[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. W.R. Aerts),
en
de burgemeester van de gemeente Terneuzen.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting [woningcorporatie] uit [plaats] ( [woningcorporatie] ).
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het sluiten van de woning van verzoeker aan de [adres] in [woonplaats] voor twee maanden. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
Met het bestreden besluit van 28 april 2026 heeft de burgemeester besloten de woning van verzoeker voor twee maanden te sluiten. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en [gemachtigde] namens de burgemeester.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
De voorzieningenrechter constateert dat de bevoegdheid van de burgemeester om tot sluiting over te gaan niet wordt bestreden. Ook erkent verzoeker dat de burgemeester in beginsel van deze bevoegdheid gebruik mag maken.
De voorzieningenrechter heeft de evenredigheid getoetst. De geschiktheid is niet in geschil. De burgemeester heeft duidelijk gemotiveerd waarom hij de sluiting noodzakelijk acht. Die motivering is niet onredelijk. De belangrijkste reden is dat hij de loop eruit wil halen. Anders dan verzoeker stelt, ziet de voorzieningenrechter wel redenen om aan te nemen dat er een loop is.
De sluiting moet ook evenwichtig zijn. Verzoeker heeft aangegeven dat hij op zoek is naar andere woonruimte, maar dat de door de burgemeester aangedragen alternatieve huisvesting niet haalbaar of onwenselijk is. Bovendien vreest hij de woning definitief kwijt te raken. De voorzieningenrechter overweegt dat dit besluit het gevolg is van gedragingen van verzoeker zelf. Er is sprake van verwijtbaarheid. Verzoeker is hier niet alleen maar slachtoffer. Dan is het tijdelijk verliezen van de woning een logisch gevolg van dit besluit. Verzoeker heeft inmiddels een operatie ondergaan en zal nog een controleafspraak hebben, maar dit leidt niet tot de conclusie dat er een bijzondere binding met de woning is. Het definitieve verlies van de woning doordat [woningcorporatie] de overeenkomst mogelijk buitengerechtelijk zal kunnen ontbinden is op dit moment nog onzeker en als dat gebeurt is het geen direct gevolg van de sluiting, maar een mogelijk indirect gevolg. Dat weegt de voorzieningenrechter niet mee in zijn oordeel. Al met al is de voorzieningenrechter van oordeel dat de maatregel voldoende evenwichtig is en dat er geen aanleiding is om de sluiting nu te schorsen.
Conclusie en gevolgen
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. De burgemeester heeft ter zitting aangegeven dat hij verzoeker nog vier weken de tijd geeft voordat de sluiting ingaat, zodat hij ten tijde van de volgende controle in het ziekenhuis in [plaats] nog in zijn huis kan wonen. Dat betekent dat de sluiting niet voor 1 juli plaats zal vinden. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
4. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026 door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: