RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Tilburg
zaaknummer.: 11031684 \ MB VERZ 24-477
CJIB-nummer: [cjib-nummer]
uitspraakdatum: 18 mei 2026
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. N.G.A. Voorbach (Verkeersboete.nl)
Verloop van de procedure
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 18 mei 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. E.J.T. Berkeljon (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Namens gemachtigde is verschenen mr. B. Benedict. Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: een voertuig parkeren waar dat niet mag (bord E1, parkeerverbod(szone) op de Marijkestraat te Rijen op 15 juni 2023 om 16:22 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de officier van justitie ten onrechte heeft afgezien van het horen. De enkele omstandigheid dat de beslissingstermijn afloopt, rechtvaardigt nog niet zonder meer dat af wordt gezien van het horen. Gemachtigde verwijst naar jurisprudentie. Verder is artikel 13a lid 2 Wahv in strijd met het gelijkheidsbeginsel/discriminatieverbod. Verzocht wordt om de boete met 25% te matigen en een proceskostenvergoeding toe te kennen. Aanvullend wordt gesteld dat de gedraging niet is begaan. Betrokkene stond met het voertuig voor het bord waar het parkeerverbod ingaat. Betrokkene heeft daar ook maar heel even gestaan en was hiertoe genoodzaakt omdat zijn zoontje van 8 jaar oud misselijk werd. Daarom zijn ze uitgestapt en kozen ze ervoor om naar de bosjes toe te gaan. Gemachtigde stelt verder dat de verklaring van betrokkene onvoldoende wordt weerlegd aan de hand van beschikbare gegevens. Verder is een onjuiste feitcode gebruikt. Feitcode R315B had moeten worden gebruikt voor het parkeren op een trottoir. Wijzigen is vanwege een hoger sanctiebedrag niet mogelijk. Daarnaast is de redelijke termijn overschreden. Gemachtigde verwijst naar jurisprudentie en verzoekt om een proceskostenvergoeding.
Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat primair wordt verzocht om de boete te vernietigen en subsidiair wordt verzocht om de boete tweemaal te matigen met 25% omdat de hoorplicht is geschonden en de redelijke termijn is overschreden. Voorts wordt de beroepsgrond over artikel 13a lid 2 Wahv ingetrokken omdat dit inmiddels is achterhaald.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het bord waarvoor betrokkene stond is een herhalingsbord, waardoor betrokkene zich dus wel al in een parkeerverbodszone bevond. Het klopt dat betrokkene inderdaad deels op het trottoir stond, maar ook deels op de rijbaan, waardoor de gedraging juist is vastgesteld en een wijziging van de feitcode niet vereist is. Gelet op het voorgaande is het beroep volgens de zittingsvertegenwoordiger inhoudelijk ongegrond, maar omdat de hoorplicht is geschonden en de redelijke termijn is overschreden, dient de boete tweemaal met 25% gematigd te worden.
Overwegingen
Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de gemachtigde voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken.
De kantonrechter ziet in wat gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. De stelling dat betrokkene maar even stilstond wordt tegengesproken door het aanvullend proces-verbaal waarin is verklaard dat er gedurende tijd van 10 minuten geen bestuurder aanwezig was. Daarbij ziet de kantonrechter geen aanleiding om de feitcode te wijzigen. Een enkele stelling dat een andere feitcode ook van toepassing kan zijn noodzaakt het wijzigen ervan niet.
De boete is dus terecht aan betrokkene als kentekenhouder opgelegd.
Schending hoorplicht
De officier van justitie heeft gemachtigde en betrokkene niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Dit is een schending van de hoorplicht, die volgens vaste rechtspraak moet leiden tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep. Het beroep tegen die beslissing is om die reden gegrond.
De kantonrechter ziet hierin ook reden om de boete te matigen met 25%.
Overschrijding redelijke termijn
Iedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de redelijke termijn overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete nogmaals matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
Het beroep tegen de inleidende beschikking is gelet hierop gedeeltelijk gegrond en die beschikking zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Proceskostenvergoeding
Omdat de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter. De beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep is van na 31 december 2023. Daarom is de vermenigvuldigingsfactor 0,25 van artikel 13a, lid 2, Wahv van toepassing.
De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:
beroepschrift 1 punt + zitting 1 punt = 2 punten x gewicht 0,5 x € 934,- x 0,25 = € 233,50.
Beslissing
De kantonrechter:
€ 61,88,-, plus € 9,- administratiekosten;
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: