ECLI:NL:RBZWB:2026:4874

ECLI:NL:RBZWB:2026:4874

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 03-06-2026
Datum publicatie 02-06-2026
Zaaknummer 02.213508.24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Veroordeling mishandeling minderjarige dochters. Taakstraf 120 uren, met aftrek, waarvan 60 uren voorwaardelijk.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02.213508.24

Vonnis van de meervoudige kamer van 3 juni 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

correspondentieadres: [adres] ,

raadsvrouw mr. S.M.E. van Fraaijenhove van der Maas, advocaat te Breda.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 mei 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Nijboer en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van zijn drie kinderen, [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert partiële vrijspraak van het slaan met de theedoek op/tegen de kont van [slachtoffer 3] , nu verdachte de enige is die daarover heeft verklaard en [slachtoffer 3] niet heeft verklaard dat daardoor pijn of letsel is ontstaan. Zij vordert daarnaast partiële vrijspraak van het spugen/tuffen op [slachtoffer 3] omdat dit niet kan worden gekwalificeerd als mishandeling. De overige gedachtestreepjes kunnen wettig en overtuigend worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de meest ernstige verwijten – het slaan tegen het gezicht, het grijpen bij de kaak en keel, het bespugen, het verbale misbruik en de psychische mishandeling door de waarneming van de mishandelingen – omdat voldoende zelfstandig en objectief steunbewijs ontbreekt. Het dossier bevat enkel de verklaringen van drie minderjarige kinderen hierover. Daarnaast kunnen de door verdachte erkende gedragingen – het slaan met de theedoek op/tegen de kont van [slachtoffer 3] en het geven van een draai aan de oren van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] – niet worden gekwalificeerd als mishandeling.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat in de woning van verdachte op 1 juli 2024 een ruzie is geweest tussen verdachte en zijn twee minderjarige dochters [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Op dat moment was zijn zoon [slachtoffer 1] ook in de woning aanwezig.

Verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling. De vermeende gedragingen van verdachte zijn onder 7 gedachtestreepjes ten laste gelegd. De rechtbank zal hierna per gedachtestreepje overwegen of het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Gedachtestreepje 1: het met een theedoek slaan op/tegen de kont van [slachtoffer 3] :

De rechtbank kan op grond van het dossier niet vaststellen dat bij [slachtoffer 3] als gevolg van het slaan met de theedoek door verdachte pijn, letsel of een hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam is ontstaan of dat [slachtoffer 3] als gevolg daarvan in haar gezondheid is benadeeld. Gelet hierop spreekt de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde onder gedachtestreepje 1.

Gedachtestreepje 3: het spugen/tuffen op/tegen/in het gezicht althans het lichaam van [slachtoffer 3] :

In het algemeen wordt het bespugen van iemand in de maatschappij als een belediging aangemerkt. Onder omstandigheden kan dit evenwel ook worden aangemerkt als mishandeling indien dit een hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam tot gevolg heeft. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat dit het geval is geweest. [slachtoffer 3] heeft weliswaar verklaard dat haar vader op haar heeft ‘getuft’, maar zij heeft niet verklaard wat dit met haar heeft gedaan. Dit brengt mee dat verdachte zal worden vrijgesproken van het derde gedachtestreepje.

Gedachtestreepje 6: het uitschelden, kleineren en/of denigreren van [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] & Gedachtestreepje 7: [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] getuige laten zijn van huiselijk geweld:

De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of psychische mishandeling – indien bewezen – valt onder de reikwijdte van artikel 300 lid 4 Sr. De rechtbank is van oordeel dat dit in de onderhavige zaak niet het geval is en verwijst naar de conclusie van de AG, ECLI:NL:PHR:2026:238. Indien de verweten gedragingen al kunnen worden bewezen, leveren het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende bewijs op dat deze gedragingen als een strafbare mishandeling kunnen worden gekwalificeerd in die zin dat bij de slachtoffers pijn, letsel of een hevige onlust veroorzakende gewaarwording is ontstaan of dat de slachtoffers als gevolg daarvan in hun gezondheid zijn benadeeld. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het ten laste gelegde onder de gedachtestreepjes 6 en 7.

Gedachtestreepje 5: het vastpakken en omdraaien van het oor van [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] :

Verdachte heeft tijdens zijn aanhouding aan de politie bekend dat hij boos was geworden op zijn dochters en hen een draai om de oren had gegeven, waarbij hij hen echt aan hun oor had vastgepakt. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij beide dochters een draai om de oren heeft gegeven en dat [slachtoffer 2] ‘au’ zei toen hij dat deed. Op zitting heeft verdachte herhaald dat het klopt dat hij [slachtoffer 2] bij haar oor heeft gepakt en daaraan heeft gedraaid. Gelet op deze bekennende verklaringen van verdachte bij de politie en op de zitting, acht de rechtbank het ten laste gelegde onder het vijfde gedachtestreepje bewezen, in die zin dat verdachte [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] aan het oor heeft vastgepakt en vervolgens het oor heeft omgedraaid.

Gedachtestreepje 2: het slaan van [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] op/tegen de wang of het gezicht, althans het lichaam te slaan & Gedachtestreepje 4: het pakken van [slachtoffer 3] bij haar kaak/keel/armen, althans haar lichaam:

[slachtoffer 3] heeft verklaard aan de ter plaatse gekomen politie dat haar vader haar in haar gezicht had vastgepakt en met haar hoofd tegen de muur had gegooid, een klap in haar gezicht had gegeven en haar op haar rug had geslagen. Bij het studioverhoor verklaarde [slachtoffer 3] dat verdachte haar bij haar kaak en keel pakte, haar duwde tegen de muur en haar bij haar haar pakte. Hierna sloeg hij haar hard met zijn vuist op haar achterhoofd en met de vlakke hand op haar rug.

[slachtoffer 2] heeft verklaard tegen de ter plaatse gekomen politie dat zij twee keer door haar vader in haar gezicht was geslagen en bij haar arm was gepakt.

[slachtoffer 2] verklaarde bij het studioverhoor dat zij met haar armen haar gezicht probeerde te beschermen, dat haar vader haar armen pakte en haar hard sloeg op haar arm, gezicht en wang.

De rechtbank is van oordeel dat zowel [slachtoffer 3] als [slachtoffer 2] naar de kern genomen consistent en gedetailleerd hebben verklaard over de gebeurtenissen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] betrouwbaar zijn en voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

De rechtbank is voorts van oordeel dat er voor beide verklaringen voldoende steunbewijs in het dossier zit.

De verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] ondersteunen elkaar. Zo wordt de verklaring van [slachtoffer 2] dat zij haar armen voor haar gezicht hield, ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 3] dat zij had gezien dat verdachte de armen waarmee [slachtoffer 2] zich beschermde wegtrok en haar sloeg.

Daarnaast worden de verklaringen ondersteund door de omstandigheid dat zowel [slachtoffer 3] als [slachtoffer 2] direct tegen de ter plaatse gekomen politie verklaren over de mishandeling die hen is overkomen. De politie neemt daarbij waar dat beide meisjes huilen en dat [slachtoffer 2] zelfs moet overgeven van de spanning. Verder geven ze allebei direct bij de politie aan dat zij pijn hebben, waarbij [slachtoffer 2] wijst naar haar rechterwang.

De verklaring van [slachtoffer 3] dat zij op haar wang werd geslagen en bij haar keel werd gepakt wordt verder nog ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 1] die heeft verklaard dat hij dit heeft waargenomen.

Tot slot worden er door de arts op 2 juli 2024 bij [slachtoffer 3] twee langwerpige, parallel aan elkaar lopende blauwe plekken waargenomen op de rechter bovenarm. Deze blauwe plekken passen volgens de arts bij een onderhuidse bloeduitstorting ten gevolge van het inwerken van een mechanische of samendrukkende kracht.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] niet alleen geloofwaardig en betrouwbaar zijn, maar ook voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen. Aan het wettelijk bewijsminimum wordt aldus voldaan. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt het slaan van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] op/tegen het lichaam (gedachtestreepje 2) en aan het pakken van [slachtoffer 3] bij de kaak/keel en armen (gedachtestreepje 4).

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 1 juli 2024 te [plaats] zijn kinderen, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , heeft mishandeld door

- die voornoemde [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] op/tegen het lichaam te slaan en

- die voornoemde [slachtoffer 3] bij de kaak en/of de keel en armente pakken en

- die voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] aan het oor vast te pakken en vervolgens het oor om te draaien.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn/haar strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uur, met aftrek van het voorarrest en daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met daaraan gekoppeld een proeftijd van 2 jaar. Zij vordert tevens een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen. Deze maatregel dient een contactverbod met de drie kinderen te betreffen voor een periode van 2 jaar, met een vervangende hechtenis van 1 week per keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan en met een maximale duur van 1 maand. De rechtbank wordt verzocht om te bepalen dat de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Indien de rechtbank deze maatregel niet oplegt, wordt subsidiair verzocht om de contactverboden als bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke gevangenisstraf te koppelen.

Het standpunt van de verdediging

Mocht de rechtbank komen tot een bewezenverklaring, dan wordt verzocht om in strafmatigende zin rekening te houden met de volgende omstandigheden. Er is door het NIFP geconcludeerd dat bij verdachte geen sprake is van een psychiatrische stoornis of verstandelijke beperking, hij is volledig toerekeningsvatbaar en het recidiverisico is niet verhoogd. Verdachte heeft een vaste baan en heeft recent zijn schulden afgelost. Wel heeft hij na zijn aanhouding meerdere medische problemen ondervonden. Tot slot heeft verdachte zich gehouden aan de opgelegde gedragsaanwijzingen omtrent zijn kinderen. Indien de rechtbank een contactverbod en/of locatieverbod noodzakelijk acht, wordt verzocht dit op te leggen als bijzondere voorwaarde in plaats van het opleggen van een maatregel ex artikel 38v Sr.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn twee minderjarige dochters. Deze mishandelingen bestonden uit het slaan tegen het lichaam van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] , uit het vastpakken van hun oor en daaraan draaien en uit het pakken van [slachtoffer 3] bij haar kaak, keel en armen. Dat de kinderen deze bestraffingen als pijnlijk en erg onveilig ervaren hebben, blijkt uit de verklaringen die zij in de studioverhoren hebben afgelegd en hetgeen zij hebben verteld aan politie ter plaatse. Verdachte heeft aangegeven dat het de bewuste ochtend erg hectisch was omdat de kinderen naar school en de opvang moesten. Daarbij kwam dat hij vond dat zijn dochters hadden gelogen tegen hem. Opvoedkundige onmacht kan zich wellicht voordoen bij het uitoefenen van het ouderschap maar mag nooit leiden tot het mishandelen van kinderen. Kinderen dienen door hun ouders te worden beschermd en dienen in alle rust in een veilige omgeving te kunnen opgroeien. Verdachte heeft hen deze veilige thuisomgeving echter niet geboden door de kinderen meermalen lijfelijk te straffen en hen hierbij pijn te doen. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij weinig inzicht heeft getoond in de gevolgen van zijn gedrag jegens de kinderen.

Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij eerder is veroordeeld voor mishandeling in de relationele sfeer. De rechtbank houdt hier in strafverzwarende zin rekening mee.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 13 mei 2026. Hieruit volgt dat verdachte enerzijds stabiel functioneert op de leefgebieden werk, inkomen en sociaal netwerk. Er is voor zover bekend ook geen sprake van middelenmisbruik. Anderzijds wegen de eerdere veroordeling voor relationeel geweld en de nieuwe aangiftes (betreffende (kinder)mishandeling, belaging en verkrachting) mee, hoewel hij hiervoor nog niet is veroordeeld. De reclassering weegt ook mee dat het NIFP (inzake 10.058537-25) verdachte volledig toerekeningsvatbaar acht, geen verhoogd recidiverisico ziet en dat zijn psychische spanningen zijn afgenomen. Verdachte beseft dat de hem verweten gedragingen strafbaar zijn. Een veroordeling zou echter duiden op een patroon waarbij geweld niet wordt geschuwd om benadeelden bijvoorbeeld te domineren of te dwingen tot bepaald handelen of nalaten. Verdachte heeft aangetoond de opgelegde kaders (locatie- en contactverbod inzake 10.058537-25) te respecteren. De kans op recidive wordt ingeschat op laag-gemiddeld.

Gezien de ontkennende proceshouding en het ontbreken van een geconstateerde psychische stoornis, is er geen basis voor gedragsinterventies of behandeling. Een meldplicht of reclasseringstoezicht wordt daarom niet geïndiceerd geacht.

In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop, nu de pleegdatum dateert van 1 juli 2024, waarbij de rechtbank met name meeweegt dat verdachte sindsdien geen contact meer met zijn kinderen heeft gehad Daarnaast houdt zij rekening met de omstandigheid dat verdachte als gevolg van deze strafzaak meerdere medische gevolgen ervaart.

De rechtbank zal bij de strafoplegging in het voordeel van verdachte afwijken van de eis van de officier van justitie. Dit gezien het feit dat de rechtbank, in tegenstelling tot de officier van justitie, niet uitgaat van een bewezenverklaring van de gedachtestreepjes 6 en 7.

Alles afwegend acht zij een taakstraf van 120 uur, met aftrek van het voorarrest, waarvan 60 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden. Op deze wijze wijst de rechtbank de verdachte er op dat zijn gedrag jegens de kinderen onaanvaardbaar is en dat hij, zodra hij zich wederom schuldig zou maken aan dergelijke handelingen, geconfronteerd zal worden met de thans voorwaardelijk opgelegde straf, naast een eventueel op te leggen nieuwe straf. De rechtbank vindt een stok achter de deur in de komende periode van belang.

De rechtbank ziet geen aanleiding om contactverboden met de dochters op grond van een maatregel ex artikel 38v of als bijzondere voorwaarden op te leggen. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat er, zoals de raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd, civiele procedures betreffende onder meer de omgang met de kinderen aanhangig zijn; de rechtbank gaat ervan uit dat in het kader daarvan gecontroleerd contact tussen verdachte en zijn kinderen onderwerp van aandacht zal moeten kunnen zijn. Het dossier bevat onvoldoende aanwijzingen dat verdachte met zijn kinderen ongecontroleerd contact zal gaan zoeken of dat er anderszins gevaar is voor de kinderen. Daarnaast wordt het recidiverisico door de reclassering laag tot gemiddeld ingeschat. Aan de vereisten voor het opleggen van een dergelijke maatregel of bijzondere voorwaarde wordt dan ook niet voldaan.

7. De vorderingen van de benadeelde partijen

[slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 400,- aan immateriële schade.

Verdachte is (partieel) vrijgesproken van de gedragingen waaruit de schade voor [slachtoffer 1] zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]

De benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] vorderen ieder een schadevergoeding van

€ 700,- aan immateriële schade.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 3] . Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partijen en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partijen te vergoeden.

De benadeelden hebben aangevoerd dat zij nadelige (psychische) gevolgen hebben ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Deze gevolgen zijn niet weersproken.

Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en de ernst van de normschending door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in eer of goede naam. Dit betekent dat een vergoeding van de immateriële schade op zijn plaats is. Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank vergoeding door verdachte van een bedrag van € 300,- per persoon billijk, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2024. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

De benadeelde partijen zullen voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 1 juli 2024.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 300, 304 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze taakstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf naar rato van 2 uur per dag;

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 300,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2024 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 2] , € 300,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2024 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 3 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Benadeelde partij [slachtoffer 3]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van € 300,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2024 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 3] , € 300,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2024 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 3 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Louwerse, voorzitter, en mr. R. Combee en mr. J. van Riet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.B.H. van Overveld, griffier,

en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 juni 2026.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 1 juli 2024 te [plaats] , althans in Nederland,

zijn kind(eren), [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ,

heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]

meermalen, althans eenmaal

- die voornoemde [slachtoffer 3] met een theedoek op/tegen de kont, althans het lichaam te

slaan en/of

- die voornoemde [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] op/tegen de wang en/of het gezicht, althans

het lichaam te slaan en/of

- die voornoemde [slachtoffer 3] op/tegen/in het gezicht, althans het lichaam te

spugen/tuffen en/of

- die voornoemde [slachtoffer 3] bij/aan de kaak en/of de keel en/of armen, althans het

lichaam te pakken en/of

- die voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] bij/aan het oor/de oren vast te pakken en/of

(vervolgens) het oor/de oren om te draaien

- die voornoemde [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] uit te schelden en/of te kleineren en/of

denigrerend toe te spreken met de woorden: "kanker" en/of "kankerkind" waardoor

de (geestelijke) gezondheid van die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] is benadeeld en/of

- die voornoemde [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] getuige te doen zijn van huiselijk

geweld (gericht tegen haar/zijn zus(sen)) waardoor de (geestelijke) gezondheid van

die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] is benadeeld;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 304 lid 1 ahf/sub 1° Wetboek van

Strafrecht )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand