Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02.139567.25 en 02-231629-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 9 juni 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1977,
preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [plaats 2] ,
raadsman mr. N.P.C.C. Langenberg, advocaat te Breda.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaken zijn inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 december 2025, waarbij de officier van justitie mr. E.A. Kool en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter terechtzitting van 10 december 2025 zijn de beide zaken onder de afzonderlijke parketnummers gevoegd.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
02-139567-25: in de periode van 1 april 2025 tot en met 6 mei 2025 [slachtoffer 1] meerdere malen heeft bedreigd met de dood dan wel met zware mishandeling.
02-231629-25: Dat verdachte op 3 september 2025 (primair) heeft geprobeerd [slachtoffer 2] te doden, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel (subsidiair) haar heeft mishandeld.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
02-139567-25: De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] gedurende een periode van een maand heeft bedreigd met de dood, gelet op de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte bij de politie en ter terechtzitting.
02-231629-25: De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer 2] te doden, gelet op de filmpjes en foto’s in het dossier en de verklaring van mevrouw [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris. Verdachte heeft met een machete om zich heen gezwaaid en de machete op de keel van [slachtoffer 2] gezet, gelet waarop er sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood.
Het standpunt van de verdediging
02-139567-25: De verdediging stelt dat voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is en verdachte dit feit heeft bekend.
02-231629-25: De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging doodslag dan wel poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel kan komen. De subsidiair ten laste gelegde mishandeling kan wel bewezen worden verklaard.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
02-139567-25: Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting op 26 mei 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] op 3 mei 2025, opgenomen op pagina 82 en 83 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2025112817.
02-231629-25: Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 3 september 2025 is er een ruzie ontstaan in de woning van [slachtoffer 2] tussen verdachte en deze [slachtoffer 2] . Zowel verdachte als [slachtoffer 2] waren op dat moment onder invloed van alcohol en drugs. Verdachte heeft een machete gepakt en hiermee rondgezwaaid. Hierbij heeft hij [slachtoffer 2] op haar arm geraakt. Ter terechtzitting heeft verdacht bekend dat hij de machete vast heeft gehad en dat er een worsteling heeft plaatsgevonden tussen hem en [slachtoffer 2] . Ook heeft verdachte bekend dat hij [slachtoffer 2] heeft geslagen.
Poging doodslag of toebrengen zwaar lichamelijk letsel?
De rechtbank kan op basis van het procesdossier niet vaststellen dat verdachte bij het maken van de zwaaibeweging met de machete vol opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 2] , in die zin dat verdachte uit was op de dood van [slachtoffer 2] . De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Van voorwaardelijk opzet is sprake wanneer de gedragingen van verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg in het leven hebben geroepen en verdachte het risico op het intreden van deze gevolgen ook bewust heeft aanvaard. Het antwoord op de vraag of een kans aanmerkelijk is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht.
Uit de feitelijke gedragingen zoals die hiervoor zijn beschreven, kan niet worden afgeleid dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 2] hierdoor zou komen te overlijden. Hoewel het slaan met een machete op bijvoorbeeld het hoofd dodelijk letsel kan veroorzaken, veroorzaakt niet elke slaande beweging automatisch een aanmerkelijke kans op overlijden. Uit het dossier blijkt onvoldoende of [slachtoffer 2] met de machete op het hoofd is geslagen, of hoe hard [slachtoffer 2] dan zou zijn geraakt op het hoofd. Ook waar het gaat om andere plaatsen waar zij zou zijn geraakt, blijkt onvoldoende hoe hard zij daar geraakt zou zijn. Daarbij is van belang dat [slachtoffer 2] zelf heeft verklaard dat de machete bot was en zij er heel anders uit had gezien als het een scherpe machete was geweest. Gelet hierop is de kracht waarmee de bewegingen zijn gemaakt en [slachtoffer 2] is geraakt, extra van belang. Er is daarom onvoldoende wettig bewijs dat met de zwaaiende beweging door verdachte dodelijk letsel had kunnen ontstaan door slag- of snij/steekverwondingen. De rechtbank zal verdachte dus vrijspreken van de ten laste gelegde poging doodslag.
Wel heeft verdacht door zijn handelen, het met de machete zwaaien in de richting van [slachtoffer 2] , op zijn minst voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] . Alhoewel verdachte mogelijk niet uit is geweest op het zwaar verwonden van [slachtoffer 2] , is de kans groot dat dit wel gebeurt door met een dergelijk groot mes, een machete, meerdere keren slaande bewegingen te maken. Gelet op het formaat van de machete, is ook met een bot lemmet sprake van gevaarlijk handelen door verdachte. Verdachte heeft daarbij [slachtoffer 2] ook daadwerkelijk geraakt en een (snij)wond in haar arm toegebracht. Daarmee heeft verdachte de grote kans op het zwaar verwonden van [slachtoffer 2] op de koop toe genomen. Het is een geluk geweest dat het bij voormelde verwonding is gebleven en dat [slachtoffer 2] geen ander, zwaarder letsel heeft opgelopen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat verdachte [slachtoffer 2] ook heeft geslagen tegen het hoofd.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
02-139567-25
op meerdere tijdstippen in de periode van 1 april 2025 tot en met 6 mei 2025 in Nederland, [slachtoffer 1] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] schriftelijk, (via WhatsApp) één of meerdere berichten te versturen met daarin de teksten:
- " ik schiet een paar kogels in jou flikker maat en dat zweer ik op mijn moeder", en
- een emoji van een doodshoofd, en
- afbeeldingen met schietwapens en patronen en daarbij dreigend de tekst "in jouw gezicht" en "voor jou" toe te voegen;
02-231629-25
op 3 september 2025 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 2] :
- met een machetein de arm, heeft gesneden en/of geslagen, en
- die [slachtoffer 2] meermaals heeft geslagen tegen het hoofd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaar, onder de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Daarnaast eist de officier van justitie dat aan verdachte wordt opgelegd een contactverbod met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en een locatieverbod voor de woonadressen van deze twee personen als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 5 jaar, te vervangen door 2 weken hechtenis voor iedere keer dat verdachte niet aan de maatregel voldoet.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging wijst erop dat verdachte al ruim acht maanden in voorarrest zit en verzoekt verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest. Verdachte maakt geen bezwaar tegen oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door reclassering. Hij heeft de in een eerdere strafzaak opgelegde bijzondere voorwaarden ervaren als een stok achter de deur en zal ook deze keer de voorwaarden nakomen. De verdediging maakt geen bezwaar tegen een contact- en locatieverbod ten aanzien van beide slachtoffers.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreigingen tegen het leven gericht van de heer [slachtoffer 1] . Hij heeft in een periode van ruim één maand meermaals, zelfs meermaals per dag, berichten via WhatsApp verstuurd met bedreigingen. De laatste dagen van de periode stuurde verdachte wel 50 tot 60 berichten per dag. Onder de berichten bevonden zich afbeeldingen van een vuurwapen, vergezeld van uitlatingen dat de kogel tussen de ogen van [slachtoffer 1] zou belanden. De bedreigingen hebben een grote impact gehad op [slachtoffer 1] . Uit de vordering benadeelde partij blijkt dat hij sinds de bedreigingen structureel slecht slaapt en stressklachten ervaart. Door zijn handelen heeft verdachte gevoelens van angst veroorzaakt bij [slachtoffer 1] .
Daarnaast heeft verdachte geprobeerd om [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Verdachte was in de woning van [slachtoffer 2] aanwezig om te feesten, zoals hij wel vaker deed. Er is echter een ruzie ontstaan tussen verdachte en [slachtoffer 2] waarbij verdachte met een machete in de richting van [slachtoffer 2] heeft gezwaaid en haar hierbij ook heeft geraakt op haar arm. Verdachte heeft door zijn handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 2] . Verdachte heeft door een machete te pakken en daarmee te zwaaien terwijl hij onder invloed was zeer gevaarlijk gehandeld. Dat [slachtoffer 2] relatief licht letsel aan het feit heeft overgehouden is niet aan het handelen van verdachte te danken geweest. Dergelijke geweldsdelicten zorgen ook in zijn algemeenheid voor gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
3 december 2025, waaruit blijkt dat verdachte al eerder is veroordeeld voor misdrijven waarbij sprake is geweest van geweld.
De rechtbank heeft kennis genomen van het reclasseringsadvies van 4 december 2025. Daarin staat dat verdachte een uitgebreid justitieel verleden heeft en een hardnekkig, langdurig delictpatroon op het gebied van vermogens- en geweldsdelicten. De huidige verdenkingen passen binnen dit patroon. Bij verdachte is op alle leefgebieden sprake van instabiliteit. Hij beschikt niet over stabiele huisvesting, heeft geen dagbesteding, kampt met hoge schulden en bevindt zich in een negatief sociaal netwerk. Ook is er sprake van middelengebruik (alcohol, cannabis en cocaïne), psychosociale problemen en een pro-criminele houding. Verdachte leidt al lange tijd een criminele levensstijl en ondanks goede bedoelingen lukt het hem niet deze levensstijl te doorbreken. Gelet op de instabiliteit op alle leefgebieden wordt het risico op recidive hoog ingeschat. Voor het ondersteunen bij het loskomen van zijn criminele leefstijl is een langdurig en intensief traject nodig, waarin motivatie en doorzettingsvermogen essentieel zijn. Gelet daarop wordt reclasseringstoezicht geadviseerd, zodat de reclassering dit traject kan coördineren en de benodigde begeleiding kan bieden. De reclassering adviseert om bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, namelijk de meldplicht, ambulante begeleiding en behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contact- en locatieverbod met de slachtoffers, het vinden en behouden van dagbesteding, meewerken aan schuldhulpverlening en aan middelencontrole.
De straf
Gezien het voorgaande en in het bijzonder de aard en ernst van de feiten en de omstandigheid dat verdachte vaker veroordeeld is voor soortgelijke feiten, acht de rechtbank enkel een gevangenisstraf passend.
De rechtbank komt wel tot een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist. Dit heeft met name te maken met de omstandigheid dat de officier van justitie in de zaak 02-231629-25 een poging tot doodslag bewezen acht en de rechtbank niet. De rechtbank vindt het daarnaast van belang dat van de gevangenisstraf ook een gedeelte voorwaardelijk wordt opgelegd. Dit als stok achter de deur, om verdachte ervan te weerhouden om wederom een strafbaar feit te begaan. De rechtbank koppelt aan het voorwaardelijk deel - naast de algemene voorwaarden - als bijzondere voorwaarden de meldplicht, het meewerken aan ambulante begeleiding en behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening en middelencontrole.
De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen in de zin van artikel 38v Sr, namelijk een contactverbod met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en een locatieverbod voor de woonadressen van deze slachtoffers. De rechtbank legt deze vrijheidsbeperkende maatregel op voor de duur van 2 jaar. Gedurende die periode zal hier per overtreding 14 dagen hechtenis tegenover staan met een maximum van 6 maanden.
7. Het beslag
02-139567-25
De verbeurdverklaring
De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen goederen, een drietal telefoontoestellen, verbeurd te verklaren.
De verdediging maakt hiertegen bezwaar en stelt dat de inbeslaggenomen telefoontoestellen terug kunnen naar verdachte.
De rechtbank zal, overeenkomstig de vordering van de officier van justitie, de inbeslaggenomen voorwerpen verbeurdverklaren. De voorwerpen zijn hiervoor vatbaar, nu het bewezen feit daarmee is begaan en deze toebehoren aan verdachte.
02-231629-25
De onttrekking aan het verkeer
De officier van justitie heeft gevorderd het in beslaggenomen voorwerp, een mes (machete), onttrokken dient te worden aan het verkeer.
De verdediging maakt hiertegen geen bezwaar.
De rechtbank zal, overeenkomstig de vordering van de officier van justitie, het inbeslaggenomen voorwerp onttrekken aan het verkeer. Het voorwerp is aangetroffen bij het onderzoek naar het bewezenverklaarde en het ongecontroleerde bezit ervan is in strijd met de wet.
8. De vorderingen van de benadeelde partijen
02-139567-25
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.500,- ingediend, bestaande uit immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt het gevorderde bedrag aan de hoge kant en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging vindt de vordering hoog, te meer omdat onderliggende stukken ontbreken. Er wordt gesteld dat er sprake is van PTSS-klachten, maar dit wordt niet onderbouwd. De verdediging verzoekt het bedrag te matigen.
Het oordeel van de rechtbank
De benadeelde heeft aangevoerd dat hij nadelige psychische gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en de ernst van de normschending door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Wel is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat onderbouwing voor de PTSS-klachten ontbreekt, in die zin dat er geen sprake is van een diagnose.
Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank een vergoeding van een bedrag van € 500,- billijk
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de gevorderde schade dan ook toewijzen tot een bedrag van € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de gevorderde schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
02-231629-25
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 25.188,28 ingediend, bestaande uit € 188,48 aan materiële schade en € 25.000,- aan immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt het gevorderde immateriële schadebedrag aan de hoge kant en verzoekt de rechtbank gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid. De gevorderde materiële schadevergoeding kan volgens de officier van justitie worden toegewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt dat een medische verklaring van het letsel dat [slachtoffer 2] heeft opgelopen ontbreekt. Volgens de verdediging ligt de gevorderde materiële schade voor toewijzing gereed. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade verzoekt de verdediging in aansluiting bij de door de verdediging aangehaalde jurisprudentie het schadebedrag vast te stellen op € 1.100,-.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De gevorderde materiële schadevergoeding van € 188,48 acht de rechtbank voldoende onderbouwd. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte. De schade is dan ook een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit. In zoverre is de vordering toewijsbaar.
Immateriële schade
Benadeelde heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat zij ernstige nadelige lichamelijke en geestelijke gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Niet weersproken is dat zij als gevolg van het feit lichamelijk letsel heeft opgelopen en momenteel nog psychische klachten ondervindt. Enige immateriële schade komt dan ook voor vergoeding in aanmerking. Onderbouwing van het volledige bedrag van € 25.000,- in de vorm van bijvoorbeeld een diagnose door een arts of psycholoog ontbreekt echter.
Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank een vergoeding van een bedrag van € 1.100,- billijk. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de gevorderde immateriële schade dan ook toewijzen tot een bedrag van € 1.100,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de gevorderde immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 38v, 38w, 45, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
02-139567-25: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
02-231629-25: poging tot zware mishandeling
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* Meldplicht bij reclassering (na afspraak)
Verdachte meldt zich na uitnodiging bij Verslavingsreclassering - Novadic-Kentron. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Binnen dit toezicht werkt verdachte aan bewustwording van de levensstijl en middelenproblematiek. Hiertoe volgt verdachte de begeleidingsmodule Stap voor Stap.
* Ambulante begeleiding
Verdachte laat zich begeleiden door een nader te bepalen zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De begeleiding start zo spoedig mogelijk. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding.
* Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname)
Verdachte laat zich behandelen door Forensische verslavingszorg - Novadic-Kentron of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt.
* Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Verdachte verblijft in een nader te bepalen instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zo spoedig mogelijk. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
* Dagbesteding
Verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
* Meewerken aan schuldhulpverlening
Verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
* Meewerken aan middelencontrole
Verdachte werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd.
voorwaarden daarbij zijn:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- draagt de reclasseringsinstelling Verslavingsreclassering Novadic-Kentron op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Maatregel
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van twee jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 2] 1958;
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van twee jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 3] 1977;
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden.
- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van twee jaren zich niet zal ophouden in de navolgende gebieden:
* in de gemeente Halderberge;
* het deel van de [straat 1] te [plaats 1] gelegen tussen de [straat 2] en de [straat 3] ;
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden.
- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
Benadeelde partij [slachtoffer 1] (02-139567-25)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 6 mei 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , € 500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 6 mei 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 5 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Benadeelde partij [slachtoffer 2] (02-231629-25)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 1.288,48, waarvan € 188,48 aan materiële schade en € 1.100,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 3 september 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , € 1.288,48 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 3 september 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 12 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Beslag
- verklaart verbeurd de volgende voorwerpen:
* telefoontoestel (omschrijving: PL2000-2025102911-G2857266, zwart, merk: Motorola)
* telefoontoestel (omschrijving: PL2000-2025102911-G2857255, zwart, merk: Samsung)
* telefoontoestel (omschrijving: PL2000-2025102911-2857256, zwart, merk: Redmi);
- verklaart aan het verkeer onttrokken het volgende voorwerp:
* Mes (omschrijving: PL2000-2025235422-G2902841).
Dit vonnis is gewezen door J.P.E. Mullers, voorzitter,
en mr. D.H. Hamburger en mr. B. AkdikanS. Tempel, rechters,
in tegenwoordigheid van I.H.E. van Diepen, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 juni 2026.
De oudste en de jongste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
02-139567-25
- "ik schiet een paar kogels in jou flikker maat en dat zweer ik op mijn moeder", en/of
- een emoji van een doodshoofd, en/of
- een of meerdere afbeeldingen met één of meerdere schietwapens en/of patronen en/of (daarbij) dreigend de tekst "in jouw gezicht" en/of "voor jou" toe te voegen;
(art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht)