ECLI:NL:RBZWB:2026:5135

ECLI:NL:RBZWB:2026:5135

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 11-06-2026
Zaaknummer C/02/396140 / FA RK 22-1427
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Ouders gaan alsnog in ouderschapstraject; zaak aangehouden in afwachting daarvan

Uitspraak

2. De verdere beoordeling

De rechtbank verwijst naar de beschikking van 10 juni 2025. Bij die beschikking heeft de rechtbank bepaald dat tussen de man en de minderjarigen een voorlopige zorgregeling geldt waarbij de minderjarigen eenmaal per twee weken in de even weekenden van vrijdag 17:30 uur tot zondag 18:30 uur en eenmaal per twee weken van woensdag 17.00 uur tot donderdag 18.30 uur, bij de man verblijven. De beslissing met betrekking tot de definitieve regeling is aangehouden.

Thans liggen nog ter beoordeling voor het verzoek van de man om de zorgregeling te wijzigen en te bepalen dat er voortaan een co-ouderschapsregeling geldt en het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de zorgregeling, zoals neergelegd in het ouderschapsplan dat door partijen is ondertekend op respectievelijk 17 en 31 augustus 2017 geldt, inhoudende dat de minderjarigen gedurende eenmaal per twee weken bij de man verblijven in de even weekenden van vrijdagavond 17:00 uur tot zondagavond 18:00 uur en één keer per twee weken op donderdag van ’s morgens 9:00 uur tot 18:00 uur.

De verdere standpunten

De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat in het kader van de ondertoezichtstelling hulpverlening voor de ouders is ingezet in de vorm van ouderschapsbemiddeling vanuit [hulpverlening] . Dit traject is nog maar recent gestart en het onderzoek naar een passende zorgregeling moet nog steeds plaatsvinden. Het is dan ook op dit moment nog te vroeg om een uitspraak te doen over welke zorgregeling het meest in het belang van de minderjarigen is. Daar is nog enige tijd mee gemoeid. De GI stelt zich daarom op het standpunt de zaak aan te houden voor de duur een jaar.

De Raad sluit zich aan bij het advies van de GI. De komende periode zal moeten blijken wat het effect is van de hulpverlening op partijen en de minderjarigen.

Door en namens de man is gesteld dat de procedure moet worden aangehouden. De afgelopen tijd is het hulpverleningstraject in de vorm van ouderschapsbemiddeling (eindelijk) van de grond gekomen. Binnen de ondertoezichtstelling moeten partijen met hulpverlening gaan werken aan hun communicatie en verstandhouding en kunnen vervolgens de mogelijkheden voor een co-ouderschap in kaart worden gebracht. Nu de aankomende periode er nog veel stappen moeten worden gezet, is het nu nog te vroeg voor een eindbeslissing.

Door en namens de vrouw is primair gesteld om op het verzoek tot wijziging van de zorgregeling te beslissen. Een eindbeslissing in deze procedure over de zorgregeling zal voor rust en duidelijkheid voor de minderjarigen zorgen en daar hebben zij, maar ook de vrouw, behoefte aan. Deze procedure loopt al sinds 2022 en er is de afgelopen jaren diverse hulpverlening ingezet. Het ouderschapsbemiddelingstraject bevindt zich nog maar in de beginfase. Echter hebben partijen over vrijwel alle onderwerpen discussie. Het openlaten van de zorgregeling zal de discussie verder vergroten. Daarom zijn partijen gebaat bij een beslissing van de rechtbank over de zorgregeling.

De verdere inhoudelijke beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt. Voor de rechtbank staat vast dat er (nog steeds) sprake is van strijd tussen de ouders en er een dusdanige slechte verstandhouding is dat zij niet in staat zin om samen beslissingen over de minderjarigen te nemen. In het kader van de ondertoezichtstelling wordt de aankomende periode hieraan gewerkt waardoor er mogelijk (op termijn) een situatie ontstaat waarbij partijen hiertoe wel in staat zijn. Op dit moment is er dan ook sprake van een prille verandering in de situatie in die zin dat de ouders met hulp van een ouderschapsbemiddelingstraject gezamenlijk afspraken proberen te maken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van de minderjarigen. Echter is dit traject nog maar recent gestart en zal nog enige tijd duren.

De rechtbank is van oordeel dat op dit moment nog niet is te overzien hoe het ouderschapsbemiddelingstraject zal gaan verlopen, waardoor het voor de rechtbank nog niet mogelijk is een definitief oordeel te vormen over de verzoeken tot wijziging van een zorgregeling van partijen. Daarbij overweegt de rechtbank dat het ook van belang voor de minderjarigen is dat de prille positieve ontwikkelingen van de ouders vaste vormen gaat krijgen. Daartoe is van grote betekenis dat er zo min mogelijk ruimte is voor discussie en strijd tussen de ouders. Door nu een (definitieve) eindbeslissing te nemen op de verzoeken van partijen, kan de strijd tussen de ouders weer oplaaien, wat niet in het belang van de minderjarigen is. De rechtbank zal dan ook de beslissing op de verzoeken van partijen aanhouden. Het streven is om in ieder geval over een jaar de verzoeken van partijen opnieuw te behandelen, zo nodig en mogelijk gecombineerd met een eventueel verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Met het oog op een alsdan te bepalen nieuwe mondelinge behandeling in maart 2027, zal de rechtbank de zaak aanhouden tot 5 januari 2027 pro forma, zulks in afwachting van berichtgeving van de GI en partijen over de ontwikkelingen, de inzet en resultaten van de hulpverlening en het door partijen gewenste verdere procesverloop.

3. De beslissing

De rechtbank:

houdt de behandeling van de verzoeken van de man aan tot 5 januari 2027 pro forma, in afwachting van berichtgeving van de GI over de ontwikkelingen, inzet en resultaten van de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling en de schriftelijke reacties van (de advocaten) van beide partijen;

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Haard, griffier, en op schrift gesteld op 29 april 2026, doch door miscommunicatie pas in juni 2026 verzonden.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. De Haard

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand