ECLI:NL:RBZWB:2026:5100

ECLI:NL:RBZWB:2026:5100

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 18-05-2026
Datum publicatie 10-06-2026
Zaaknummer 11039865 \ MB VERZ 24-503
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Tilburg

Samenvatting

gedeeltelijk gegrond: beroep tegen verkeersboete, gedeeltelijk gegrond + proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht

Zittingsplaats Tilburg

zaaknummer.: 11039865 \ MB VERZ 24-503

CJIB-nummer: [cjib-nummer]

uitspraakdatum: 18 mei 2026

proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)

in de zaak van

naam : [betrokkene]

adres : [adres]

woonplaats : [woonplaats]

hierna: betrokkene

gemachtigde : mr. M. Lagas (Appjection B.V.)

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.

De zaak is behandeld op de zitting van 18 mei 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. E.J.T. Berkeljon (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Namens gemachtigde is verschenen [persoon] . Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: handelen in strijd met een geslotenverklaring (bord C2 van het RVV1990 eenrichtingsverkeer) op de Brucknerlaan te Tilburg op 26 september 2022 om 15:39 uur.

Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat betrokkene ten onrechte niet is staandegehouden. Ingevolge artikel 5 Wahv en vaste jurisprudentie van het gerechtshof volgt dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding voordoet, artikel 5 Wahv buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan de bestuurder dient te worden opgelegd. Uit de verklaring van de verbalisant uit het zaakoverzicht volgt niet dat er geen reële mogelijkheid was om betrokkene staande te houden. Verder is de verklaring summier. Gemachtigde verwijst naar jurisprudentie en verzoekt om een proceskostenvergoeding.

Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat uit de verklaring van de verbalisant volgt dat sprake was van een statische controle en later in het aanvullend proces-verbaal hieraan wordt toegevoegd dat niet alle voertuigen staande konden worden gehouden. Hieruit volgt niet expliciet dat ze op het moment dat betrokkene de gedraging beging met een ander voertuig bezig waren. Daarbij is de verklaring van de verbalisant onduidelijk en vatbaar voor aannames over wat de bedoeling kon zijn geweest. Ook is sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn.

De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het aanvullend proces-verbaal is voldoende duidelijk en hierin wordt voldoende toegelicht hoe de statische controle is ingericht. Er kan uit worden geconcludeerd dat de verbalisanten bezig waren met een andere staandehouding, waardoor ze betrokkene niet staande konden houden. Gelet op het voorgaande is het beroep volgens de zittingsvertegenwoordiger inhoudelijk ongegrond, maar omdat de hoorplicht is geschonden en de redelijke termijn is overschreden, is er aanleiding om de boete tweemaal met 25% te matigen. Verder hoort de foto uit het dossier bij een andere zaak.

Overwegingen

Inhoudelijk

Ondanks het feit dat het dossier een onjuiste foto bevat van vermoedelijk een andere zaak, is de kantonrechter van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. De kantonrechter ziet in wat gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om hieraan te twijfelen.

Voorts volgt uit artikel 5 Wahv het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de verbalisant de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een boete kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de boete aan de kentekenhouder worden opgelegd.

Volgens het aanvullend proces-verbaal heeft de verbalisant afgezien van een staandehouding omdat sprake was van een statische controle, waarbij het onmogelijk was om alle bestuurders staande te houden.

Naar het oordeel van de kantonrechter was er dan ook geen reële mogelijkheid tot staandehouding. De boete is dus terecht opgelegd aan de kentekenhouder.

Schending hoorplicht

Betrokkene heeft, zonder tussenkomst van een gemachtigde, beroep aangetekend bij de officier van justitie. Die heeft betrokkene niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Dit is een schending van de hoorplicht, die volgens vaste rechtspraak moet leiden tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep.

Het beroep tegen die beslissing is om die reden gegrond.

De kantonrechter ziet hierin ook reden om de boete te matigen met 25% (zie het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2022:9934).

Overschrijding redelijke termijn

Iedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.

In dit geval is de redelijke termijn overschreden.

Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete nogmaals matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369).

Het beroep tegen de inleidende beschikking is gelet hierop gedeeltelijk gegrond en die beschikking zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.

Proceskostenvergoeding

Ook zal de kantonrechter een proceskostenvergoeding toekennen.

De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:

beroepschrift 1 punt + zitting 1 punt = 2 punten x gewicht 0,5 x € 934,- = € 934,00.

Beslissing

De kantonrechter:

‒ verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep gegrond en vernietigt die beslissing;

‒ verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de boete wordt gewijzigd in

€ 84,38,-, plus € 9,- administratiekosten;

‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 65,62,-, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;

‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 934.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.

Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.

Datum verzending:

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. K. Verschueren

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand