Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-061800-23 en 02-203803-23 (ttz. gev)
Vonnis van de meervoudige kamer van 4 juni 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
wonende te [woonadres] ,
raadsman mr. R.E. Drenth, advocaat te Breda.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaken zijn inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 mei 2026, waarbij de officier van justitie mr. P.W.P. Emmen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
02-203803-23: op 29 november 2022 in een auto heeft gereden terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd (feit 1) en gevaar op de weg heeft veroorzaakt (feit 2);
02-061800-23: op 23 januari 2023 een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen dan wel dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
02-203803-23
De officier van justitie acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen. Uit het dossier blijkt dat verdachte op 29 november 2022 een auto heeft bestuurd terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd. Ook volgt hieruit dat verdachte, in plaats van zijn weg naar links te vervolgen met de bocht mee, rechtdoor is gereden waardoor hij in botsing is gekomen met de voorgevel van een woning. Met deze gedraging heeft verdachte gevaar op de weg veroorzaakt.
02-061800-23
Ook dit feit kan wettig en overtuigend worden bewezen. Uit het dossier blijkt dat verdachte harder heeft gereden dan de toegestane maximumsnelheid ter plaatse. Daarnaast is hij terwijl hij op de voorsorteerstrook voor rechtsaf reed rechtdoor gereden, waardoor hij in botsing is geraakt met de auto van [slachtoffer] . Door dit ongeval heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Dit levert zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag op in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (verder: WVW).
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte lijdt aan epilepsie en dat hij voorafgaand aan de ongevallen op 29 november 2022 en 23 januari 2023 een epileptische aanval heeft gehad. Voor het incident op 29 november 2022 geldt dat verdachte deze epileptische aanval al had op het moment dat hij in de auto stapte en wegreed. Hierdoor is zowel ten aanzien van feit 1 als feit 2 sprake van verontschuldigbare onmacht en afwezigheid van alle schuld. Voor het feit gepleegd op 23 januari 2023 zijn geen bewijsverweren gevoerd in die zin dat de feitelijke gedragingen en het letsel niet worden betwist. Volgens de verdediging moet verdachte ten aanzien van de feiten gepleegd op 29 november 2022 worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Voor het feit gepleegd op 23 januari 2023 moet verdachte worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde variant en van de subsidiair ten laste gelegde variant worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten en omstandigheden
De volgende feiten en omstandigheden hebben op zitting niet ter discussie gestaan.
Op 29 november 2022 heeft een eenzijdig verkeersongeval plaatsgevonden ter hoogte van de [adres] . Bij dit ongeval was verdachte betrokken die als bestuurder in een personenauto reed. Het rijbewijs van verdachte was op dat moment ingevorderd. Op de [adres] geldt een maximum toegestane snelheid van 30 kilometer per uur. Het ongeval vond plaats in een bocht naar links, gezien vanuit de rijrichting van verdachte. Verdachte is in plaats van zijn weg te vervolgen naar links, rechtdoor gereden waarbij hij met zijn voertuig in botsing is gekomen met de voorgevel van de woning aan de [adres] . Vaststaat dat verdachte hierbij reed met een hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse verantwoord was.
Verder staat vast dat verdachte op 23 januari 2023 opnieuw betrokken is geweest bij een verkeersongeval. Verdachte reed toen in een personenauto op de Nieuwe Kadijk ter hoogte van het kruispunt met de Kapittelweg. De maximum toegestane snelheid op de Nieuwe Kadijk is 70 kilometer per uur. Verdachte reed te hard, namelijk met een snelheid tussen de 88 en 104 kilometer per uur. Op het kruispunt is verdachte over de voorsorteerstrook voor rechtsaf gereden, maar is vervolgens na het passeren van de stopstreep rechtdoor gereden. Hierbij heeft verdachte geen voorrang verleend aan [slachtoffer] die van rechts kwam. Verdachte is toen met zijn personenauto in botsing gekomen met de personenauto van [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft hierbij ernstig letsel opgelopen.
Tot slot staat vast dat verdachte lijdt aan epilepsie.
Epileptische aanval?
De rechtbank zal allereerst de vraag beantwoorden of verdachte de feiten heeft gepleegd terwijl hij een epileptische aanval had. Voor de feiten onder parketnummer 02-203803-23 (29 november 2022) moet deze vraag eigenlijk worden beantwoord onder het kopje strafbaarheid van verdachte, maar voor de leesbaarheid van het vonnis zal de rechtbank ook voor deze feiten hierna op deze vraag ingaan.
29 november 2022
In het dossier zit het deskundigenrapport van neuroloog dr. [neuroloog] van 22 juni 2025. Ten aanzien van het ongeval op 29 november 2022 heeft de neuroloog geconcludeerd dat verdachte zeer waarschijnlijk een epileptische aanval heeft gehad voorafgaand aan het ongeval waardoor hij de controle over het voertuig is verloren en in botsing is gekomen met de woning. De rechtbank neemt deze conclusie van de neuroloog over en stelt vast dat verdachte op 29 november 2022 voorafgaand aan het ongeval een epileptische aanval heeft gehad.
De volgende vraag is of verdachte deze epileptische aanval al had op het moment dat hij in de auto stapte. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. Uit het rapport van de neuroloog blijkt dat het meer waarschijnlijk is dat verdachte direct voorafgaand aan het ongeval een epileptische aanval heeft gehad en dat het minder waarschijnlijk is dat hij een aanval heeft gehad voorafgaand aan of ten tijde van het achter het stuur van de auto gaan zitten en gaan rijden. Uit het dossier blijkt voorts dat verdachte voorafgaand aan het ongeval boodschappen is gaan doen samen met zijn [zus] (hierna: [zus] ). [zus] reed op dat moment in de auto van verdachte en verdachte was de bijrijder. [zus] heeft op enig moment de auto bij haar woning aan de [adres] geparkeerd, waarbij zij de sleutels in het contact heeft laten zitten en de motor heeft laten draaien, en is vervolgens haar woning binnengegaan om de boodschappen binnen te zetten. Verdachte is toen van de bijrijdersplaats naar de bestuurdersplaats gegaan. Dit moet hij hebben gedaan óf door uit de auto te stappen, om de auto heen te lopen en aan de bestuurderszijde weer in te stappen óf door binnen in de auto van plaats te wisselen waarbij hij uit de bijrijdersstoel heeft moeten opstaan, over de versnellingsbak en handrem/de middenconsole heeft moeten klauteren om zich vervolgens te positioneren achter het stuur op de bestuurdersstoel. Weliswaar beschrijft de neuroloog in voornoemd rapport dat het mogelijk is dat patiënten complexe handelingen uitvoeren tijdens een epileptische aanval, maar de rechtbank is van oordeel dat het overstappen van de bijrijdersstoel naar de bestuurdersstoel (in welke variant dan ook), het in de eerste versnelling zetten van de auto en het vervolgens wegrijden door de koppeling op te laten komen en het gaspedaal in te drukken dermate complexe handelingen zijn dat zij het onaannemelijk acht dat verdachte een dergelijke reeks van complexe handelingen heeft kunnen verrichten tijdens een epileptische aanval. Bovendien heeft verdachte op het moment dat de politie bij het ongeval ter plaatse kwam niet tegen de politie gezegd dat hij een epileptische aanval had gehad, of dat hij dacht dat hij een dergelijke aanval had gehad omdat hij niet weet hoe hij met zijn auto in de gevel van de woning is beland. Integendeel, verdachte heeft kort na de botsing tegen de ter plaatse gekomen [verbalisant] gezegd dat hij zijn auto wilde parkeren en op zoek was naar een parkeerplaats. Concluderend gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte op 29 november 2022 pas op het moment dat hij in de auto reed een epileptische aanval heeft gehad.
23 januari 2023
Ten aanzien van het ongeval op 23 januari 2023 heeft de neuroloog ook geconcludeerd dat verdachte zeer waarschijnlijk een epileptische aanval heeft gehad in de auto direct voorafgaand aan het ongeval. De rechtbank constateert dat deze conclusie van de neuroloog is gebaseerd op de verklaring van verdachte weergegeven in het proces-verbaal nummer 2. Deze verklaring heeft verdachte afgelegd op 23 januari 2023 tegenover een politieagent en houdt in dat hij niet weet wat er is gebeurd. Verdachte heeft echter op 1 maart 2023 ook een verklaring bij de politie afgelegd. In deze verklaring beschrijft verdachte gedetailleerd wat er volgens hem is gebeurd. Volgens verdachte had hij zijn telefoon in zijn broekzak, kwam hij aangereden bij de kruising en reed hij op de voorsorteerstrook voor rechtdoor met 70 kilometer per uur. Hij zag dat het stoplicht oranje was en hoorde toen een klap. Gelet op het feit dat dit een gedetailleerde verklaring is waarin verdachte zich alles nog heel goed lijkt te herinneren, gaat de rechtbank uit van deze verklaring en niet van de verklaring dat verdachte niet weet wat er is gebeurd. Nu de conclusie van de neuroloog niet is gebaseerd op de verklaring waar de rechtbank van uitgaat, zal de rechtbank de conclusie van de neuroloog niet volgen. Zij gaat er dan ook niet van uit dat verdachte op 23 januari 2023 in de auto een epileptische aanval heeft gehad.
02-203803-23 (29 november 2022)
Feit 1: rijden terwijl het rijbewijs is ingevorderd
De rechtbank acht op grond van bovenstaande vastgestelde feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 29 november 2022 een auto heeft bestuurd terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd. Nu de rechtbank ervan uitgaat dat verdachte pas toen hij al in de auto reed een epileptische aanval heeft gehad – en dus niet al voorafgaand aan het wegrijden – is ten aanzien van dit feit geen sprake van ‘verontschuldigbare onmacht’ en van afwezigheid van alle schuld, zoals door de verdediging bepleit. De rechtbank zal dan ook onder het kopje strafbaarheid verdachte niet meer ingaan op het verweer van de verdediging dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege afwezigheid van alle schuld. Verdachte is immers die dag bewust in de auto gestapt en met de auto gaan rijden, wetende dat zijn rijbewijs op dat moment was ingevorderd. Dit laatste erkent verdachte ook.
Feit 2: artikel 5 WVW
De rechtbank acht op grond van bovenstaande vastgestelde feiten en omstandigheden ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 29 november 2022 schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van gevaar op de weg in de zin van artikel 5 WVW. Verdachte reed met een hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse verantwoord was en is in plaats van zijn weg te vervolgen naar links rechtdoor gereden waardoor hij met zijn voertuig in botsing is gekomen met de voorgevel van een woning. Hierdoor heeft hij heel veel schade aan de woning veroorzaakt: de hal was volledig weggeslagen, drie van de vier muren waren weggeslagen en ook het dak was deels afgebroken. Met deze gedragingen heeft verdachte gevaar op de weg veroorzaakt en kon het verkeer op die weg worden gehinderd.
De vraag of verdachte een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt nu hij in de auto een epileptische aanval heeft gehad, zal de rechtbank beantwoorden onder het kopje strafbaarheid verdachte.
02-061800-23 (23 januari 2023)
Artikel 6 WVW?
De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachte op 23 januari 2023 harder heeft gereden dan de toegestane maximumsnelheid ter plaatse. Verdachte heeft daarnaast onvoldoende zijn snelheid verminderd bij het naderen van het kruispunt. Ook heeft verdachte over de voorsorteerstrook voor rechtsaf gereden, maar is hij vervolgens na het passeren van de stopstreep rechtdoor gereden, terwijl het verkeerslicht voor recht doorgaand verkeer op rood stond. Hierbij heeft hij geen voorrang verleend aan [slachtoffer] die van rechts kwam en groen licht had, waardoor verdachte met zijn personenauto in botsing is gekomen met de personenauto van [slachtoffer] . Naar het oordeel van de rechtbank is dit verkeersgedrag van verdachte aan te merken als zeer onvoorzichtig en onoplettend. Gelet op het feit dat de rechtbank er niet van uitgaat dat verdachte een epileptische aanval heeft gehad in de auto, heeft verdachte daarmee schuld aan het verkeersongeval als bedoeld in artikel 6 WVW.
Als gevolg van deze botsing heeft [slachtoffer] letsel opgelopen, bestaande uit gebroken bekken, een slagaderlijke en aderlijke bloeding in de bekken en meerdere longembolieën. De rechtbank kwalificeert dit letsel als zwaar lichamelijk letsel.
Conclusie
De rechtbank acht de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 WVW wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
02-203803-23
Feit 1 op 29 november 2022 te [plaats] als degene van wie ingevolge artikel 164, zevende lid van de Wegenverkeerswet 1994, de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs was gevorderd en als degene van wie zijn rijbewijs was ingevorderd en aan wie dat rijbewijs niet was teruggegeven, op een weg, de [adres] , een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën waarvoor dat rijbewijs was afgegeven, als bestuurder heeft bestuurd;
Feit 2 op 29 november 2022 te [plaats] als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [adres] ,- niet bij voortduring, zijn, verdachtes, aandacht heeft gericht gehouden op het voor hem, verdachte, gelegen weggedeelte van die weg en - heeft gereden met een hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en - toen, gekomen nabij een voor hem naar links lopende bocht in die weg, in plaats van zijn weg behoedzaam door die bocht naar links te vervolgen, op zodanige wijze en/of met zodanige snelheid is blijven rijden, dat hij rechtdoor is gereden, waarbij hij met zijn voertuig in botsing is gekomen met de voorgevel van een aldaar gelegen woning,door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg kon worden gehinderd;
02-061800-23
op 23 januari 2023 te Breda als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto [kenteken] ) daarmede rijdende over de weg, de nieuwe Kadijk (ter hoogte van het kruispunt met de Kapittelweg) zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, met een hogere snelheid dan de aldaar voor personenauto’s toegestane maximum snelheid van 70 kilometer per uur te rijden (te weten ongeveer tussen de 88 km per uur en 104 km per uur) en onvoldoende snelheid te minderen bij het benaderen van de kruising en over de voorsorteerstrook voor rechts afslaand verkeer te rijden en vervolgens na het passeren van de stopstreep rechtdoor te rijden en zich daarbij niet te vergewissen van dat het kruisingsvlak vrij was van enig kruisend verkeer en heeft hij, verdachte, een voor hem van rechts komende bestuurder van een motorrijtuig geen voorrang verleend en is hij, verdachte, in botsing gekomen met een personenauto waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken bekken en een slagaderlijke bloeding in de bekken en een aderlijke bloeding in de bekken en meerdere longembolieën.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Strafbaarheid feiten
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Strafbaarheid verdachte
Door de verdediging is aangevoerd dat, gelet op de epileptische aanval die verdachte heeft gehad in de auto, er sprake is van verontschuldigbare onmacht en afwezigheid van alle schuld. Verdachte moet daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Zoals hiervoor reeds overwogen volgt de rechtbank dit standpunt van de verdediging ten aanzien van feit 1 van de tenlastelegging met parketnummer 02-203803-23 (rijden terwijl het rijbewijs is ingevorderd).
Ten aanzien van feit 2 van de tenlastelegging met parketnummer 02-203803-23 (overtreding van artikel 5 WVW) overweegt de rechtbank het volgende. In het dossier zit een aanvullend opgemaakt overzicht van de verkeersongevallen die verdachte heeft veroorzaakt. Uit dit overzicht blijkt dat verdachte niet alleen op 29 november 2022 en 23 januari 2023 een ongeval heeft veroorzaakt, maar dat dit ook is gebeurd op 31 augustus 2022 en 21 november 2022. Op 31 augustus 2022 is verdachte namelijk tegen twee geparkeerde voertuigen aangereden en op 21 november 2022 is hij achterop een ander voertuig gereden.
Naar eigen zeggen heeft verdachte tijdens deze twee (eenzijdige) ongevallen op 31 augustus 2022 en 21 november 2022 ook een epileptische aanval gehad. Op 21 november 2022 is daarom het rijbewijs van verdachte door de politie ingevorderd.
De rechtbank constateert dat verdachte aldus op 29 november 2022 in de auto is gestapt, terwijl hij in de twee maanden daarvoor al twee keer een epileptische aanval heeft gehad terwijl hij in een auto reed en daarbij ook een ongeval heeft veroorzaakt. Het is een feit van algemene bekendheid dat iemand na een epileptische aanval niet mag autorijden. Volgens de website van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) – de instantie die de rijvaardigheid en medische geschiktheid van bestuurders beoordeelt – mag je na een epileptische aanval gedurende een bepaalde tijd niet autorijden. Na een eerste epileptische aanval geldt dit voor een periode van zes maanden en na meerdere aanvallen geldt dit voor een periode van twaalf maanden, geteld vanaf de laatste aanval (Mag ik rijden na een epileptische aanval? - CBR). Aan verdachte kan worden verweten dat hij, nadat hij al twee keer in een korte periode een epileptische aanval in de auto heeft gehad en zonder dit aan het CBR te melden of naar een dokter of neuroloog te gaan, op 29 november 2022 opnieuw in de auto is gestapt. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het aan verdachte zelf te wijten is geweest dat hij op 29 november 2022 een verkeersongeval heeft veroorzaakt, omdat hij tijdens het autorijden een epileptische aanval heeft gehad. Verdachte had immers nooit in de auto mogen stappen. Verdachte komt daarom geen beroep toe op ‘verontschuldigbare onmacht’ en afwezigheid van alle schuld. De rechtbank zal verdachte daarom niet ontslaan van alle rechtsvervolging.
Er zijn verder geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is dan ook strafbaar.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 200 uur en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 30 maanden met aftrek.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht rekening te houden met het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft in zeer korte tijd twee keer een ongeval veroorzaakt. Op 29 november 2022 heeft hij een eenzijdig ongeval veroorzaakt waarbij hij in botsing is gekomen met de voorgevel van een woning. Dit terwijl verdachte niet mocht rijden omdat zijn rijbewijs was ingevorderd. De bewoners van die woning waren die avond thuis en zijn heel erg geschrokken van de enorme knal. Zij zagen plotseling een auto in hun hal staan met een draaiende motor en veel rook. Zij zijn hun huis uit moeten vluchten en hebben de nacht ergens anders moeten doorbrengen. Uit de vordering van de benadeelde partij blijkt dat de binnen- en buitenmuren van de hal en het dak opnieuw moest worden opgebouwd endat het vijf maanden heeft geduurd voordat de schade weer hersteld was.
Op 23 januari 2023 heeft verdachte nogmaals een ongeval veroorzaakt. Dit keer was het geen eenzijdig ongeval, maar is hij in botsing gekomen met het voertuig waarin [slachtoffer] reed. Verdachte is toen, terwijl hij reed op de voorsorteerstrook voor rechtsaf, met hoge snelheid rechtdoor gereden. Dit terwijl het verkeerslicht voor rechtdoor op rood stond. Door dit gevaarlijke rijgedrag van verdachte is [slachtoffer] ernstig gewond geraakt. Op de zitting, twee jaar na het ongeval, is duidelijk geworden dat [slachtoffer] deels is afgekeurd en blijvend functieverlies aan zijn beide voeten heeft. Op dit moment zit [slachtoffer] in een rolstoel. Hij wordt dan ook iedere minuut van de dag geconfronteerd met de gevolgen van het handelen van verdachte.
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS)-oriëntatiepunten voor overtreding van artikel 6 WVW. In dit geval is sprake van ernstige schuld en de op 23 januari 2023 door verdachte begane verkeersfouten hebben zwaar lichamelijk letsel tot gevolg gehad. De oriëntatiepunten geven hiervoor als uitgangspunt een taakstraf van 160 uur en een rijontzegging van één jaar. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van de artikelen 5 en 9 WVW.
In strafverzwarende zin weegt de rechtbank mee dat verdachte zich op 29 november 2022 niets heeft aangetrokken van het feit dat hij al twee keer eerder een (eenzijdig) ongeval had veroorzaakt, omdat hij een epileptische aanval had in de auto. Het rijbewijs van verdachte was op 21 november 2022 ook niet voor niks ingevorderd. Dat verdachte desondanks en met de wetenschap dat hij opnieuw een epileptische aanval kon krijgen op 29 november 2022 toch opnieuw in de auto is gestapt, vindt de rechtbank niet alleen bijzonder onverantwoordelijk, maar ook zeer kwalijk. Daar komt bij dat het ongeval op 23 januari 2023 niet het gevolg is van een epileptische aanval. Verdachte heeft toen bewust zeer gevaarlijk rijgedrag vertoond, waarvan [slachtoffer] het slachtoffer is geworden. Verdachte is dus een gevaar op de weg, waarbij hij niet alleen zijn eigen veiligheid maar ook die van anderen in gevaar brengt. Verdachte lijkt zich dat amper te realiseren en meent dat hij gewoon mag autorijden. De rechtbank vindt het zeer verontrustend dat verdachte op dergelijke onverantwoorde wijze met zijn ziekte omgaat.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op het voorgaande in beginsel niet met een andere straf dan een gevangenisstraf kan worden volstaan. Zij zal aan verdachte op dit moment echter geen gevangenisstraf meer opleggen gelet op de omstandigheid dat het oude feiten betreffen (2022 en 2023) en de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. De rechtbank acht daarom de maximale taakstraf passend en geboden. Zij legt dan ook aan verdachte een taakstraf op van 240 uur. Om de verkeersveiligheid te beschermen acht de rechtbank het daarnaast van belang dat verdachte gedurende een lange tijd niet mag autorijden. De rechtbank legt daarom aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid op voor de duur van dertig maanden met aftrek van de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al kwijt is geweest.
Nu het overtreden van artikel 5 WVW een overtreding betreft, zal de rechtbank daarvoor een aparte straf moeten opleggen. De rechtbank legt voor dit feit aan verdachte op een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur zes maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Met deze voorwaardelijk straf hoopt de rechtbank dat verdachte zich niet langer schuldig maakt aan verkeersfeiten.
7. De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 359,81 in de zaak met parketnummer 02-203803-23.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank in zijn geheel toewijsbaar. Deze schade staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Ook zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip vanaf het moment dat de schade is ontstaan, te weten 29 november 2022.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 6, 9, 175, 176, 177 en 179 Wegverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
02-203803-23, feit 1: overtreding van artikel 9, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
02-203803-23, feit 2: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;
02-061800-23: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
t.a.v feit 1 onder parketnummer 02-061800-23 en parketnummer 02-203803-23
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;
Bijkomende straf
t.a.v feit 1 onder parketnummer 02-061800-23 en parketnummer 02-203803-23
- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 30 maanden;
- bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op de rijontzegging;
Bijkomende straf
t.a.v feit 2 onder parketnummer 02-061800-23
- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat de voorwaardelijke rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
Benadeelde partij
T.a.v. parketnummer 02-203803-23
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 359,81 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 29 november 2022 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] , € 359,81 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 29 november 2022 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 3 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.J. Kok, voorzitter, en mr. P.A.M. Wijffels en mr. L.E. van Oploo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.C.L.J. Luijten, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 juni 2026.
De voorzitter en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
02-203803-23
Feit 1hij op of omstreeks 29 november 2022 te [plaats] als degene van wie ingevolge artikel 164, zevende lid van de Wegenverkeerswet 1994, de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs was gevorderd en/of als degene van wie zijn rijbewijs was ingevorderd en aan wie dat rijbewijs niet was teruggegeven, op een weg(en), de [adres] , een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën waarvoor dat rijbewijs was afgegeven, als bestuurder eeft bestuurd;( art 9 lid 4 Wegenverkeerswet 1994 )
Feit 2hij op of omstreeks 29 november 2022 te [plaats] als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [adres] ,- niet, althans niet bij voortduring, zijn, verdachtes, aandacht heeft gericht en/of gericht gehouden op het voor hem, verdachte, gelegen weggedeelte van die weg en/of- heeft gereden met een snelheid die hoger lag dan de wettelijke toegestane snelheid van 30 km/u, althans met een aanmerkelijke - hogere- snelheid, althans met een hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of- toen, gekomen in of nabij een voor hem naar links lopende (overzichtelijke) bocht in die weg, in plaats van zijn weg behoedzaam door die bocht naar links te vervolgen, op zodanige wijze en/of met zodanige snelheid is blijven rijden, dat hij rechtdoor, althans nagenoeg rechtdoor, is gereden, waarbij hij met zijn voertuig geheel of gedeeltelijk in botsing, althans in aanrijding, is gekomen met –de voorgevel van- een aldaar gelegen woning,door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )
02-061800-23
hij op of omstreeks 23 januari 2023 te Breda als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto [kenteken] ) daarmede rijdende over de weg, de nieuwe Kadijk (ter hoogte van het kruispunt met de Kapitelweg) zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met een hogere snelheid dan de aldaar voor personenauto’s toegestane maximum snelheid van 70 kilometer per uur te rijden (te weten ongeveer tussen de 88km per uur en 104 km per uur), in elk geval te rijden met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was en/of onvoldoende snelheid te minderen bij het benaderen van de kruising en /of over de voorsorteerstrook voor rechts afslaand verkeer te rijden en vervolgens na het passeren van de stopstreep rechtdoor te rijden en/of zich daarbij niet, althans niet tijdig voldoende te (blijven) vergewissen van dat het kruisingsvlak vrij was van enig (kruisend) verkeer en/of heeft hij, verdachte, een voor hem van rechts komende bestuurder van een motorrijtuig geen voorrang verleend, althans niet voor laten gaan en/of is hij, verdachte, in botsing gekomen met een personenauto waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder andere) een gebroken bekken en/of een slagaderlijke bloeding in de bekken en/of een aderlijke bloeding in de bekken en/of een of meerdere longbemolie(s), althans/en/of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;( art 6 Wegenverkeerswet 1994 )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 23 januari 2023 te Breda als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto [kenteken] ) daarmede rijdende over de weg, de nieuwe Kadijk (ter hoogte van het kruispunt met de Kapitelweg) met een hogere snelheid dan de aldaar voor personenauto’s toegestane maximum snelheid van 70 kilometer per uur heeft gereden (te weten ongeveer tussen de 88km per uur en 104 km per uur), in elk geval gereden met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was en/of onvoldoende snelheid heeft geminderd bij het benaderen van de kruising en /of over de voorsorteerstrook voor rechts afslaand verkeer heeft gereden en vervolgens na het passeren van de stopstreep rechtdoor is gereden en/ofzich daarbij niet, althans niet tijdig voldoende heeft vergewist van dat het kruisingsvlak vrij was van enig (kruisend) verkeer en/of heeft hij, verdachte, een voor hem van rechts komende bestuurder van een motorrijtuig geen voorrang verleend, althans niet voor laten gaan, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )