[belanghebbende 1] , uit [woonplaats] ,
[belanghebbende 2] , uit [woonplaats] ,
hierna ook samen te noemen: belanghebbenden
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en
de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger,
hierna ook samen te noemen: verweerders.
Inleiding
1. Op 1 december 2025 heeft de rechtbank de zaken buiten zitting afgedaan en in de uitspraak de inspecteur opgedragen het beroepschrift in behandeling te nemen als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2011, de beroepen ongegrond verklaard voor zover belanghebbenden hebben verzocht om schadevergoeding door schade als gevolg van de aanslag IB/PVV 2011, zich onbevoegd verklaard ten aanzien van de overige verzoeken en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.
Op 11 januari 2026, ontvangen op 13 januari 2026, hebben belanghebbenden een verzetschrift ingediend.
De rechtbank heeft de verzetschriften op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de heer [belanghebbende 1] namens [belanghebbende 2] en zichzelf deelgenomen.
Ter zitting heeft de heer [belanghebbende 1] de zaken ingetrokken, waarbij een intrekkingsverklaring is getekend. De griffie heeft de intrekking op 17 april 2026 verwerkt en partijen hierover bericht. De griffie heeft op 4 mei 2026 het proces-verbaal ter zitting naar partijen gezonden.
Belanghebbenden hebben de rechtbank vervolgens een brief gestuurd, met dagtekening 11 mei 2026, ontvangen op 13 mei 2026, waarin onder andere het volgende vermeld staat:
‘Belanghebbenden kunnen zich vinden wat betreft de tekst van het door de griffier ter zitting van 17 april jl. opgesteld proces-verbaal. Zij het dat daarin de laatste volzin dat “Belanghebbenden de procedures intrekken” voor wat het beroep betreft onjuist is; dit gezien het gegeven dat deze vanuit de zijde van de Belastingdienst noch op hun dd. 3 april jl. aan de Belastingdienst gericht schrijven of anderszins iets naders vernemen.’
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank vat voornoemde passage uit de brief van 11 mei 2026 op als een betwisting van de rechtsgeldigheid van de intrekking van het verzet.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft (dienovereenkomstig) te gelden wat de Hoge Raad daarover in zijn arrest van 23 september 2011 overwogen:
“3.3. Opmerking verdient dat een rechtsgeldige intrekking van het beroep tot gevolg heeft dat het geding eindigt. In een zodanig geval kan een uitspraak op dat beroep achterwege blijven. In een geval als het onderhavige echter, waarin de betrokken partij aan de rechtbank heeft meegedeeld dat zij betwist het beroep (rechtsgeldig) te hebben ingetrokken, moet de rechtbank - indien zij van oordeel blijft dat het beroep rechtsgeldig is ingetrokken - haar constatering van die intrekking neerleggen in een uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Awb, zodat degene die zich daarmee niet kan verenigen daartegen een rechtsmiddel kan aanwenden (…).
Indien de rechtbank in een zodanig geval in haar uitspraak neerlegt dat het beroep rechtsgeldig is ingetrokken, dient die uitspraak uit te monden in een niet-ontvankelijkverklaring als bedoeld in artikel 8:70, letter b, van de Awb.”
De rechtbank stelt vast dat ter zitting is gesproken over de reden waarom belanghebbenden verzet hebben ingesteld en het doel van belanghebbenden dat zij willen bereiken met deze procedure. De rechter heeft ter zitting aan belanghebbende en tevens gemachtigde, de heer [belanghebbende 1] , uitgelegd dat in deze verzetsprocedure enkel een oordeel gegeven kan worden of in de uitspraak van 1 december 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat de beroepen voor zover deze zien op het verzoek om schadevergoeding als gevolg van de aanslag IB/PVV 2011 ongegrond zijn, en ten aanzien van de overige verzoeken dat de rechtbank zich kennelijk onbevoegd heeft verklaard. Als reactie daarop heeft de heer [belanghebbende 1] verklaard dat hij begreep dat onderhavige verzetsprocedure niet kon leiden tot het door hem gewenste doel, waarna hij de intrekkingsverklaring getekend heeft. De rechtbank is van oordeel dat de heer [belanghebbende 1] daarmee uitdrukkelijk en ondubbelzinnig de beroepen heeft ingetrokken. De beroepen zijn daarom rechtsgeldig ingetrokken.
Beslissing
De ingestelde verzetzaken zijn niet-ontvankelijk. Omdat belanghebbenden een rechtsmiddel moeten kunnen instellen, legt de rechtbank de constatering van de intrekking vast in deze uitspraak, waartegen op de reguliere wijze cassatie kan worden ingesteld.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van R.M. Rosta, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.