RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-396966-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 29 januari 2026
in de strafzaak tegen verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[woonadres] ,
raadsman mr. G.J. Woodrow, advocaat te Tilburg .
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 januari 2026, waarbij officier van justitie mr. J. Verschuren en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De procesafspraken
Deze strafzaak kenmerkt zich doordat het Openbaar Ministerie en de verdediging zogeheten procesafspraken hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn. Deze procesafspraken hebben zij opgenomen in een overeenkomst, die is ondertekend door verdachte, zijn raadsman en de officier van justitie op 5 januari 2026. Voorafgaand aan de inhoudelijke zitting hebben zij deze overeenkomst overgelegd aan de rechtbank. Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben de rechtbank daarmee een gezamenlijk voorstel gedaan over de wijze van afdoening van de zaak.
De procesafspraken houden, in de kern, het volgende in:
De gehele overeenkomst met de procesafspraken is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
Beoordeling van de procesafspraken door de rechtbank
De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het mogelijk is de zaak conform de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken af te doen. Bij de beoordeling zijn voor de rechtbank leidend geweest de uitgangspunten zoals verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252).
De rechtbank stelt vast dat verdachte bij de totstandkoming van de procesafspraken is bijgestaan door zijn raadsman. Verdachte is ook samen met zijn raadsman aanwezig geweest op de openbare terechtzitting van 15 januari 2026, alwaar de procesafspraken zijn besproken.
De rechtbank heeft ter zitting benadrukt dat de rechtbank geen partij is bij de (totstandkoming van de) procesafspraken en dat de rechtbank daaraan niet gebonden is. De rechtbank houdt immers een eigen verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak zal plaatsvinden overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen. Hierbij staat met name de beantwoording van de vragen van artikel 348 en artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering centraal.
De officier van justitie, de raadsman en verdachte hebben ter zitting bevestigd achter de procesafspraken te staan. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de procesafspraken met zijn raadsman heeft besproken, dat de afspraken vrijwillig zijn gemaakt en dat de inhoud van die afspraken duidelijk voor hem is. Verdachte begrijpt wat de consequenties zijn als de rechtbank deze procesafspraken volgt - in het bijzonder met betrekking tot zijn verdedigingsrechten - en hij accepteert de op te leggen straf zoals deze is voorgesteld.
Verdachte heeft ter zitting aangegeven dat hij de procesafspraken heeft geaccepteerd omdat hij van de zaak af wil zijn, zodat hij weer bij zijn kinderen kan zijn en omdat er is overeengekomen dat de officier van justitie een veel lagere gevangenisstraf zal eisen dan wanneer er geen overeenkomst zou zijn.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, doet geen afbreuk aan het aan verdachte op grond van artikel 6 van het EVRM toekomende recht op een eerlijk proces. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de inhoud van de procesafspraken niet bij haar oordeel te betrekken.
5. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter zitting gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten zoals hij met de verdediging is overeengekomen en heeft dan ook verzocht de procesafspraken te volgen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de procesafspraken te volgen en heeft, conform de procesafspraken, geen bewijsverweren gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat er een bewezenverklaring dient te volgen voor alle ten laste gelegde feiten. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de gemaakte procesafspraken. De rechtbank merkt ten aanzien van feit 5 op dat uit de procesafspraken volgt dat het Openbaar Ministerie en de verdediging met elkaar van oordeel zijn dat de door verdachte witgewassen geldbedragen afkomstig zijn uit eigen misdrijf, ondanks dat dit niet concreet uit het dossier blijkt.
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de bewijsmiddelen in het dossier. Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1in de periode van 3 december 2019 tot en met 4 januari 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten
- het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne
(1) een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,(2) zich en een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en(3) voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededader(s), wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door- encryptische/PGP-telefoons voorhanden te hebben,- gebruik te maken van Sky-ECC accounts (te weten [account 1] en [account 2] ),- (als gebruiker van die accounts) gesprekken te voeren met anderen over het leveren, kopen en verkopen van verdovende middelen, te weten hoeveelheden cocaïne, - (als gebruiker van die accounts) gesprekken te voeren met anderen over het vervoeren van verdovende middelen, te weten hoeveelheden cocaïne,- (als gebruiker van die accounts) (encryptische) chatgesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van die verdovende middelen,- (als gebruiker van die accounts) afbeeldingen van blokken cocaïne te ontvangen en versturen,- (als gebruiker van die accounts) zich in voornoemde (encryptische) chatgesprekken als verkoper/koper/afnemer/tussenpersoon/financier te melden/op te treden;
2in de periode van 2 juli 2020 tot en met 15 december 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3in de periode van 1 december 2024 tot en met 20 maart 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten- het opzettelijk binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen,- het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren
van
- hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne,(1) een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,(2) zich en een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en(3) voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en zijn mededader(s) wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door- meermalen met anderen te ontmoeten in hotels en/of restaurants en/of- gesprekken te voeren over prijzen van blokken cocaïne en/of- gesprekken te voeren over stash-locaties / opslagplaatsen en/of- gesprekken te voeren over het logistieke proces van het vervoeren van cocaïne van- en naar het buitenland en/of- een loods aan [adres] te Tilburg voorhanden te hebben en/of- meerdere sealbags met verpakkingen, een sealmachine en/of weegschaal voorhanden te hebben;
4op 20 maart 2025 te Tilburg , opzettelijk aanwezig heeft gehad- 380 tabletten van een materiaal bevattende 2C-B en - 1328,5 gram van een materiaal bevattende amfetamine en - 92 gram van een materiaal bevattende cocaïne en - 81 zegels van een materiaal bevattende LSD en - 792 tabletten en 135,8 gram van een materiaal bevattende MDMAtelkens zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
5
in de periode van 13 juli 2020 tot en met 18 augustus 2020 in Nederland, meermalen een groot geldbedrag, te weten
- een geldbedrag van 258.440 euro en- een geldbedrag van 33.990 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
6. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
7. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft conform de procesafspraken gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden met aftrek van het voorarrest en tot een geldboete van € 30.000,-. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen bij einduitspraak.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht aan te sluiten bij de procesafspraken. De verdediging heeft verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis niet op te heffen bij einduitspraak.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de in- en uitvoer van en de handel in cocaïne. Daarnaast heeft hij gehandeld in cocaïne. Ook had hij meerdere grote hoeveelheden verdovende middelen aanwezig en heeft hij grote geldbedragen witgewassen.
Het gebruik van drugs brengt gezondheidsrisico’s met zich mee en kan tot blijvende schade leiden. Ook werkt het gebruik van verdovende middelen verslaving in de hand met veelal vermogenscriminaliteit en overlast in de samenleving tot gevolg. De handel in cocaïne leidt, vanwege de grote verdiensten en het geweld waar het doorgaans mee gepaard gaat bovendien tot (gevoelens van) onveiligheid in de samenleving en ondermijning van de rechtstaat. Terwijl verdachte bezig was met het voorzien in zijn eigen financiële behoefte, heeft hij met zijn handelen daaraan een bijdrage geleverd.
Bij het bepalen van de hoogte van de straf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en met de door de Landelijke Commissie voor Straftoemeting opgestelde oriëntatiepunten voor de straftoemeting (LOVS-oriëntatiepunten). Hoewel de feiten deels aanzienlijke tijd geleden zijn gepleegd, is de rechtbank van oordeel dat in beginsel een beduidend zwaardere straf dan opgenomen in de procesafspraken aangewezen is.
De rechtbank is echter van oordeel dat de procesafspraken in deze zaak nopen tot een andere afweging. Dit resulteert in een lagere straf. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit gerechtvaardigd is, omdat verdachte heeft meegewerkt aan de procedure die heeft geleid tot een efficiëntere rechtspleging. Met het meewerken aan het maken van procesafspraken zorgt verdachte ervoor dat de toch al beperkte zittingscapaciteit van de rechtbank wordt ontzien. Ook is het onderzoek ter terechtzitting voortvarend verlopen, nu als gevolg van de procesafspraken geen inhoudelijke verweren zijn gevoerd. Bovendien wordt door naleving van de overeenkomst een eventueel hoger beroep voorkomen. Ook dit levert (potentieel) tijdswinst en kostbare zittingscapaciteit op. Gelet op voornoemde omstandigheden doen de procesafspraken ook recht aan de belangen van de maatschappij.
Indien er geen procesafspraken zouden zijn gemaakt, had de officier van justitie een gevangenisstraf van 66 maanden geëist. Door de verdediging en de officier van justitie is een straf overeengekomen die niet dusdanig van aard is, dat deze uitzonderlijk is. De matiging wordt door de rechtbank als passend beschouwd.
Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat de in de procesafspraken overeengekomen straffen onder de gegeven omstandigheden in redelijke verhouding staan tot de ernst en omvang van de feiten en tot de rol die verdachte daarin heeft gehad. De rechtbank zal dan ook een gevangenisstraf van 40 maanden met aftrek van het voorarrest en een geldboete van € 30.000,- opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
In de procesafspraken zijn het Openbaar Ministerie en de verdediging overeengekomen dat verdachte niet in hoger beroep zal gaan. Dat betekent dat dit vonnis veertien dagen na de einduitspraak onherroepelijk wordt en dat het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis daarmee eindigt. De situatie waarin de schorsingsvoorwaarden van verdachte vervallen terwijl onduidelijk is wanneer de aan hem opgelegde gevangenisstraf wordt geëxecuteerd, acht de rechtbank onwenselijk. Procesafspraken zijn bedoeld om het proces snel en efficiënt te laten verlopen. Executie van de overeengekomen straf is daar onderdeel van. De procesafspraken bevatten geen afspraken over de voorlopige hechtenis. Om de executie van de overeengekomen straf net zoals de rest van het proces voorspoedig te laten verlopen, zal de rechtbank de schorsing van de voorlopige hechtenis opheffen.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 47, 57 en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de
Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, een ander trachten te bewegen om
daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen, zich en een ander
gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te
verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige
reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de
Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 3: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van
de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, een ander trachten te bewegen
om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen, zich en een
ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten
te verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige
reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
feit 4: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de
Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 5: eenvoudig witwassen, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 40 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 30.000,-;
- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete vervangende hechtenis zal worden toegepast van 158 dagen;
Voorlopige hechtenis
- heft de schorsing van de voorlopige hechtenis op met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.J. Kok, voorzitter,
en mrs. M.H.M. Collombon en A.L. Hoekstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. van Biert, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 januari 2026.
Bijlage I
De tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat
1hij in of omstreeks de periode van 3 december 2019 tot en met 4 januari 2021 te Tilburg , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren en/of- het opzettelijk vervaardigen van- een hoeveelheid blokken, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne in élk geval (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwetbehorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet(1) een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,(2) zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en/of(3) voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn/haar mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door- een of meer encryptische/PGP-telefoon(s) voorhanden te hebben,- gebruik te maken van een of meer Sky-ECC account(s) (te weten [account 1] en/of [account 2] ),- (als gebruiker van dat/die account(s)) een of meer gesprekken te voeren met een of meer anderen over het leveren, kopen en/of verkopen van verdovende middelen, te weten hoeveelheden cocaïne, althans (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,- (als gebruiker van dat/die account(s)) een of meer gesprekken te voeren met een of meer anderen over het invoeren, uitvoeren en/of vervoeren van verdovende middelen, te weten hoeveelheden cocaïne, althans (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,- (als gebruiker van dat/die account(s)) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van die verdovende middelen,- (als gebruiker van dat/die account(s)) een of meer afbeeldingen/foto’s van blokken cocaïne, althans hoeveelheden verdovende middelen te ontvangen en/of versturen,- (als gebruiker van dat/die account(s)) (zich) in voornoemd(e) (encryptische) (chat)gesprek(ken) als verkoper/koper/afnemer/tussenpersoon/financier te melden/op te treden;
2hij in of omstreeks de periode van 2 juli 2020 tot en met 15 december 2020 te Tilburg , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een (grote) hoeveelheid blokken, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3hij in of omstreeks de periode van 1 december 2024 tot en met 20 maart 2025 te Tilburg , Gilze-Rijen en/of Amsterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren en/of- het opzettelijk vervaardigen van- meerdere hoeveelheden cocaïne, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne in elk geval (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet(1) een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,(2) zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en/of(3) voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn/haar mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door- meermalen met anderen te ontmoeten in hotels en/of restaurants en/of- gesprekken te voeren over prijzen van blokken cocaïne en/of- gesprekken te voeren over stash-locaties / opslagplaatsen en/of- gesprekken te voeren over het logistieke proces van het vervoeren van cocaïne van- en naar het buitenland en/of- een loods aan [adres] te Tilburg voorhanden te hebben en/of- meerdere sealbags met verpakkingen, een sealmachine en/of weegschaal voorhanden te hebben;
4hij op of omstreeks 20 maart 2025 te Tilburg , althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad- 387 tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2C-B,en/of- 1328,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of- 162,45 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of- 81 zegels, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende LSD en/of- 792 tabletten en/of 145,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA(telkens) zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
5hij in of omstreeks de periode van 13 juli 2020 tot en met 18 augustus 2020 te Tilburg , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (van) een of meer grote geldbedragen, te weten- een geldbedrag van 258.440 euro en/of- een geldbedrag van 33.990 euro en/of- een of meer andere grote geldbedragen,althans enig geldbedrag, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp (en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.