ECLI:NL:RBZWB:2026:4952

ECLI:NL:RBZWB:2026:4952

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 04-06-2026
Datum publicatie 05-06-2026
Zaaknummer 02-038846-26
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Overtredingen gedragsaanwijzing en gebiedsverbod. ISD-maatregel.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Parketnummers: 02.038846.26, 02.028763.26, 02.031508.26 en 02.038609.26 (gevoegd ter terechtzitting)

Parketnummer TUL: 02.240574.25

Vonnis van de meervoudige kamer van 4 juni 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] ,

raadsvrouw mr. C.J.I.F. van Beek, advocaat te Goes.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 mei 2026, waarbij de officier van justitie mr. J. Verschuren en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in ongeveer anderhalve week tijd drie keer een gebiedsverbod dat hem was opgelegd door de burgemeester, en één keer een gedragsaanwijzing van de officier van justitie heeft overtreden.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten heeft begaan.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de feiten wettig en overtuigend bewezen. De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Parketnummer 02-038846-26

op 7 februari 2026 te Vlissingen, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtensartikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te wetende gedragsaanwijzing d.d. 6 februari 2026, gegeven door de officier van justitie te Zeeland-West-Brabant door zich op te houden aan de [straat] .

Parketnummer 02-028763-26

op 28 januari 2026 te Vlissingen opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk 2722893/2796149krachtens een wettelijk voorschrift, te weten 172a eerste lid van de Gemeentewet enin overeenstemming met de beleidsregel gebiedsontzeggingen Vlissingen 2017,gedaan door of namens de burgemeester van Vlissingen, in elk geval een ambtenaarals bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid,inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen in 24-12-25 tot en met24-3-2026 niet mocht bevinden in/op de [locatie] ,door, zich op voornoemde datum om 11.41 uur in/op [adres 2] ,te bevinden.

Parketnummer 02-031508-26

op 01 februari 2026 te Vlissingen, opzettelijk niet heeft voldaan aaneen bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk 2722893 / 2796149, krachtens eenwettelijk voorschrift (te weten artikel 172a van de Gemeentewet), gedaan door ofnamens de burgemeester van de gemeente Vlissingen, in elk geval een ambtenaarals bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid,inhoudende - zakelijk weergegeven - dat hij, verdachte, zich in de periode van

24 december 2025 tot en met 24 maart 2026 niet mocht bevinden in de [straat] , immers heeft hij, verdachte, (na uitreiking van dat bevel) zich op 01 februari 2026 (te Vlissingen)bevonden en/of begeven op de [straat] , aldaar.

Parketnummer 02-038609-26

op 5 februari 2026 te Vlissingen opzettelijk niet heeft voldaan aan

een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk 2722893/ 2796149

krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a eerste lid van de

Gemeentewet en in overeenstemming met de beleidsregel gebiedsontzeggingen

Vlissingen 2017, gedaan door of namens de burgemeester van Vlissingen, in elk

geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of

tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen in 24

december 2025 tot en met 24 maart 2026 niet mocht bevinden in/op de

[locatie] , door, zich op voornoemde datum omstreeks 18.55 uur in/op [adres 2]

, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd

gebied te bevinden.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen de maatregel tot plaatsing in een instelling voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel). Aan de eisen voor oplegging daarvan is voldaan.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft naar voren gebracht dat het nu goed met hem gaat en dat hij aan zijn toekomst wil gaan werken. Hij weet dat hij overlast heeft veroorzaakt door het gebruik van middelen, maar dat wil hij niet meer. Hij is op zoek naar een locatie voor begeleid wonen, maar dat is nog niet gelukt omdat daar geen indicatie voor is afgegeven. Hij denkt dat hij met hulp zelf zaken kan regelen om zijn leven op de rit te krijgen en dat een ISD-maatregel daar niet voor nodig is.

Door de verdediging is aangevoerd dat een straf gelijk aan het voorarrest zou volstaan. Uit het verslag van de penitentiaire inrichting komt naar voren dat verdachte een positieve houding heeft. Hij is goed aanspreekbaar op zijn gedrag en hij werkt mee aan het opstellen van re-integratiedoelen. Een onvoorwaardelijke ISD-maatregel is niet nodig.

Subsidiair is bepleit deze maatregel voorwaardelijk op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

- De ernst van de feiten

Verdachte heeft in een periode van ongeveer anderhalve week tot vier keer toe de woning van zijn moeder of de straat waarin zij woont bezocht, terwijl hij daar op grond van een gebiedsverbod en later ook een gedragsaanwijzing niet mocht komen. Deze gebiedsverboden en gedragsaanwijzing zijn hem opgelegd vanwege zijn – door middelengebruik – overlastgevende gedrag voor de bewoners van de straat en overige buurtbewoners. Door ondanks deze uitdrukkelijke verboden zich meermalen in de straat en in de woning van zijn moeder te begeven, heeft verdachte laten zien dat hij geen respect heeft voor rechterlijke of justitiële bevelen die bedoeld zijn om de bewoners in de straat en de buurtbewoners te beschermen.

- De persoonlijke omstandigheden

Uit het strafblad van verdachte komt naar voren dat hij heel vaak met politie en justitie in aanraking is gekomen voor een grote diversiteit aan misdrijven. Hij is verschillende keren veroordeeld voor soortgelijke feiten als nu bewezenverklaard. De diverse strafmodaliteiten, zowel voorwaardelijk als onvoorwaardelijk opgelegd en vaak in combinatie met reclasseringsbegeleiding en behandel- en begeleidingstrajecten, hebben in de loop der jaren niet tot een structurele gedragsverandering geleid. Ook de in 2015 opgelegde ISD-maatregel heeft niet kunnen voorkomen dat verdachte nadien toch weer strafbare feiten is gaan plegen.

Reclassering Nederland heeft in het adviesrapport van 24 april 2026 naar voren gebracht dat er risicofactoren worden gezien op alle leefgebieden. Er is sprake van een jarenlange verslavingsproblematiek. Volgens een referent is het middelengebruik zeer zorgelijk. Daarnaast is sprake van achterdocht die het gevolg lijkt van het overmatig middelengebruik. Er zijn in het verleden al vele forensische en niet-forensische inspanningen gepleegd om de leefsituatie van verdachte te stabiliseren, wat tot nu toe nog niet is gelukt. Verdachte wijt het mislukken van woon-, begeleidings- en behandeltrajecten aan externe factoren en lijkt niet of slechts beperkt te kunnen kijken naar zijn eigen aandeel daarin. Dit alles maakt dat de reclassering geen mogelijkheden ziet om met een toezicht of andere interventies in een ambulant kader te kunnen komen tot gedragsverandering en recidivevermindering. Ter zitting is namens de reclassering het advies herhaald.

- Oplegging maatregel

Uit het dossier, het strafblad en het rapport van de reclassering komt naar voren dat verdachte al jarenlang een leven leidt met structurele problemen op diverse leefgebieden, waarin middelengebruik een grote rol speelt. Door de jaren heen hebben vele begeleidings- en behandeltrajecten, zowel forensisch als niet-forensisch, niet geleid tot een zodanige gedragsverandering dat verdachte een delictvrij leven heeft kunnen opbouwen.

Nu verdachte al enige tijd in detentie verblijft en niet de verdovende middelen heeft kunnen gebruiken die hij op straat gebruikt, lijkt hij tot het inzicht te zijn gekomen dat hij het leven dat hij tot nu toe heeft geleefd niet meer wil voor de toekomst. Hij is in de veronderstelling dat hij, wellicht met enige vrijwillige hulp, in staat is om zich na zijn detentie aan te melden bij (woon)begeleidingsprojecten om zo zijn leven op de rit te krijgen. De kans dat deze plannen realiseerbaar zijn, lijkt de rechtbank alleen al vanwege het ontbreken van indicatiestellingen hiervoor klein. Daarbij komt nog dat verdachte tot het moment dat dergelijke projecten beschikbaar zijn ergens moet verblijven en dat hij ook weer toegang heeft tot de contacten die hem tot zijn aanhouding van verdovende middelen voorzagen. Gelet op de jarenlange problematiek op dit gebied acht de rechtbank het risico op terugval in middelengebruik heel groot, en daarmee de kans op het slagen van de plannen van verdachte in een vrijwillig of ambulant kader gering.

De rechtbank is positief over de motivatie van verdachte om zijn leven een andere wending te geven, maar is gelet op het voorgaande van oordeel dat het risico aanzienlijk is dat zijn pogingen om dit in vrijheid te realiseren niet zullen slagen. Naar het oordeel van de rechtbank kan het kader van een ISD-maatregel verdachte daarbij beter ondersteunen en de kans op een structurele verandering vergroten, gelet op alle mogelijkheden tot diagnostiek, behandeling en trainingen, terwijl hij weg is uit de omgeving waar hij vóór zijn aanhouding leefde. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, is een onvoorwaardelijke ISD-maatregel daarvoor het meest geschikt.

De rechtbank is daarom van oordeel dat het opleggen van de ISD-maatregel wenselijk en noodzakelijk is.

Daarbij heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaromtrent stelt.

Immers op het door verdachte onder parketnummer 02-038846-26 begane misdrijf is voorlopige hechtenis toegelaten, terwijl verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan dit door hem begane misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of taakstraf is veroordeeld, terwijl het feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen en er voorts ernstig rekening mede moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan en de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist.

7. De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft ter zitting verzocht de hierboven genoemde vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, gelet op de eis tot oplegging van de ISD-maatregel.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank zal hiertoe niet besluiten, omdat de ISD-maatregel wordt opgelegd.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 38m, 57, 184 en 184a van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Parketnummer 02-038846-26: opzettelijk handelen in strijd met een

gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering;

Parketnummer 02-028763-26: opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens

wettelijk voorschrift, gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast;

Parketnummer 02-031508-26: opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens

wettelijk voorschrift, gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast;

Parketnummer 02-038609-26: opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens

wettelijk voorschrift, gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast;

- verklaart verdachte strafbaar;

Maatregel

- gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor twee jaar;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.E. Mullers, voorzitter,

en mr. D.H. Hamburger en mr. J. Bergen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier,

en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 juni 2026.

De voorzitter en de oudste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 02-038846-26

hij op of omstreeks 7 februari 2026 te Vlissingen,opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtensartikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te wetende gedragsaanwijzing d.d. 6 februari 2026,gegeven door de officier van justitie te Zeeland-West-Brabantdoor zich op te houden aan de [straat] ;( art 184a lid 1 Wetboek van Strafrecht)

Parketnummer 02-028763-26

hij op of omstreeks 28 januari 2026 te Vlissingenopzettelijkniet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk2722893/2796149krachtens een wettelijk voorschrift, te weten 172a eerste lid van de Gemeentewet enin overenstemming met de beleidsregel gebiedsontzeggingen Vlissingen 2017,gedaan door of namens de burgemeester van Vlissingen, in elk geval een ambtenaarals bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht,eerste en/of tweede lid,inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen in 24-12-25 tot en met24-3-2026 niet mocht bevinden in/op de [locatie] ,door, zich op voornoemde datum om 11.41 uur in/op [adres 2] ,althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden;( art 184 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Parketnummer 02-031508-26

hij, op of omstreeks 01 februari 2026 te Vlissingen, opzettelijk niet heeft voldaan aaneen bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk 2722893 / 2796149, krachtens eenwettelijk voorschrift (te weten artikel 172a van de Gemeentewet), gedaan door ofnamens de burgemeester van de gemeente Vlissingen, in elk geval een ambtenaarals bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid,inhoudende - zakelijk weergegeven - dat hij, verdachte, zich in de periode van 24december 2025 tot en met 24maart 2026 niet mocht bevinden in de [straat] , immers heeft hij,verdachte, (na uitreiking van dat bevel) zich op 01 februari 2026 (te Vlissingen)bevonden en/of begeven op de [straat] , aldaar;

( art 184 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Parketnummer 02-038609-26

hij op of omstreeks 5 februari 2026 te Vlissingen opzettelijk niet heeft voldaan aan

een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk 2722893/ 2796149

krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a eerste lid van de

Gemeentewet en in overeenstemming met de beleidsregel gebiedsontzeggingen

Vlissingen 2017, gedaan door of namens de burgemeester van Vlissingen, in elk

geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of

tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen in 24

december 2025 tot en met 24 maart 2026 niet mocht bevinden in/op de

[locatie] , door, zich op voornoemde datum omstreeks 18.55 uur in/op [adres 2]

, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd

gebied te bevinden;

(art 184 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand