Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-321289-24
Parketnummer TUL: 10-200817-23
Vonnis van de meervoudige kamer van 29 januari 2026
[verdachte ] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [woonadres] ,
raadsman mr. D.T. Stoof, advocaat te Breda.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Poirters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer en productie van MDMA en (meth)amfetamine.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem ten laste wordt gelegd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Er kan niet worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van wat zich in de bus bevond.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte samen met de medeverdachte op 8 oktober 2024 met een bedrijfswagen over de A58 is gereden. Verdachte was de bestuurder van de bedrijfswagen en [medeverdachte] de bijrijder. De politie heeft de bedrijfswagen bij [tankstation] in Krabbendijke staande gehouden vanwege een melding dat sprake zou zijn van een ontvoering. Bij het openen van de laadruimte werd een sterke amfetaminegeur geroken. Vervolgens werden door de politie allerlei spullen in de bedrijfswagen aangetroffen, zoals:
- een IBC container;
- een RVS ketel;- een RVS koelbuis;
- meerdere gevulde jerrycans;
- meerdere zakken met daarin een harde substantie en
- meerdere maatbekers.
De vloeistoffen en poeders die in de jerrycans en zakken in de bedrijfswagen werden aangetroffen, zijn nader onderzocht door het NFI. Het bleek te gaan om methylamine,
formamide, aceton en zwavelzuur. Ook staan in de tenlastelegging PMK-glycidezuur en helional opgenomen, maar deze werden niet aangetroffen. Wel werd een vloeistof aangetroffen bevattende PMK en de ethylester van PMK-glycidezuur en een vloeistof bevattende PMK en een lage concentratie MDMA.
In de bedrijfswagen werd verder een factuur gevonden van [bedrijf] uit [plaats] . Hier had [verdachte ] op 26 september 2024 twintig stapelbare jerrycans van 25 liter gekocht.
Daarnaast werd in de telefoon (iPhone XS Max) van [verdachte ] een chat gevonden tussen hem en [medeverdachte] . Hierin werden in de periode van 29 oktober 2023 tot en met 6 juli 2024 onder andere de volgende termen teruggevonden:
- ‘ Hebben chauf nodig’;
- ‘ Bergen op Zoom gesprek over handel’;
- ‘ Ze willen 50’;
- ‘ ff tegen die lasser zeggen’;
- ‘ Voor bouwen inrichten etc’;
- ‘ Apaan en kleine dingen brengen’;
- ‘ Hij gaat die dingen bestellen voor de geur’;
- ‘ Moeten nog ff van die maatbekers halen en handschoenen etc’;
- ‘ We moeten eigenlijk ff jerrycans halen wel’;
- ‘ En kan 2k ophalen bij lange’;
- ‘ Dan moet jij maar ff 300 pakken voor jezelf’;
- ‘ Van die 2k’;
- ‘ Oké bus is geregeld’
- ‘ Moet nog afkoelen en scheiden’;
- ‘ mss kan je terug weg die pap meenemen’;
- ‘ Ik ga zo naar de andere kant ivm controle popo’;
- ‘ Leuke handel man’;
- ‘ Haha rvs’;
- ‘ Ketels’.
In de bij [verdachte ] in gebruik zijnde telefoon (iPhone 8) werd een chatgesprek aangetroffen tussen hem en ene ‘ [naam] ’ op 1 oktober 2024 met daarin de volgende teksten:
- ‘ Via die zwager staat nu 24 wij krijgen beter prijs’;
- ’22.800 + 18.700 + 6.050’;
- ’40.830 + 88.000 =’;
- ‘128 830’;
- ‘ Kunnen mss iets geks doen’;
- ‘ Met die van Duitsland hij heeft nog 2200 kg appaan’;
- ‘50/50’;
- ‘ Hij heeft geen plek en vertrouwd alleen mij’;
- ‘ Moet dan kok kosten betalen’;
- ‘ En chems’.
Voorhanden hebben
Er is sprake van ‘voorhanden hebben’ zoals bedoeld in de artikel 10a van de Opiumwet als verdachte de wetenschap van en de beschikkingsmacht over de aangetroffen voorwerpen en stoffen had. De rechtbank stelt vast dat de in de tenlastelegging opgenomen voorwerpen en stoffen zijn aangetroffen in een bedrijfswagen waarvan verdachte de bestuurder was.
Alternatief scenario
Verdachte heeft in eerste instantie geen verklaring willen afleggen, maar is ter zitting wel met een verklaring gekomen. Hij heeft verklaard dat hij niet op de hoogte was van wat er in de bedrijfswagen zat. Hij was gevraagd door een bekende van de motorcross om diens oom te helpen door een ketel en potjes en pannetjes naar Barendrecht te brengen. De oom heette [naam 1] of [naam 2] . Over meer gegevens of een telefoonnummer van deze oom beschikt verdachte niet. Verdachte heeft zelf niet in de laadruimte van de bedrijfswagen gekeken en ook de te vervoeren spullen daar niet zelf ingezet. Wel dacht hij dat er iets niet klopte, maar kon hij er de vinger niet op leggen wat dat dan was. Verdachte zou € 250,00 krijgen voor het vervoeren van de spullen. Uit angst voor represailles heeft verdachte hierover niet eerder willen verklaren.
Verdachte heeft een alternatief scenario geschetst, dat erop neerkomt dat hij geen wetenschap had van de in de bedrijfswagen aangetroffen spullen. Over de vraag of dit scenario aannemelijk is en daarmee in de weg staat aan een bewezenverklaring, overweegt de rechtbank als volgt. Vooropgesteld zij dat verdachte ervoor heeft gekozen om pas in een laat stadium met deze verklaring te komen. Dat doet naar het oordeel van de rechtbank afbreuk aan de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaring. Dit geldt temeer nu verdachte geen enkele mogelijkheid heeft aangedragen om zijn verklaring te toetsen.
Daarnaast bevat het dossier geen enkel aanknopingspunt voor het door verdachte geschetste scenario. Wel zijn er chatgesprekken op de bij verdachte in gebruik zijnde telefoons aangetroffen. De inhoud van die gesprekken wijst op betrokkenheid van verdachte bij de productie van synthetische drugs. Verdachte geeft over deze voor hem belastende gesprekken geen enkele uitleg.
De rechtbank acht de door verdachte afgelegde verklaring dan ook niet geloofwaardig en schuift het alternatieve scenario terzijde.
Gelet op de chatgesprekken tussen verdachten, de hoeveelheid aangetroffen chemische stoffen en goederen en de geur die vrijkwam toen de politie de laadruimte opende, stelt de rechtbank vast dat het niet anders kan dan dat beide verdachten wetenschap hebben gehad van wat er in de bedrijfswagen lag. Verdachte had de voorwerpen en stoffen daarmee samen met [medeverdachte] voorhanden.
Opzet op voorbereidingshandelingen
Het is de rechtbank vanuit andere strafzaken bekend dat IBC’s en RVS-ketels vaak gebruikt worden bij het productieproces in drugslabs. Wat de RVS-koelbuis betreft, is de rechtbank ambtshalve bekend dat dit een deel van een (productie)ketel betreft. Gelet op de aard en de combinatie van de goederen in de bedrijfswagen en de in de telefoon van [verdachte ] aangetroffen communicatie met onder meer [medeverdachte] , concludeert de rechtbank dat verdachten goederen en chemicaliën voorhanden hadden die bestemd waren voor het vervaardigen en bewerken van synthetische drugs. Door deze spullen te vervoeren, terwijl zij wisten waar deze voor gebruikt worden, is het opzet van verdachten naar het oordeel van de rechtbank hierop ook gericht geweest.
Gelet op de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van harddrugs.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 8 oktober 2024 te Krabbendijke, tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van MDMA en/of amfetamine en/of methamfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
- voorwerpen, een vervoermiddel en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededader wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten
- een bedrijfswagen,
- een IBC van 600 liter,
- maatbekers,
- jerrycans,
- een RVS-ketel,
- een RVS koelbuis,
- methylamine,
- formamide,
- aceton en
- zwavelzuur.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van
24 maanden met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ter hoogte van het reeds uitgezeten voorarrest, aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf van een paar maanden en een taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich, samen met medeverdachte [medeverdachte] , schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs. Op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte een rol heeft gespeeld in een vroeg stadium van de productie van deze drugs. Desalniettemin is het handelen van verdachte te kwalificeren als essentieel voor het vervaardigen of bewerken ervan. Ondanks het feit dat verdachte een bescheiden rol heeft gehad, vormt hij tegelijkertijd een onmisbare schakel in de productie en de uiteindelijke verkoop en het gebruik van verdovende middelen. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. Voor de productie van synthetische drugs wordt immers gebruik gemaakt van chemische grondstoffen, die bijzonder schadelijk zijn voor de volksgezondheid en het milieu. Verder leveren harddrugs voor de gebruikers ernstige gezondheidsrisico’s op. Tot slot gaat de handel in drugs gepaard gaat met andere, ernstige vormen van criminaliteit. Verdachte heeft kennelijk slechts zijn eigen financiële gewin voor ogen gehad en daarbij geen acht geslagen op de hiervoor beschreven schadelijke effecten.
De rechtbank houdt bij de strafbepaling rekening met het strafblad van verdachte. Hij is al meerdere keren veroordeeld geweest, maar niet in het kader van de Opiumwet.
In het rapport van de reclassering van 13 februari 2025 over de persoon van verdachte wordt een relatie tussen het delict en de leefgebieden ‘sociaal netwerk’ en ‘financiën’ niet uitgesloten. Verdachte heeft geen betaalde arbeid. Hij is arbeidsongeschikt verklaard. Ook heeft hij geen alternatieve daginvulling en/of dagstructuur. Verdachte ontvangt een WIA-uitkering en heeft een belastingschuld opgebouwd in België. Hij geeft beperkt openheid over zijn sociaal netwerk. De reclassering sluit een negatief sociaal netwerk en agressie-regulatieproblematiek niet uit. Er zijn aanwijzingen van impulsiviteit, controleverlies en agressie. Deze problemen kunnen niet aan de onderhavige verdenking worden gekoppeld, waardoor inzet hierop niet wordt geadviseerd. Verdachte geeft ook aan geen meerwaarde te zien in een toezicht gericht op gedragsverandering en zegt niet open te staan voor hulpverlening. Hij zegt niet mee te werken aan een forensisch kader indien dit wordt opgelegd. Hij wenst absoluut geen bemoeienis van buitenaf en zegt ook zich niet te gaan houden aan eventuele bijzondere voorwaarden of een toezicht bij de reclassering. Verdachte wenst geen voorwaardelijk deel van de straf en zit dan liever zijn straf uit of voert een werkstraf uit. Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als hoog. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Er worden geen mogelijkheden gezien om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen.
In strafverzwarende zin houdt de rechtbank rekening met het feit dat sprake is van medeplegen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan dit feit terwijl hij in een proeftijd liep. Het lijkt er dus op dat verdachte nauwelijks van zijn fouten leert. Om deze reden, en ook gelet op hetgeen de reclassering hierover heeft opgemerkt, is er voor de rechtbank geen aanleiding om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen.
Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank in dit geval op dit strafbare feit niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat het opleggen aan verdachte van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden passend en geboden is.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. Het beslag
De verbeurdverklaring
Het in beslag genomen voorwerp, een iPhone, wordt verbeurd verklaard. Het voorwerp is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf verbeurdverklaring op te leggen, omdat het voorwerp aan verdachte toebehoort en het bewezen feit met behulp van dit voorwerp is voorbereid.
8. De vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke taakstraf van 60 uur, te vervangen door 30 dagen hechtenis, die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Rotterdam van 20 november 2023 ten uitvoer zal worden gelegd.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op artikel 33, 33a en 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
10. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Beslag
- verklaart verbeurd het volgende voorwerp:
een telefoontoestel (omschrijving: PL2000-2024259628-G2780157, zwart, merk: IPhone);
Vordering tenuitvoerlegging
- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Rotterdam van 20 november 2023 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 10-200817-23 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een taakstraf van 60 uur, te vervangen door
30 dagen hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Skalonjic, voorzitter, mr. G.H. Nomes en
mr. L.W. Boogert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.E.A.M. van der Ven-van de Riet, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 januari 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 8 oktober 2024 te Krabbendijke, althans in
Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de
Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland
brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,
afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van MDMA en/of amfetamine en/of methamfetamine, in elk geval een
middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere
betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of
zijn mededaders, wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat
zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten
- een bedrijfswagen,
- een IBC van 600 liter,
- een of meer maatbekers,
- een of meer jerrycans,
- een RVS-ketel,
- een RVS koelbuis,
- PMK-glycidezuur,
- Helional,
- methylamine,
- formamide,
- aceton en/of
- zwavelzuur.
(art 10a lid 1 ahf/sub 1 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 2 Opiumwet, art
10a lid 1 ahf/sub 3 Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van
Strafrecht)