[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. L.L. Ross),
en
Dienst Toeslagen.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 5 maart 2025 tegen de integrale herbeoordeling van de situatie met betrekking tot de kinderopvangtoeslag over de jaren 2005 tot en met 2014 van 11 maart 2024 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend 5 maart 2025. In dit geval geldt de volgende beslistermijn. Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf zes weken na de dag van verzending van het besluit. Omdat het bezwaarschrift na deze zes weken is ontvangen, dient de beslistermijn berekend te worden vanaf de dag nadat het bezwaarschrift is ontvangen.
Op het moment dat verweerder gebruik maakt van de adviescommissie, geldt een termijn van twaalf weken. Uit de processtukken en het verweerschrift wordt niet duidelijk of gebruik wordt gemaakt van de adviescommissie. De rechtbank zal daarom uitgaan van een beslistermijn van zes weken.
Verweerder heeft de beslistermijn verlengd met zes weken. Verweerder had dus in ieder geval uiterlijk op 28 mei 2025 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft verweerder op 21 augustus 2025 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk dan wel ongegrond is omdat het bezwaarschrift geen gronden bevat. De rechtbank volgt verweerder niet. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiseres voldoet aan de vereisten uit artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Dit brengt mee dat eiseres rechtsgeldig beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. Bovendien kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard. Ook dit is een besluit dat verweerder had kunnen nemen.
Welke beslistermijn wordt aan verweerder opgelegd?
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
In het verweerschrift verzoekt verweerder om bij het bepalen van de beslistermijn aan te sluiten bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025.
De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 maart 2025 een lijn uitgezet die geldt voor alle beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar door verweerder in het kader van de Wht. De rechtbank zal aansluiten bij die lijn. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van die uitspraak. De nieuwe lijn komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op het bezwaar. Dit geldt ook in herhaalde beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak. Dit laatste is slechts anders als verweerder (in het verweerschrift) een zeer goede reden geeft en onderbouwt waarom een termijn van twee weken wegens bijzondere omstandigheden niet passend is.
De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 28 mei 2025 is verstreken. Dit betekent dat verweerder uiterlijk 22 juli 2027 alsnog een besluit op bezwaar bekend moet maken. Er is geen aanleiding om in dit individuele geval een andere beslistermijn te bepalen.
Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?
5. Eiseres verzoekt de rechtbank om verweerder op te dragen een besluit op bezwaar te nemen onder verbeurte van een dwangsom. Uit het dossier is gebleken dat verweerder eiseres bij brief van 15 augustus 2025 heeft verzocht om de gronden van haar bezwaar in te dienen. Hierbij is vermeld dat verweerder het bezwaar inhoudelijk niet kan beoordelen zonder gronden. Eiseres heeft -voor zover kenbaar bij de rechtbank- geen bezwaargronden ingediend na het verzoek hiertoe van verweerder. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg ligt van eiseres om de bezwaargronden in te dienen, teneinde een (inhoudelijke) beslissing op haar bezwaar te krijgen. Gelet hierop is het belang van eiseres bij dit beroep zo gering, dat de hoogte van de dwangsom van € 100,- per dag buiten proportie is. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 50,- per dag moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt wel een maximum van € 7.500,-.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee verweerder de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,- ;
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 5 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.