RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/436044 / HA ZA 25-322
Vonnis van 28 januari 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: de Rabobank,
advocaat: mr. B.A.J. Uitman,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
te [plaats 1] ,
niet verschenen,2. [gedaagde 2],
te [plaats 2] ,
advocaat: mr. L.R. Ridderbroek,
gedaagde partijen,
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 22 oktober 2025;
- de mondelinge behandeling van 21 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;- de akte vermindering van eis.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] dreven samen een vennootschap onder firma met de naam ‘[V.O.F.]’ [gedaagde 1] en [gedaagde 2] waren de enige vennoten.
De Rabobank heeft de onderneming van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een rekening-courant van € 40.000,- en twee geldleningen van respectievelijk € 37.500,- en € 12.500,- verstrekt.
De Rabobank heeft alle kredietovereenkomsten op 16 februari 2021 opgezegd.
3. Het geschil
De Rabobank vordert na vermindering van eis - samengevat – hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van € 98.378,61, vermeerderd met rente en kosten. De aanvankelijk gevorderde hoofdsom bedroeg € 128.028,-
De Rabobank legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in gebreke zijn gebleven met betalingen die zij op basis van de kredietovereenkomsten verschuldigd waren. De Rabobank heeft de kredietovereenkomsten daarom opgezegd. Ten tijde van de opzegging op 16 februari 2021 waren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] € 98.378,61 verschuldigd.
[gedaagde 2] heeft in de conclusie van antwoord de aanvankelijk gevorderde hoofdsom betwist voor zover deze het bedrag van € 98.378,61 te boven ging. [gedaagde 2] erkent het na vermindering van eis gevorderde bedrag hoofdelijk verschuldigd te zijn. [gedaagde 2] heeft aangevoerd dat, indien van meet af aan het juiste bedrag was gevorderd, er een lager tarief aan griffierecht van toepassing was geweest. Zij had in dat geval bovendien niet in de procedure hoeven te verschijnen. Nu zij dit als gevolg van het onjuiste bedrag in de dagvaarding wel heeft gedaan, heeft zij extra kosten gemaakt. [gedaagde 2] verzoekt de rechtbank hiermee rekening te houden bij het vaststellen van de proceskosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
[gedaagde 1] is niet verschenen in de procedure, [gedaagde 2] wel. Tegen [gedaagde 1] is daarom op 25 juni 2025 verstek verleend. De procedure tegen [gedaagde 2] is voortgezet. Dit vonnis geldt tegen beide gedaagden als vonnis op tegenspraak (artikel 140 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).
[gedaagde 2] heeft de na vermindering van eis gevorderde hoofdsom van € 98.378,61 niet betwist. Zij heeft evenmin verweer gevoerd tegen de over dit bedrag gevorderde wettelijke rente en de gestelde hoofdelijke aansprakelijkheid. De vordering zal dan ook worden toegewezen.
De vordering jegens [gedaagde 1] komt niet onrechtmatig of ongegrond voor en is reeds daarom toewijsbaar.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [gedaagde 2] wel verschenen is en [gedaagde 1] niet, zullen de proceskosten, voor zover zij daarvoor niet hoofdelijk aansprakelijk zijn, worden gesplitst. Over de proceskosten wordt verder het volgende overwogen.
[gedaagde 2] heeft aangevoerd dat zij meer kosten heeft moeten maken als gevolg van de te hoge hoofdsom in de dagvaarding. De hoogte van het griffierecht van eiser wordt doorgaans echter bepaald aan de hand van het toe te wijzen bedrag. Dat betekent dat de kosten van het griffierecht aan de zijde van eiser in beginsel op € 2.995,- worden begroot in plaats van € 6.861,-. De vermindering van eis heeft daarnaast geen invloed op de hoogte van het tarief voor het salaris voor de advocaat. Voor wat betreft de tarieven van griffierecht en salaris voor de advocaat ondervindt [gedaagde 2] dan ook geen nadeel.
De rechtbank acht het aannemelijk dat [gedaagde 2] niet in procedure zou zijn verschenen als zij voor het juiste bedrag was gedagvaard. Tegen het toewijsbare bedrag van € 98.378,61 is immers geen verweer gevoerd, maar wel tegen het hogere bedrag. Ondanks de moeilijke financiële situatie van [gedaagde 2] is zij daarom in de procedure verschenen, waarvoor € 2.723,- aan griffierecht betaald is. Als gevolg van het verweer is de eis met bijna € 30.000,- verminderd en is door de Rabobank op de mondelinge behandeling erkend dat het oorspronkelijk gevorderde bedrag niet juist was. De extra kosten voor [gedaagde 2] betreffen naast het griffierecht voor de gedaagde partij een extra punt salaris voor de advocaatkosten van eiser en de kosten die zij zelf voor rechtsbijstand heeft gemaakt.
Van de zijde van de Rabobank is betoogd dat de extra gemaakte kosten voor rekening van [gedaagde 2] moeten blijven, omdat [gedaagde 2] ook in het voortraject bezwaar had kunnen maken tegen de hoofdsom. Van de zijde van [gedaagde 2] is in reactie daarop gewezen op de e-mail van [gedaagde 2] aan het door de Rabobank ingeschakelde incassobureau van 21 oktober 2024, waarin zij vragen stelt over de hoogte van het verschuldigde bedrag (productie 14 bij dagvaarding). De rechtbank verwerpt het verweer van de Rabobank dat in deze e-mail geen uitdrukkelijk bezwaar wordt gemaakt tegen de hoofdsom; de Rabobank had naar aanleiding van de opmerkingen van [gedaagde 2] kunnen opmerken dat het bedrag van € 128.028,- te hoog was. [gedaagde 2] kan wel aangerekend worden dat zij (volgens haar eigen advocaat) pas zo laat juridische bijstand heeft gezocht dat haar advocaat de hoofdsom niet meer vóór de procedure ter discussie kon stellen.
Gelet op de bovengenoemde omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding af te wijken van de gebruikelijke begroting van de proceskosten. Het toepasselijke griffierecht van eiser zal worden verminderd met de kosten die gedaagde aan griffierecht heeft gemaakt. Dit betekent dat er (€ 2.995,- – € 2.723,-) = € 272,- resteert. Er worden wel twee punten aan het salaris voor de advocaat toegekend. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden in dit hele bedrag aan salaris hoofdelijk veroordeeld. De rechtvaardiging hiervan is gelegen in de omstandigheid dat [gedaagde 1] voordeel heeft gehad van het verweer dat namens [gedaagde 2] is gevoerd (de eis is ook jegens hem verminderd en er is een lager bedrag aan griffierecht toegekend). [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden elk afzonderlijk (dus niet hoofdelijk) veroordeeld voor de dagvaardingskosten (€ 147,81), te vermeerderen met de wettelijke rente. Voor de dagvaardingskosten wordt geen veroordeling in de nakosten uitgesproken.
Op grond van het voorgaande begroot de rechtbank proceskosten van de Rabobank voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk als volgt:
- griffierecht
€
272,00
- salaris advocaat
€
3.858,00
(2 punten × € 1.929,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.308,00
De gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
De gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring zal als niet weersproken worden toegewezen.
5. De beslissing
De rechtbank
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan de Rabobank te betalen een bedrag van € 98.378,61, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 17 mei 2021, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 4.308,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de bovenstaande proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
veroordeelt [gedaagde 1] in de dagvaardingskosten van € 147,81 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
veroordeelt [gedaagde 2] in de dagvaardingskosten van € 147,81 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Burgh en in het openbaar bij vervroeging uitgesproken op 28 januari 2026.