ECLI:NL:RBZWB:2026:511

ECLI:NL:RBZWB:2026:511

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 29-01-2026
Datum publicatie 29-01-2026
Zaaknummer 11879066 AZ VERZ 25-59 (E)
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Onregelmatige opzegging arbeidsovereenkomst. Werkgever erkent dat hij werkneemster ten onrechte op staande voet heeft ontslagen. Verzochte gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding, billijke vergoeding en achteratllig loon inclusief nevenvorderingen toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer / rekestnummer: 11879066 \ AZ VERZ 25-59

Beschikking van 29 januari 2026

in de zaak van

[verzoeker] ,

te [plaats 1] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen: [verzoeker] ,

gemachtigde: mr. L. Barou,

tegen

[verweerder] , handelend onder de naam [eenmanszaak] en [bedrijf],

te [plaats 2] ,

verwerende partij,

hierna te noemen: [verweerder] ,

procederend in persoon.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift;

- de mondelinge behandeling van 25 januari 2026;

- de pleitnota van [verzoeker] .

De beschikking is bepaald op vandaag.

2. De feiten

[verzoeker] , geboren [datum] 1975, is op 1 april 2025 in dienst getreden bij [verweerder] , op basis van een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, van rechtswege eindigende op 30 september 2025. De functie van [verzoeker] is beheerder met een loon van € 1.200,00 bruto per maand.

Artikel 1.3 van de arbeidsovereenkomst bepaalt dat na de proefperiode van een maand de arbeidsovereenkomst door zowel de werkgever als de werknemer te allen tijde kan worden beëindigd, met inachtneming van een opzegtermijn van één maand.

Op 17 juli 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen.

[verweerder] heeft na 19 juni 2025 geen loon meer aan [verzoeker] betaald.

3. Het verzoek en het verweer

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter om voor recht te verklaren dat haar arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is opgezegd door [verweerder] en [verweerder] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding van € 2.400,- bruto, het achterstallig loon vanaf 1 juli 2025 tot en met het einde van de arbeidsovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, de wettelijke transitievergoeding, een billijke vergoeding van minimaal € 1.200,- bruto en de buitengerechtelijke incassokosten, alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook verzoekt [verzoeker] [verweerder] te veroordelen in de kosten van de procedure, inclusief nakosten en rente.

Volgens [verzoeker] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig.

[verweerder] is op de zitting verschenen en heeft gereageerd op het verzoek van [verzoeker] .

Op de standpunten van partijen wordt, waar nodig voor de beoordeling van de zaak, hierna nader ingegaan.

4. De beoordeling

De kantonrechter stelt voorop dat het verzoekschrift is gericht tegen de [eenmanszaak] , tevens handelend onder de naam [bedrijf] . Een eenmanszaak is een rechtsvorm waarbij een natuurlijk persoon de eigenaar is. Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel (productie 1 bij het verzoekschrift) blijkt dat [eenmanszaak] , tevens handelend onder de naam [bedrijf] , een eenmanszaak is waarvan de heer [verweerder] de eigenaar is. [verweerder] is ook op de zitting verschenen namens zijn eenmanszaak.

Gelet daarop zal de kantonrechter [verweerder] aanmerken als werkgever/verweerder, hetgeen ook tot uitdrukking is gebracht in de kop van dit vonnis.

Opzegging door [verweerder]

De kantonrechter stelt vast dat [verweerder] [verzoeker] op 17 juli 2025 op staande voet heeft ontslagen.

[verweerder] heeft tijdens de zitting erkend dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven. De gevraagde verklaring van recht wordt daarom toegewezen.

Berusting

[verzoeker] berust in het ontslag. Daarom moet worden beoordeeld in hoeverre zij aanspraak kan maken op de door haar verzochte vergoedingen.

Gefixeerde schadevergoeding

De gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging (ook wel gefixeerde schadevergoeding genoemd) zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de periode dat de arbeidsovereenkomst nog zou hebben voortgeduurd bij regelmatige beëindiging, in dit geval het loon over de periode vanaf 17 juli tot 1 september 2025, te weten € 1.780,64 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 17 juli 2025.

Transitievergoeding

[verzoeker] verzoekt om toekenning van de wettelijke transitievergoeding. Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is indien - kort gezegd - de arbeidsovereenkomst door de werkgever is opgezegd. Dat betekent dat [verweerder] de transitievergoeding verschuldigd is en zal worden veroordeeld tot betaling van die vergoeding tot een bedrag van € 166,67 bruto. Bij het bepalen van de hoogte van die vergoeding is uitgegaan van het reguliere brutoloon inclusief vakantiegeld van [verzoeker] , en van een einde van het dienstverband per 1 september 2025. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:686a lid 1 BW, toegewezen vanaf 18 augustus 2025.

Achterstallig loon

[verweerder] heeft erkend dat het salaris vanaf 1 juli 2025 tot het einde van de arbeidsovereenkomst, te weten 17 juli 2025, moet worden betaald. Deze vordering wordt dan ook toegewezen. Dit komt neer op een bedrag van € 619,35 bruto.

De gevorderde wettelijke rente over het achterstallig loon is toewijsbaar vanaf de datum van opeisbaarheid van het loon, zijnde 1 augustus 2025.

Wettelijke verhoging

Nu vaststaat dat dit salaris te laat is betaald, is [verweerder] op grond van artikel 7:625 BW daarover de wettelijke verhoging verschuldigd. deze bedraagt 50% van het niet betaalde loon, neerkomend op € 309,68 bruto.

De opeisbaarheid van een wettelijke verhoging brengt niet mee dat werkgever, die niet prompt deze verhoging betaalt, automatisch in verzuim verkeert. De aanspraak is namelijk geen vergoeding voor overeengekomen arbeid, maar een prikkel tot tijdige betaling. Voor verschuldigdheid van wettelijke rente over de wettelijke verhoging is nodig dat werkgever in verzuim is geraakt na ingebreke te zijn gesteld. De kantonrechter heeft geen ingebrekestelling ten aanzien van de verbeurde wettelijke verhoging aangetroffen. Daarom geldt ten aanzien van deze post de datum van het indienen van het verzoekschrift als de datum waarop het verzuim is ingetreden.

Billijke vergoeding

Beoordeeld dient dan nog te worden of [verweerder] aan [verzoeker] een billijke vergoeding dient te betalen.

Nu [verweerder] de voor een rechtsgeldig ontslag gegeven voorschriften niet heeft nageleefd, heeft [verzoeker] uit dien hoofde aanspraak op een billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:681 aanhef en onder a BW. Met betrekking tot de vraag hoe de omvang van een billijke vergoeding berekend moet worden, heeft de Hoge Raad in de New Hairstyle-beschikking (ECLI:NL:HR:2017:1187) een aantal gezichtspunten gegeven. Tegen die achtergrond wordt als volgt overwogen.

Blijkens voormelde beschikking van de Hoge Raad kan bij het vaststellen van de omvang van de billijke vergoeding onder meer worden gelet op hetgeen de werknemer nog aan loon zou hebben genoten als de opzegging zou zijn vernietigd. Het zal daarbij van de omstandigheden van het geval afhangen welke verdere duur van de arbeidsovereenkomst daarbij in acht moet worden genomen. Daarbij is mede van belang of de werkgever de arbeidsovereenkomst ook op rechtmatige wijze had kunnen beëindigen en op welke termijn dit had mogen gebeuren en vermoedelijk zou zijn gebeurd.

Of en in hoeverre rekening wordt gehouden met het inkomen dat de werknemer zou hebben genoten als de opzegging zou zijn vernietigd hangt af van de omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoort de mate waarin de werkgever van het einde van het dienstverband een verwijt kan worden gemaakt. Bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding dient bovendien de eventueel aan de werknemer toekomende transitievergoeding en/of vergoeding wegens onregelmatige opzegging te worden betrokken.

Uitgangspunt is dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door [verzoeker] op staande voet te ontslaan, zonder dat daar een geldige dringende reden aan ten grondslag lag.

[verzoeker] heeft haar verzoek tot betaling van een billijke vergoeding verder onderbouwd door te stellen dat zij, als het onterechte ontslag op staande voet wordt weggedacht, zeker nog een tijd in dienst zou zijn gebleven van [verweerder] . Dit gelet op de reële verwachting dat [verweerder] [verzoeker] een tweede arbeidsovereenkomst (verlenging) zou hebben aangeboden.

Deze stelling wordt gepasseerd. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat [verweerder] op de zitting onweersproken heeft gesteld, dat hij voornemens was om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen, en dat hij dit ook kenbaar heeft gemaakt aan [verzoeker] . Gelet daarop gaat de kantonrechter ervan uit dat de arbeidsovereenkomst, het ontslag op staande voet wegdenkend, op 1 september 2025 zou eindigen.

Gelet daarop acht de kantonrechter het redelijk om voor wat betreft de hoogte van de billijke vergoeding aan te sluiten bij de resterende duur van het dienstverband.

Rekening houdend met de aan [verzoeker] toekomende transitievergoeding en vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal de kantonrechter een billijke vergoeding toekennen van € 1.500,- bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding is toewijsbaar vanaf veertien dagen na de uitspraak. De vergoeding is immers opeisbaar geworden vanaf de datum van deze uitspraak. [verweerder] krijgt veertien dagen om het bedrag te betalen. Na het verstrijken van deze termijn is sprake van verzuim en is [verweerder] wettelijke rente verschuldigd.

Buitengerechtelijke incassokosten

De buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen, nu gesteld noch gebleken is dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht.

Proceskosten

De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat hij overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] . De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 934,- (€ 257,- aan griffierecht, € 542,- aan salaris gemachtigde (€ 271,- x 2) en € 135,- aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De kantonrechter

verklaart voor recht dat de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] niet rechtsgeldig is opgezegd door [verweerder] ,

veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 1.780,64 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 17 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,

veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 166,67 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 18 augustus 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,

veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] het achterstallig loon over de periode van 1 juli tot 17 juli 2025 te betalen van € 619,35 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2025 tot de dag van voldoening;

veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen de wettelijke verhoging van € 309,68 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 september 2025 tot de dag van voldoening;

veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 1.500,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking tot aan de dag van de gehele betaling,

veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 934,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,

veroordeelt [verweerder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?