[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. L.J. de Rijke),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 1 mei 2025.
Belanghebbende en zijn [werkgever] B.V. (de werkgever) hebben de inspecteur gezamenlijk verzocht om toepassing van de bewijsregel (de 30%-regeling) als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, aanhef en onderdeel e, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB), gelezen in verband met artikel 10e, tweede lid, onderdelen a en b, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB).
De inspecteur heeft het verzoek bij beschikking van 20 december 2024 afgewezen. Daartegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van belanghebbende deelgenomen. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] deelgenomen. Belanghebbende was niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het verzoek om toepassing van de 30%-regeling ten onrechte heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur het verzoek om toepassing van de 30%-regeling terecht afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4. Belanghebbende staat met ingang van 5 augustus 2019 ingeschreven in de Nederlandse gemeentelijke basisadministratie.
Belanghebbende is met ingang van 17 juni 2024 werkzaam voor de werkgever.
Tot de start van de tewerkstelling bij de inhoudingsplichtige was belanghebbende niet eerder in loondienst bij een Nederlandse werkgever.
Belanghebbende is op 6 maart 2023 vanuit Nederland naar Italië vertrokken om een opdracht uit te voeren voor een andere werkgever.
Motivering
Was belanghebbende een ingekomen werknemer?
5. Belanghebbende heeft een gezamenlijk verzoek met de werkgever gedaan om toepassing van de 30%-regeling. Voor partijen is daarbij alleen in geschil of belanghebbende een ingekomen werknemer is. Belanghebbende stelt een ingekomen werknemer te zijn omdat zijn woonplaats in de periode voorafgaand van de tewerkstelling niet in Nederland was gelegen en 150 kilometer buiten de landsgrens was gelegen. De inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie is aldus belanghebbende niet doorslaggevend ter bepaling waar een persoon zijn sociale betrekking en leven heeft. De inspecteur voert aan dat belanghebbende inwoner was van Nederland op het moment van ondertekening van de arbeidsovereenkomst. Belanghebbende stond namelijk vanaf 5 augustus 2019 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie, had sindsdien een woning ter beschikking en had zijn banden met Nederland niet verbroken.
Om een ingekomen werknemer te zijn, moet belanghebbende in de periode van 24 maanden voorafgaand van de tewerkstelling 16 maanden woonachtig zijn geweest op een afstand van meer dan 150 kilometer van de Nederlandse grens. Belanghebbende is vanaf 17 juni 2024 werkzaam bij de werkgever. Dit betekent dat belanghebbende in de periode van 16 juni 2022 tot en met 16 juni 2024 minimaal 16 maanden woonachtig moet zijn geweest op een afstand van meer dan 150 kilometer van de Nederlandse grens.
Belanghebbende is vanaf 5 augustus 2019 ingeschreven in de Nederlandse gemeentelijke basisadministratie en stelt vanaf 6 maart 2023 te zijn vertrokken naar Italië voor een opdracht bij een andere werkgever. Belanghebbende is daarna naar Roemenië gegaan om daar te werken. Ook als belanghebbende in de gehele periode vanaf 6 maart 2023 tot en met 16 juni 2024 op een afstand van 150 kilometer van de Nederlandse grens woonachtig is geweest, voldoet belanghebbende niet aan de voorwaarden van 16 maanden. Belanghebbende is dan namelijk maar voor een periode van 15 maanden en 11 dagen woonachtig geweest in het buitenland. Belanghebbende is daardoor geen ingekomen werknemer en voldoet niet aan de voorwaarden van de 30%-regeling. De inspecteur heeft het verzoek om toepassing van de 30%-regeling naar het oordeel van de rechtbank terecht afgewezen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen recht heeft op toepassing van de 30%-regeling. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.