toen geldende wettekst aan. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad. Het gaat om een tekstuele wijziging, terwijl de feitelijke handelingen en de aard en strekking hetzelfde blijven. Daarnaast gold op grond van de oude wet een lager strafmaximum, dat de rechtbank niet zal overschrijden.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 29 juli 2025 te [plaats 1] , gemeente Schouwen-Duiveland, met een zijn opleiding toevertrouwd kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 2] , geboren
[geboortedag 2] -2010, seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het duwen/brengen van:
- zijn vingers in de vagina van die
[slachtoffer 2] , en
- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 2] , en
- zijn tong tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 2] , en
- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 2] ;
2
op 29 juli 2025 te [plaats 1] , gemeente Schouwen-Duiveland, met een zijn opleiding toevertrouwd kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 2] , seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- ( tong)zoenen, en
- betasten van de borsten en billen en vagina van die [slachtoffer 2] , en
- die [slachtoffer 2] zijn, verdachtes, penis laten betasten;
3
in de periode van 1 april 2024 tot en met 30 juli 2025 in Nederland,
meermalen,
(in de periode van 1 april 2024 tot en met 30 juni 2024, artikel 240b
Wetboek van Strafrecht)
afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk
de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt was betrokken
en
(in de periode van 1 juli 2024 tot en met 30 juli 2025, artikel 252 Wetboek
van Strafrecht)
visuele weergaven met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken
heeft vervaardigd en/of
verworven en/of
in bezit heeft gehad en/of
zich daartoe de toegang heeft verschaft
te weten foto's, waarop te zien is dat:
die persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij
- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en/of gekleed is en/of
opgemaakt is en/of in een omgeving en/of in
een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn leeftijd past
en/of
- die persoon zich in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van
zijn kleding ontdoet
en/of
- door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze
van kleden van die persoon en/of de uitsnede van de foto’s/films
nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en/of billen van die persoon
in beeld worden gebracht
(collectiescan #01, #02, #04, #05, #06, #07, #08, #09)
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert een gevangenisstraf van 6 jaar en een verbod om gedurende 10 jaar als docent voor minderjarige leerlingen te werken. Daarnaast vordert zij een maatregel op grond van artikel 38v Sr, inhoudende een contactverbod met slachtoffer [slachtoffer 2] en een locatieverbod voor [plaats 2] voor de duur van 5 jaar met 2 weken vervangende hechtenis per overtreding van het verbod met een maximum van 6 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van maximaal 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Als daarnaast een voorwaardelijk strafdeel wordt opgelegd, wordt verzocht dit alleen onder de algemene voorwaarde te doen. Bijzondere voorwaarden zijn niet nodig. Een eventueel locatieverbod moet worden beperkt tot een gebied rondom de woning van [slachtoffer 2] en niet voor geheel [plaats 2] gelden.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft de toen veertienjarige [slachtoffer 2] verkracht en aangerand, terwijl hij haar docent was en 36 jaar ouder. Hij heeft een vertrouwensrelatie met [slachtoffer 2] opgebouwd en haar veelvuldig persoonlijke en seksueel getinte berichten gestuurd, waarmee hij de grenzen van een normale relatie tussen een docent en een minderjarige leerling in zeer ernstige mate heeft overschreden. Hij heeft haar gezegd berichten te verwijderen vanwege de mogelijke gevolgen voor hemzelf. Uiteindelijk heeft hij de grenzen nog verder overschreden door [slachtoffer 2] bij hem thuis uit te nodigen en daar seksuele handelingen met haar te verrichten. In de periode voorafgaand aan het contact met [slachtoffer 2] had verdachte een (seksuele) relatie met een andere minderjarige leerling, van wie hij seksueel getinte foto’s heeft gemaakt en gekregen. Hierdoor heeft verdachte verschillende handelingen met betrekking tot kinderporno verricht. Dat verdachte tot twee keer toe seksueel contact heeft gehad met een leerling van hem, is zeer zorgelijk te noemen.
Door zijn handelen heeft verdachte op ernstige wijze de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer 2] in zeer ernstige mate geschonden en haar normale en gezonde seksuele ontwikkeling doorkruist. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke delicten later ernstige nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Uit de stukken bij de vordering tot schadevergoeding en de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat dit nu al het geval is: [slachtoffer 2] ervaart klachten die haar dagelijks functioneren beperken en kampt met PTSS-klachten.
Eendaadse samenloop
Met betrekking tot feit 1 en feit 2 is sprake van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, Sr. De bewezen verklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet of slechts enigszins uiteenloopt.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Hieruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van psycholoog [psycholoog] van 11 december 2025. Hieruit volgt dat verdachte lijdt aan een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol. Ten tijde van het tenlastegelegde bestond deze stoornis al enkele jaren en speelde deze in toenemende mate een rol. In de periode waarin het contact met [slachtoffer 2] plaatsvond, was verdachte geregeld onder invloed van grote hoeveelheden alcohol, waardoor zijn gewetensfuncties deels buiten werking waren. Verdachte wist dat alcohol een negatieve invloed op hem kon hebben, maar heeft daar niet naar gehandeld. Hij heeft wel hulp gezocht, maar alleen online en daarmee op een manier die niet goed aansluit bij de verslavingsproblematiek. Ondanks zijn alcoholgebruik was verdachte in staat zijn wil in vrijheid te bepalen. Geadviseerd wordt het tenlastegelegde volledig toe te rekenen aan verdachte.
Het recidiverisico wordt vooralsnog laag ingeschat. Op langere termijn zijn het niet hebben van werk, het opgeven van zijn huidige woning en het niet hebben van een partnerrelatie voor verdachte vermoedelijk lastig te hanteren omstandigheden, maar deze zullen het recidiverisico niet wezenlijk verhogen. Het alcoholgebruik is een probleem. Een gerichte face-to-face behandeling in het verslavings- of forensische circuit kan dit risico binnen aanvaardbare grenzen houden. Daarmee blijft het risico op het opnieuw plegen van een zedendelict naar de mening van de psycholoog laag. Verdachte heeft behandeling nodig om het alcoholgebruik, ook na de huidige gedwongen abstinentie, binnen maatschappelijk en persoonlijk aanvaardbare grenzen te houden en te krijgen in zijn gebrekkige controle hierover. Gelet op de diagnostische conclusies en het lage recidiverisico ziet de psycholoog geen aanleiding om interventies of voorwaarden te adviseren.
De rechtbank volgt de conclusie van de psycholoog over de volledige toerekeningsvatbaarheid van verdachte en neemt deze over.
Straf
Gelet op de aard en ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd, vindt de rechtbank een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, passend en noodzakelijk. Met het voorwaardelijk strafdeel beoogt de rechtbank verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en het opleggen van bijzondere voorwaarden mogelijk te maken.
Anders dan de psycholoog vindt de rechtbank behandeling gericht op het alcoholgebruik in het strafrechtelijke kader van belang, zodat deze behandeling niet vrijblijvend is. Gelet op de stoornis in het gebruik van alcohol die speelde ten tijde van de verkrachting en aanranding van [slachtoffer 2] en de omstandigheid dat verdachte in de periode daarvoor – toen ook al sprake was van problematiek op het gebied van alcohol – een (seksuele) relatie heeft gehad met een andere leerling, is van belang dat de behandeling verplicht wordt.
De rechtbank zal bij het voorwaardelijk strafdeel als bijzondere voorwaarden opleggen een meldplicht bij de reclassering, een behandelverplichting gericht op het alcoholgebruik, een contactverbod met [slachtoffer 2] en een locatieverbod voor een afgebakend deel van [plaats 2] waarin de woning van [slachtoffer 2] is gelegen. De rechtbank ziet geen noodzaak voor een locatieverbod voor heel [plaats 2] .
Bijkomende straf
Als een verdachte bepaalde misdrijven in de uitoefening van een beroep pleegt, kan die verdachte van de uitoefening van dat beroep worden ontzet. Hier is sprake van. Verdachte was werkzaam als docent op een middelbare school en gaf les aan minderjarigen. De rechtbank ziet op grond van de aard van de feiten, in combinatie met de omstandigheid dat verdachte de feiten heeft gepleegd als docent van de slachtoffers en vanuit die positie nauw contact met de slachtoffers heeft opgebouwd dat uiteindelijk tot de feiten heeft geleid, aanleiding om de ontzetting van het recht om het beroep van docent van minderjarigen of een soortgelijke functie uit te spreken. Van groot belang is dat wordt verzekerd dat verdachte voor een langere periode niet meer in aanraking zal komen met minderjarigen in de uitoefening van zijn beroep. De rechtbank zal deze bijkomende straf opleggen voor de duur van 10 jaren.
Maatregel
Omdat een contactverbod en een locatieverbod worden opgelegd als bijzondere voorwaarden bij het voorwaardelijk strafdeel, ziet de rechtbank geen aanleiding om daarnaast een maatregel op grond van artikel 38v Sr op te leggen.
7. Het beslag
De onttrekking aan het verkeer
De inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een telefoon van het merk Xiaomi, een computer van het merk Medion en een computer van het merk Dell, worden onttrokken aan het verkeer. De voorwerpen zijn hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om die voorwerpen te onttrekken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
Op deze gegevensdragers is kinderporno aangetroffen. Deze waren opgeslagen in een cache-map van een software-applicatie, wat betekent dat ze meestal niet direct zichtbaar zijn voor de gebruiker. Om de inhoud van die bestanden te bekijken, is doorgaans speciale (digitaal-forensische) software en de kennis en vaardigheden om deze te gebruiken nodig. Dergelijke tools zijn desondanks laagdrempelig beschikbaar. Onder die omstandigheden is teruggave van de gegevensdragers in strijd met de wet en het algemeen belang.
8. De vordering van de benadeelde partij
Vordering
De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 20.567,08 voor feit 1 en 2, bestaande uit € 567,08 aan materiële schade en € 20.000,= aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ter zitting heeft de benadeelde partij aangeven dat een deel van de vordering ter hoogte van € 140,48 (betreffende kleding) niet langer wordt gehandhaafd. Verder is toegelicht dat het bedrag dat ziet op de parkeerkosten met € 0,70 moet worden verminderd. Op die onderdelen van de vordering hoeft dus niet te worden beslist.
Oordeel rechtbank
De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Materiële schade
De reiskosten voor het bijwonen van de zitting van 16 oktober 2025 en voor het slachtoffergesprek op 18 mei 2026 worden door de verdediging niet betwist. Op grond van vaste rechtspraak betreffen reiskosten voor het bijwonen van een zitting of het voeren van een slachtoffergesprek echter geen rechtstreekse materiële schade als gevolg van een strafbaar feit en komen deze kosten dus niet in aanmerking voor vergoeding. De rechtbank zal dit deel van de vordering (een bedrag van € 81,18) dan ook afwijzen.
Subsidiair heeft de benadeelde partij gevorderd de reiskosten voor het bijwonen van de zitting van 16 oktober 2025 toe te wijzen als proceskosten, omdat de raadsvrouw van de benadeelde partij bij die zitting niet aanwezig is geweest. Uit de wet volgt dat in zaken waarin partijen in persoon kunnen procederen, de in het ongelijk gestelde partij kan worden veroordeeld in reis- en verblijfskosten van de wederpartij, indien de wederpartij zonder gemachtigde procedeert. De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft zich op 7 augustus 2025 gesteld voor de benadeelde partij, wat betekent dat de benadeelde partij ten tijde van de zitting van 16 oktober 2025 al procedeerde met een gemachtigde (ondanks haar afwezigheid ter zitting). De wet biedt daarom geen grondslag voor het toewijzen van de gevorderde reiskosten als proceskosten. Ook de subsidiaire vordering zal daarom worden afgewezen.
Ten aanzien van de overige gevorderde reis- en parkeerkosten geldt dat dit deel van de vordering pas twee dagen voor de inhoudelijke behandeling ter zitting is ingediend, en de onderbouwing van dit deel van de vordering door middel van stukken pas anderhalf uur voor de zitting. De raadsvrouw van verdachte heeft aangegeven dat zij door die late indiening niet in de gelegenheid is geweest dit deel van de vordering met verdachte te bespreken en zij zich dus onvoldoende heeft kunnen voorbereiden. Ter zitting is een toelichting voor de late indiening van dit deel van de vordering uitgebleven, terwijl een groot deel van de in de aanvulling genoemde posten al ten tijde van indiening van de vordering bekend moesten zijn gelet op de in de aanvulling genoemde data.
Door de late indiening van de aanvulling is aan de verdediging de mogelijkheid ontnomen om zich hierop gedegen te kunnen voorbereiden. In dat licht is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in dit gedeelte van de vordering. De rechtbank is van oordeel dat aanhouding van de zaak voor dit gedeelte van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 20.000,= aan immateriële schadevergoeding gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij geestelijk letsel heeft opgelopen, namelijk PTSS. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van het toe te kennen bedrag acht geslagen op de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en de gevolgen voor de benadeelde partij zoals is gebleken uit de onderbouwing van de vordering. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse Schaal, waarbij de rechtbank van oordeel is dat de verkrachting valt onder de categorie ‘tamelijk ernstig’, waarvoor een bandbreedte van € 6.000,= tot € 12.500,= wordt genoemd, en de aanbevelingen voor verhoging van het bedrag in specifieke gevallen. De rechtbank overweegt dat het ging om twee momenten op één dag waarop de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden en dat deze zich niet over een langere periode hebben uitgestrekt, maar ook dat de benadeelde partij als gevolg van de feiten onder meer PTSS heeft. Alles afwegend is vergoeding van € 8.000,= billijk.
Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan, mede gelet op de betwisting daarvan door de verdediging en nu (de omvang van) de schade onvoldoende is onderbouwd. Verdere behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Toekomstige schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.000,= als voorschot voor toekomstige schade (bijvoorbeeld kosten i.v.m. hoger beroep). Deze schade is nog niet geleden, maar wordt mogelijk in de toekomst wel geleden, aldus de benadeelde partij. De benadeelde partij zal voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de schade nu nog niet is geleden en onduidelijk is hoe hoog de eventuele toekomstige schade zal zijn.
Conclusie
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding is toewijsbaar tot een bedrag van € 8.000,= aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 29 juli 2025.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
BEM-clausule
De rechtbank zal, omdat de benadeelde partij op dit moment nog minderjarig is, bepalen dat de aan haar te betalen immateriële schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van haar te openen spaarrekening met een zogenoemde BEM (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen)-clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en de wettelijke vertegenwoordigers kunnen daarom slechts met toestemming van de kantonrechter hierover beschikken tot zij 18 jaar is.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 28, 31, 36b, 36c, 36f, 55, 57, 240b (oud), 245, 248, 252, 254 en 254a Sr zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
Eendaadse samenloop van:
feit 1: verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren, begaan jegens een anderszins aan de opleiding van diegene toevertrouwd kind,
en
feit 2: aanranding in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren,
begaan jegens een anderszins aan de opleiding van diegene toevertrouwd
kind;
feit 3: een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, vervaardigen, verwerven, in bezit hebben en zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaffen;
en
een visuele weergave met een onmiskenbare seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen, verwerven, in bezit hebben en zich de toegang daartoe verschaffen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich na het ingaan van de proeftijd zal melden bij Reclassering Nederland en zich zal blijven melden op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zolang deze instelling dat nodig vindt;
* dat verdachte zich tijdens de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, mee zal werken aan behandeling bij een nader te bepalen zorginstelling, te bepalen door de reclassering, gericht op begrenzing van het gebruik van alcohol en het verkrijgen van inzicht op zijn gebrekkige controle op zijn gebruik, en zich zal houden aan de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling en, indien de reclassering dit noodzakelijk acht, meewerkt aan de controle op het gebruik van alcohol middels urinecontroles en/of blaastesten;
* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met slachtoffer [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 3] 2010 te [geboorteplaats 2] ;
* dat verdachte zich tijdens de proeftijd niet bevindt in [plaats 2] in de [straat 1] , [straat 2] , [straat 3] , [straat 4] , [straat 5] , [straat 6] , [straat 7] , [straat 8] , [straat 9] en [straat 10] ;
- van rechtswege geldende voorwaarden daarbij zijn:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Bijkomende straf - ontzet verdachte van het recht het beroep van docent voor minderjarigen of een soortgelijke functie uit te oefenen voor de duur van tien jaren;
Benadeelde partij
T.a.v. feit 1 en 2
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 8.000,= aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 29 juli 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- bepaalt dat de te betalen immateriële schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer 2] te openen (spaar)rekening met een BEM-clausule;
- wijst het deel van de vordering dat ziet op reiskosten (16 oktober 2025 en 18 mei 2026) ter hoogte van € 81,18 af;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , € 8.000,= te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 29 juli 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat de te betalen immateriële schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer 2] te openen (spaar)rekening met een BEM-clausule;
- bepaalt dat bij niet betaling 65 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Beslag
- verklaart aan het verkeer onttrokken de volgende voorwerpen:
* telefoon, merk Xiaomi, goednummer PL2000-2025200447-2889377;
* computer, merk Medion, goednummer PL2000-2025200447-2889895;
* computer (notebook), merk Dell, goednummer PL2000-2025200447-2889896.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter,
en mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en B. Akdikan, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.J. van der Welle, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 2 juni 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 29 juli 2025 te [plaats 1] , gemeente
Schouwen-Duiveland
met een zijn zorg, waakzaamheid en/of opleiding toevertrouwd kind in
de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 2] , geboren
[geboortedag 2] -2010,
een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden
uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
het duwen/brengen van:
- zijn vingers in de vagina, althans tussen de schaamlippen, van die
[slachtoffer 2] , en/of
- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 2] , en/of
- zijn tong tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 2] , en/of
- zijn penis in de vagina, althans tussen de schaamlippen, van die
[slachtoffer 2] ;
( art 248 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 29 juli 2025 te [plaats 1] , gemeente
Schouwen-Duiveland
met een zijn zorg, waakzaamheid en/of opleiding toevertrouwd kind in
de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 2]
een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- ( tong)zoenen, en/of
- betasten van de borsten en/of billen en/of vagina van die [slachtoffer 2] ,
en/of
- die [slachtoffer 2] zijn, verdachtes, penis laten betasten;
( art 247 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
3
hij in of omstreeks de periode van 1 april 2024 tot en met 30 juli 2025 te
[plaats 1] , gemeente Schouwen-Duiveland, althans in Nederland,
meermalen, althans eenmaal,
een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met
onmiskenbaar seksuele strekking
waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet
had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken
heeft
vervaardigd en/of
ingevoerd en/of
doorgevoerd en/of
uitgevoerd en/of
verworven en/of
in bezit heeft gehad en/of
zich daartoe de toegang heeft verschaft
te weten foto's,
waarop te zien is dat:
die persoon oraal, vaginaal wordt gepenetreerd met een tong
(collectiescan #03, #10)
en/of
die persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij
- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en/of gekleed is en/of
opgemaakt is en/of in een omgeving en/of in
een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn leeftijd past
en/of
- die persoon zich in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van
zijn kleding ontdoet
en/of
- door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze
van kleden van die persoon en/of de uitsnede van de foto’s/films
nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en/of billen van die persoon
in beeld worden gebracht
(collectiescan #01, #02, #04, #05, #06, #07, #08, #09)
art. 252 Wetboek van Strafrecht)