Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-405667-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 5 juni 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,
wonende aan [woonadres] ,
raadsman mr. J.C.B. Dionisius, advocaat te Breda.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 mei 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Poirters, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1: samen met een ander heeft geprobeerd om [slachtoffer] te doden dan wel hem (met voorbedachten rade) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;
feit 2: samen met een ander en met voorbedachten rade heeft geprobeerd om [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een ploertendoder/(wapen)stok/ knuppel dan wel hem hiermee heeft mishandeld.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte en [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) meerdere keren met kracht en met geschoeide voet tegen het hoofd van [slachtoffer] hebben geschopt. Verdachte heeft daarmee willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] zou komen te overlijden.
De onder feit 2 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling kan ook wettig en overtuigend worden bewezen, inclusief de voorbedachten rade.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 integrale vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Op basis van het dossier kan niet zonder twijfel worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] tegen het hoofd heeft geschopt. Bovendien kan niet kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van [slachtoffer] , dan wel op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] .
Ook ten aanzien van feit 2 kan niet kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] . Evenmin kan de rechtbank komen tot een bewezenverklaring komen van de voorbedachten rade.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat op 20 december 2024 in Breda
een geweldsincident heeft plaatsgevonden, waarbij verdachte en [medeverdachte] betrokken zijn geweest.
De zus van [medeverdachte] (hierna: [naam] ) bevond zich op een verjaardagsfeest in een bedrijfspand aan de [straat] . Op dat feest heeft [slachtoffer] [naam] aangesproken op haar gedrag, waarna [naam] [medeverdachte] heeft gebeld en hem heeft verzocht naar het feest te komen. [naam] en [medeverdachte] hebben daarbij gesproken over het in elkaar slaan van [slachtoffer] . Vervolgens heeft [medeverdachte] verdachte benaderd. [medeverdachte] en verdachte zijn samen naar het bedrijfspand gereden, waar zij bij aankomst direct naar binnen zijn gerend om [slachtoffer] te zoeken. Binnen hebben zij [slachtoffer] meermalen in het gezicht gestompt. Toen [slachtoffer] , in een poging om weg te komen, viel en op de grond lag, hebben verdachte en [medeverdachte] hem meermalen met kracht tegen zijn hoofd en lichaam geschopt en hem met kracht met een stok op zijn lichaam geslagen. Als gevolg van deze geweldshandelingen heeft [slachtoffer] letsel opgelopen.
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of dit kan worden gekwalificeerd als (het medeplegen van) een poging tot doodslag dan wel een poging tot zware mishandeling.
Feit 1
Poging tot doodslag
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte en [medeverdachte] wilden dat [slachtoffer] dood ging. Er is dan ook geen sprake geweest van vol opzet op het overlijden van [slachtoffer] .
Vervolgens komt de vraag aan de orde of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. Voor voorwaardelijk opzet geldt dat sprake moet zijn van een bewuste aanvaarding door verdachte van de aanmerkelijke kans op het gevolg van zijn handelen. De beantwoording van de vraag of de gedraging van verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Daarbij kunnen bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachte en [medeverdachte] meermalen tegen het hoofd van [slachtoffer] hebben geschopt, terwijl [slachtoffer] op de grond lag. Onder bepaalde omstandigheden kunnen slaan en schoppen tegen het hoofd de aanmerkelijke kans in het leven roepen dat het slachtoffer als gevolg daarvan komt te overlijden. Daarvoor is onder andere van belang de aard en intensiteit van het slaan en schoppen, de plaats waar het slachtoffer op zijn hoofd is geraakt en, voor wat betreft het schoppen tegen het hoofd, wat voor soort schoenen de verdachte aan had.
Hoewel de rechtbank op grond van het dossier kan vaststellen dat verdachte en [medeverdachte] [slachtoffer] met kracht en met geschoeide voet hebben geschopt, kan de rechtbank niet vaststellen waar [slachtoffer] precies op zijn hoofd door verdachte is geraakt. Door het ontbreken van een letselbeschrijving door een (forensisch) arts is ook onduidelijk gebleven welke specifieke (fysieke) gevolgen het schoppen voor [slachtoffer] heeft gehad. Gelet op voornoemde onduidelijkheden is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans op de dood bestond. Zij zal verdachte daarom vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
Poging tot zware mishandeling
Om tot een bewezenverklaring te komen van een poging tot zware mishandeling moet sprake zijn van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] . Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar lichaamsdeel is. Door met geschoeide voet en met kracht herhaaldelijk te schoppen tegen dit kwetsbare lichaamsdeel wordt naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven geroepen. Nu het voorgaande een algemene ervaringsregel betreft, moet ook verdachte geacht worden daarvan op de hoogte te zijn geweest. De hiervoor beschreven geweldshandelingen van verdachte moeten naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zijnde zozeer gericht op het intreden van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] dat het naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.
Voorbedachten rade
Voor bewezenverklaring van voorbedachten rade is vereist dat komt vast te staan dat het handelen van verdachte en [medeverdachte] het gevolg is geweest van een tevoren door hen genomen besluit en dat zij tussen het nemen van het besluit en de uitvoering ervan gelegenheid hebben gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.
Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte en [medeverdachte] het vooropgezette plan hadden om [slachtoffer] te mishandelen. Zij hebben tijdens de autorit en dus vóór de uitvoering van hun daad de tijd gehad om de door hen gemaakte plannen te heroverwegen. Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden blijkt niet van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachten zouden hebben gehandeld. Er zijn ook geen andere contra-indicaties die het aannemen van voorbedachten rade in de weg staan.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld en acht het medeplegen van de poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2
Poging tot zware mishandeling
Niet is gebleken dat verdachte en [medeverdachte] vol opzet hebben gehad om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
Door [slachtoffer] meerdere keren met kracht met de vuist op het hoofd te slaan en met een stok tegen de zij en het lichaam te slaan, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Naar algemene ervaringsregels roept het geven van meerdere harde vuistslagen op het hoofd de aanmerkelijke kans in het leven dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt nu het hoofd een uiterst kwetsbaar lichaamsdeel is. Ook voor het geven van harde klappen met een stok tegen de zij geldt dat dit naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans in het leven roept dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt, aangezien dit deel van het lichaam eveneens kwetsbare onderdelen bevat.
Nu het algemene ervaringsregels betreft, heeft een ieder – en dus ook verdachte – wetenschap van het bestaan van deze aanmerkelijke kans. Het op de hiervoor vermelde wijze handelen door verdachte is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat hieruit volgt dat verdachte die aanmerkelijke kans op dit gevolg ook heeft aanvaard.
Zoals hiervoor onder feit 1 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het primair ten laste gelegde medeplegen van de poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
feit 1, subsidiair
op 20 december 2024 te Breda tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermalen, terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag, met geschoeide voet tegen het hoofd heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2, primair
op 20 december 2024 te Breda tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer]- meermalen, terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag met een stok heeft geslagen op de ribben en in de zij,- meermalen, (terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag) met gebalde vuist op het hoofd en in het gezicht heeft gestompt en- meermalen, (terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag) met geschoeide voet tegen de buik en de zij en de heup en de rug heeft geschopt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn/haar strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 182 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast vordert de officier van justitie aan verdachte op te leggen een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis in het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren mocht verrichten.
Het standpunt van de verdediging
Gelet op de gevoerde bewijsverweren wordt oplegging van een aanmerkelijk lagere straf bepleit, te weten een taakstraf. In het geval de gevoerde bewijsverweren niet worden gevolgd, bepleit de verdediging een matiging van het voorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf en refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de hoogte van de op te leggen taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank
Op 20 december 2024 hebben verdachte en zijn medeverdachte met voorbedachten rade [slachtoffer] op een feestje in elkaar geslagen, door hem meermalen tegen het hoofd te stompen, schoppen en met een stok te slaan. Door zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Hij heeft aan de confrontatie een bloeduitstorting van tien centimeter in de zij en diverse zwellingen, schaafwonden en een snijwond aan het hoofd opgelopen. Nog los van de ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] en de pijn die hij heeft ondervonden, moet het plotseling escalerende geweldsincident voor [slachtoffer] een zeer angstige gebeurtenis zijn geweest die ongetwijfeld voor gevoelens van onveiligheid heeft gezorgd. In alle opzichten is er sprake geweest van zinloos geweld, wat de rechtbank verdachte zwaar aanrekent. Uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer] komt duidelijk naar voren wat deze vorm van zinloos geweld met hem heeft gedaan en nog altijd doet. Het geweld van verdachte heeft bovendien niet alleen impact gehad op [slachtoffer] , maar ook op degenen die hiervan getuige waren.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank er acht op geslagen dat hij een blanco strafblad heeft. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 28 april 2026. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat. Binnen het schorsingstoezicht is verdachte aangemeld bij Fivoor om daar, in vrijwillig kader, een behandeling te volgen, die hij positief heeft afgerond. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden; interventies of toezicht zijn volgens de reclassering niet nodig.
De rechtbank ziet op basis van dezelfde gronden als de reclassering aanleiding om bij de bepaling van de straf het volwassenstrafrecht toe te passen.
Ondanks dat de rechtbank minder bewezen vindt dan de officier van justitie acht de rechtbank, alles afwegende, haar eis passend en geboden. Daarom zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van 182 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf opleggen van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis in het geval dat hij de taakstraf niet of niet naar behoren mocht verrichten.
7. De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 1.690,00, waarvan € 190,00 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Op de zitting is de gevorderde schadevergoeding van immateriële schade verhoogd van € 650,00 naar € 1.500,00.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [slachtoffer] en dat hij verplicht is de schade van [slachtoffer] te vergoeden.
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten en zij acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is door [slachtoffer] voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist.
Immateriële schade
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte immateriële schade heeft geleden en deze schade is voldoende onderbouwd. Gebleken is dat [slachtoffer] lichamelijk letsel heeft opgelopen. De immateriële schade is dan ook een rechtstreeks gevolg van de bewezenverklaarde feiten, verdachte is daarvoor aansprakelijk en deze schade komt voor vergoeding in aanmerking. Gelet op alle omstandigheden acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 1.500,00 billijk en daarom toewijsbaar.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de gehele vordering toewijzen.
Hoofdelijkheid, wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door zijn mededader is betaald, en andersom.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 20 december 2024.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 47, 56 en 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
De voortgezette handeling van
feit 1 subsidiair: medeplegen van poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade, en
feit 2 primair: medeplegen van poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade;
- verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 182 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 1.690,00, waarvan € 190,00 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 20 december 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer] , € 1.690,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 20 december 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 16 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.S. van Bree, voorzitter, en mr. H. Skalonjic en mr. J.F.C. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van K. van Rijs, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 juni 2026.
Mr. Skalonjic is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1hij op of omstreeks 20 december 2024 te Bredatezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomenmisdrijf om[slachtoffer]opzettelijkvan het leven te beroven,die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag) (metgeschoeide voet) tegen het hoofd heeft geschopt/getrapt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 december 2024 te Bredatezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomenmisdrijf omaan [slachtoffer]opzettelijk (en met voorbedachten rade)zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,die [slachtoffer]meermalen, althans eenmaal (terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag)(metgeschoeide voet) tegen het hoofd heeft geschopt/getrapt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
2hij op of omstreeks 20 december 2024 te Bredatezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomenmisdrijf omaan [slachtoffer]opzettelijk (en met voorbedachten rade)zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,die [slachtoffer]- meermalen, althans eenmaal (terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag) met eenploertendoder en/of (wapen)stok en/of knuppel, althans een zwaar en/of langvoorwerp, althans enig voorwerp, heeft geslagen op/tegen/in de rib(ben) en/of dezij en/of het been en/of de rug, althans het lichaam,- meermalen, althans eenmaal (terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag)(metgebalde vuist) op/tegen/in het hoofd en/of het gezicht, althans het lichaam heeftgeslagen/gestompt/gestoten en/of- meermalen, althans eenmaal (terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag) (metgeschoeide voet) op/tegen/in de buik en/of de zij en/of de heup en/of de rug,althans het lichaam heeft geschopt/getrapt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 december 2024 te Bredatezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen(met voorbedachten rade)C heeft mishandeld door die [slachtoffer]- meermalen, althans eenmaal (terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag) met eenploertendoder en/of (wapen)stok en/of knuppel, althans een zwaar en/of langvoorwerp, althans enig voorwerp, op/tegen/in de rib(ben) en/of de zij en/of hetbeen en/of de rug, althans het lichaam,te slaan en/of- meermalen, althans eenmaal (terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag)(metgebalde vuist) op/tegen/in het hoofd en/of het gezicht, althans het lichaam teslaan/stompen/stoten en/of- meermalen, althans eenmaal (terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag) (metgeschoeide voet) op/tegen/in de buik en/of de zij en/of de heup en/of de rug,althans het lichaam te schoppen/trappen;( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)