ECLI:NL:RBZWB:2026:519

ECLI:NL:RBZWB:2026:519

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 29-01-2026
Datum publicatie 29-01-2026
Zaaknummer 24/3354 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Weigering WIA

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 24/3354 WIA

uitspraak van 29 januari 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. V.M.C. Verhaegen,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Rotterdam), verweerder,

gemachtigde: [gemachtigde] .

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beëindiging van zijn uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

Het UWV heeft met het besluit van 21 april 2023 (primair besluit) de WIA-uitkering van eiser beëindigd met ingang van 22 juni 2023.

Met het bestreden besluit van 1 maart 2024 is het bezwaar van eiser tegen dit besluit ongegrond verklaard.

Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.

Op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst om nadere vragen te stellen aan een verzekeringsarts bezwaar & beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.

De verzekeringsarts b&b heeft deze vragen in de rapportage van 28 april 2025 beantwoord.

Eiser heeft hierop met de brief van 12 mei 2025 gereageerd en daarbij diverse (medische) stukken overgelegd.

Aan partijen is vervolgens gevraagd of een nadere zitting gewenst is. Omdat partijen daarop niet hebben gereageerd heeft de rechtbank het onderzoek op 23 juni 2025 gesloten.

Daarna is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat het onderzoek nog steeds niet volledig was. Zij heeft het onderzoek op 17 juli 2025 heropend om de verzekeringsarts b&b nogmaals te bevragen.

Met de rapportage van 5 augustus 2025 heeft de verzekeringsarts b&b op die vragen gereageerd.

In de brief van 16 oktober 2025 heeft de rechtbank aan partijen gevraagd of een tweede zitting gewenst is. De rechtbank heeft het onderzoek op 13 januari 2026 gesloten nadat het UWV heeft laten weten dat daaraan geen behoefte is en eiser niet heeft gereageerd.

Beoordeling door de rechtbank

2. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De rechtbank zal beoordelen of dit juist is.

Zij doet dit aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

Bij deze beoordeling is van belang of eiser medische beperkingen heeft en of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.

Conclusie

3. De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft beëindigd per 22 juni 2023.

Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Juridisch kader

4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Totstandkoming van het bestreden besluit

Eiser is op uitzendbasis werkzaam geweest als productiemedewerker bij [werkgever] B.V. (de werkgever). Voor dat werk is hij op 19 juni 2019 uitgevallen als gevolg van een auto-ongeluk.

Met ingang van 25 november 2019 is aan eiser een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Deze uitkering is met het besluit van 29 juli 2020 na een eerstejaars ZW-beoordeling ongewijzigd voortgezet. Dit besluit is onder meer gebaseerd op de rapportage van [UWV-arts 1] van 28 juli 2020 en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van dezelfde datum.

Met het besluit van 30 juni 2021 heeft het UWV aan eiser met ingang van 16 juni 2021 een WIA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV heeft zich daarbij onder meer gebaseerd op de conclusies van [UWV-arts 2] van 25 juni 2021 en de FML van dezelfde datum.

Met de brief van 20 juli 2022 heeft de werkgever verzocht om herbeoordeling van eiser en toekenning van een IVA-uitkering.

Met het primaire besluit van 21 april 2023 heeft het UWV eisers WIA-uitkering met ingang van 22 juni 2023 beëindigd, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Met het bestreden besluit van 1 maart 2024 heeft het UWV dit bezwaar ongegrond verklaard. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts b&b.

Medische beoordeling

De verzekeringsarts heeft eiser gezien op het spreekuur, hem lichamelijk en psychisch onderzocht en dossieronderzoek verricht. De verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat eiser is uitgevallen na een auto-ongeval, waarbij hij diverse letsels heeft opgelopen. Door de curatieve sector is onderzoek gedaan waarna, behandeling is ingezet. Eiser heeft een revalidatietraject doorlopen en is voor verdere therapie/begeleiding verwezen naar SMC maar zijn klachten persisteren. Verder is sprake van PTSS. Hiervoor heeft eiser een kortdurende opname gehad bij [zorginstelling] . Hierna is hij gestart met een vervolgbehandeling bij [zorgaanbieder] . Dat is in de afrondende fase. Eiser heeft steeds meer inzicht in zijn klachten/ functioneren gekregen, hoewel hij nog tegen een aantal zaken aanloopt. Bij SMC zal hiervoor aandacht zijn. Indien nodig kan eiser na afronding van dit traject terug naar [zorgaanbieder] . Volgens de verzekeringsarts is er geen reden om aan te nemen dat eiser volledig arbeidsongeschikt is op medische gronden. Hij is niet opgenomen, niet bedlegerig, ADL-zelfstandig en hij heeft geen ernstige stoornis in het persoonlijk en sociaal functioneren. Er is ook geen levensverwachting korter dan een jaar. Er zijn wel beperkingen. Eisers klachten zijn plausibel gelet op zijn medische situatie en zijn consistent met externe en eigen bevindingen. Door de curatieve sector is een afwijking geconstateerd waarvoor behandeling is ingezet. Daarnaast worden in het spreekuur afwijkingen gevonden die passen bij de medische situatie. Daarbij is het reëel uit te gaan van een zekere kwetsbaarheid. De verzekeringsarts neemt beperkingen op dynamische handelingen en statische houdingen aan om dit te ondervangen. Tijdens het spreekuur komt naar voren dat het gebeuren een forse impact op eiser gehad heeft, hetgeen invoelbaar is. Eiser geeft onder meer problemen met zijn concentratie aan, maar op basis van eigen bevindingen en de beschrijving van de dagelijkse activiteiten komen volgens de verzekeringsarts niet dusdanige problemen naar voren dat dat beperkingen op persoonlijk functioneren rechtvaardigt. Daarnaast komen nog klachten naar voren die passen bij de eerder geconstateerde PTSS. Hoewel dieze ten opzichte van voorgaand contact geminderd lijken, neemt de verzekeringsarts op basis van de bevindingen bij onderzoek enkele beperkingen op persoonlijk en sociaal functioneren aan om overbelasting te voorkomen. Aanvullend ziet de verzekeringsarts een noodzaak om een urenbeperking te stellen op basis van het energetisch aspect, waarbij de ervaren pijn en bestaande arousal gepaard kunnen gaan met energieverlies. Met het aannemen van een urenbeperking wordt daarbij rekening gehouden dat bij meer uren arbeid al snel overbelastingsverschijnselen kunnen ontwikkelen en met deze beperking resteert voldoende tijd voor de benodigde therapie. De beperkingen en de belastbaarheid van eiser heeft de verzekeringsarts neergelegd in de FML van 13 april 2023.

De verzekeringsarts b&b heeft eiser gesproken op de hoorzitting middels beeldbellen en dossieronderzoek verricht. Verder heeft de verzekeringsarts b&b medische informatie van [sportarts] van 18 oktober 2022, van [MSK-arts] van

17 april 2023 en van [fysiotherapeut] van 10 mei 2023 en 15 juni 2023 in zijn onderzoek betrokken. De verzekeringsarts b&b rapporteert dat hij geen reden ziet voor een ander standpunt dan de primaire verzekeringsarts. De rapportage van de primaire verzekeringsarts is voldoende zorgvuldig door die te baseren op de anamnese, eigen medisch onderzoek en de beschikbare informatie. Bij de vaststelling van de belastbaarheid is voldoende rekening gehouden met de aanwezige pathologie en de hieruit voortvloeiende beperkingen. Er zijn adequate beperkingen gesteld voor wat betreft de fysieke en psychische belastbaarheid van eiser. Aanvullend is zelfs een urenbeperking gesteld van 20 uur per week. De in de brief van de fysiotherapeut vermelde concentratieproblemen betreffen volgens de verzekeringsarts b&b geen objectief medische bevindingen maar is een beschrijving van hetgeen eiser zelf ervaart. Gelet op de onderzoeksbevindingen zijn de concentratieproblemen niet van dien aard dat het beperkingen op de beoordelingspunten 1.1, 1.2 of 1.3 rechtvaardigt. Door beperkingen op beoordelingspunt 1.8 zijn de psychische klachten volgens de verzekeringsarts b&b voldoende meegenomen. Uit de brief van de sportarts blijkt dat het trage herstel vanuit sommige bevindingen wel te begrijpen is, maar er blijkt niet van objectieve pathologie en meer beperkingen hieruit. Problemen voortkomend uit conditieverlies is geen reden voor het aannemen van beperkingen. Met de urenbeperking van 20 uur is al in ruim voldoende mate tegemoetgekomen aan de energetische beperkingen. Met betrekking tot de verminderde beschikbaarheid vanwege behandeling stelt de verzekeringsarts b&b dat daarmee geen rekening kan worden gehouden, omdat deze behandeling pas 3 maanden na datum in geding, op 13 september 2023, is aangevangen.

Medische beroepsgronden

Eiser stelt dat hij op datum in geding als gevolg van een verkeersongeval forse pijnklachten had in benen, bekken, rechterheup, rug, nek en schouders en sprake was van PTSS. Eiser is in september 2023 gestart met een multidisciplinair traject dat in maart 2024 met 4 maanden werd verlengd.

Volgens eiser was hij op datum in geding volledig arbeidsongeschikt. In ieder geval zijn zijn beperkingen onderschat. Eiser had beperkingen in zitten, staan en lopen en concentratieproblemen. Een kwartier zitten was in zowel mentaal opzicht (vanwege de concentratieproblemen) als in fysiek opzicht het maximaal haalbare. Daarnaast was eiser – vanwege zijn PTTS, pijnklachten, aandacht- en concentratieproblemen en medicijngebruik (citalopram, melatonine, paracetamol en diclofenac) – beperkt op werk met verhoogd persoonlijk risico. De beperking op verhoogd persoonlijk risico die eerder was aangenomen is ten onrechte geschrapt in de huidige FML.

Eiser wijst op informatie van de werkcoach en het eindverslag van zijn multidisciplinair trajecten en heeft ter onderbouwing van zijn standpunt informatie van [sportarts] , van [MSK-arts] en van [fysiotherapeut] overgelegd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank leidt uit de rapportages van de verzekeringsartsen af dat zij op de hoogte waren van de klachten van eiser, waaronder zijn pijnklachten aan het nek, rug, schouder, benen en bekken en zijn cognitieve klachten. De verzekeringsartsen hebben naar die klachten onderzoek verricht. De verzekeringsarts heeft eiser gezien op het spreekuur, hem lichamelijk en psychisch onderzocht en dossieronderzoek verricht. Ook de verzekeringsarts b&b heeft dossieronderzoek verricht en eiser gesproken middels beeldbellen. Verder heeft de verzekeringsarts b&b verschillende medische informatie die eiser in bezwaar heeft ingebracht betrokken. Daarmee zijn naar het oordeel van de rechtbank geen onderzoeksactiviteiten gemist.

De vraag is vervolgens of de verzekeringsartsen de belastbaarheid van eiser juist hebben ingeschat.

Voor zover eiser stelt dat hij volledig arbeidsongeschikt is op medische gronden, heeft de primaire verzekeringsarts naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd dat daarvan geen sprake is. Eiser voldoet niet aan de criteria van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten om geen benutbare mogelijkheden aan te nemen. Dat kan alleen als eiser zou zijn opgenomen in een ziekenhuis of in een instelling, bedlegerig is, ADL-afhankelijk is of als gevolg van een ernstige psychische stoornis psychisch niet zelfredzaam is. Dat is bij eiser niet aan de orde.

Met betrekking tot de belastbaarheid op het beoordelingspunt zitten overweegt de rechtbank als volgt. In de FML zijn de beoordelingspunten ‘zitten’ en ‘zitten tijdens het werk’ licht beperkt (kan ongeveer een uur achtereen zitten respectievelijk kan zo nodig gedurende het grootste deel van de werkdag zitten (niet meer dan 8 uur).

In de Bijlage assessment werkcoach van 15 juni 2023 is vermeld dat eiser het jaar daarvoor in blokjes van 15 tot 20 min achter de computer een website heeft gebouwd voor dropshipping. Dat is ook wat eiser bij de verzekeringsarts b&b heeft aangegeven, dat hij 20 tot 25 minuten achtereen kan zitten, dan krijgt hij pijn in de lies. Hij moet dan even een paar minuten lopen en kan dan weer 20 tot 25 minuten zitten. Bij de primaire verzekeringsarts heeft eiser aangegeven ongeveer een half uur tot drie kwartier te kunnen zitten.

Dit heeft voor de rechtbank aanleiding gevormd om aan de verzekeringsarts b&b nadere vragen te stellen over het beoordelingspunt zitten.

In de rapportage van 28 april 2025 heeft de verzekeringsarts b&b in reactie hierop gesteld dat tijdens het onderzoek bij de primaire verzekeringsarts is gebleken dat eisers fysieke klachten niet (meer) worden veroorzaakt door objectiveerbare pathologie. De fractuur is genezen, revalidatie heeft plaatsgevonden en de specialisten kunnen niets meer voor eiser betekenen. De klachten hebben een psychosomatische component, waarbij een zoveel mogelijk normale belasting moet worden nagestreefd. Vandaar dat wel enigszins tegemoet is gekomen aan eisers klachten en is hij licht beperkt geacht op zitten. Een belasting van een uur achtereen waarin eiser enigszins kan vertreden – enkele minuten zoals hij zelf ook zegt – moet volgens de verzekeringsarts b&b mogelijk worden geacht.

De rechtbank acht deze motivering afdoende. De rechtbank betrekt daarbij de rapportage van SMC ConAct ‘Bijlage assessment per discipline’ van 15 juni 2023. Uit deze rapportage kan worden afgeleid dat er geen aanwijzingen zijn voor beperkende restschade aan eisers rechterheup en dat de scans er goed uitzien, maar dat sprake is van bewegingsangst en dat psychologie een belangrijke factor lijkt te spelen in het herstel van eiser. Daarnaast vindt de rechtbank van belang dat uit eisers eigen verhaal kan worden afgeleid dat hij met korte onderbrekingen een uur zou kunnen zitten. De rechtbank ziet dan ook geen reden te concluderen dat de verzekeringsartsen eiser op het beoordelingspunt zitten zwaarder hadden moeten beperken.

Dat geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor de door eiser geclaimde beperkingen op concentratie en verhoogd persoonlijk risico.

De verzekeringsarts b&b heeft gesteld dat de in de brief van de fysiotherapeut vermelde concentratieproblemen geen objectief medische bevindingen betreffen, maar een beschrijving is van hetgeen eiser zelf ervaart. Gelet op de onderzoeksbevindingen zijn de concentratieproblemen volgens de verzekeringsarts b&b niet van dien aard dat dat verdere beperkingen in rubriek I op persoonlijk functioneren rechtvaardigt. Met de aangenomen beperkingen zijn de psychische klachten volgens de verzekeringsarts b&b voldoende meegenomen.

Op vragen van de rechtbank heeft de verzekeringsarts b&b in beroep toegelicht dat in de FML van 28 juli 2020 een beperking op verhoogd persoonlijk risico (niet werken bij machines of gereedschap met verwondingsrisico) was opgenomen in verband met het gebruik van tramadol. In de FML van 13 april 2023 is deze beperking (geen werk op hoogte, bij open water/vuur of met gevaarlijke machines) gehandhaafd. Eiser gebruikte toen nog

4 à 5 keer per week tramadol in mindere dosering in combinatie met citalopram, waarvan de dosis was verhoogd van 10 naar 20 mg. Eiser heeft indertijd aangegeven daar suf van te zijn, zodat de beperking op verhoogd persoonlijk risico is gehandhaafd. Op datum in geding

22 juni 2023 gebruikte eiser geen tramadol meer. Weliswaar was de citalopram opgehoogd naar 30 mg, maar dat is volgens de verzekeringsarts b&b geen reden voor een beperking op verhoogd persoonlijk risico. Citalopram is een categorie I medicijn. Dit betekent dat dat weinig invloed heeft op de rijvaardigheid. In de rapportage van de primaire arts wordt ook geen melding gemaakt van sufheid en eiser rijdt zelfstandig op een bromfiets. Volgens de verzekeringsarts b&b is er daarom geen reden om nog een beperking op verhoogd persoonlijk risico aan te nemen.

Deze motivering vindt de rechtbank eveneens afdoende. De rechtbank ziet geen aanleiding voor verdere beperking van eiser ten aanzien van persoonlijk functioneren in rubriek I.

Voor wat betreft de verwijzing van eiser naar het multidisciplinair traject heeft de verzekeringsarts b&b naar het oordeel van de rechtbank terecht gesteld dat daarmee geen rekening kan worden gehouden omdat deze behandeling pas 3 maanden na datum in geding is aangevangen.

De rechtbank komt tot de slotsom dat met de gestelde beperkingen, waaronder een urenbeperking, in de FML van 13 april 2024 voldoende recht is gedaan aan eisers problematiek. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank uit van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML.

Arbeidskundige beoordeling

Een arbeidsdeskundige van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180), productiemedewerker confectie (Sbc-code 272042) en huishoudelijk medewerker gebouwen (Sbc-code 111334).

Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) heeft de door de primaire arbeidsdeskundige geselecteerde functies beoordeeld op geschiktheid voor eiser en deze geschikt geacht.

Arbeidskundige beroepsgronden

10. Eiser heeft gesteld dat deze functies ten onrechte geschikt worden geacht. Vanwege zijn psychische en fysieke klachten was eiser ongeschikt voor alle werkzaamheden en dus ook voor de geduide functies. De functies samensteller producten, productiemedewerker confectie en productiemedewerker textiel zijn ongeschikt vanwege de belasting op zitten.

De functie huishoudelijk medewerker gebouwen is ongeschikt omdat die functie energetisch te belastend is en de belastend op lopen en staan.

Oordeel van de rechtbank

11. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. Eisers standpunt dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten, vloeit voort uit zijn opvatting dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Zoals geconcludeerd is die opvatting naar het oordeel van de rechtbank niet juist.

De hiervoor genoemde functies mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.

Mate van arbeidsongeschiktheid

Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Omdat eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.

Omdat pas recht bestaat op een WIA-uitkering bij een mate van arbeidsongeschikt-heid van 35% of meer, heeft het UWV de WIA-uitkering terecht beëindigd per 22 juni 2023.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is gegrond omdat het UWV pas in beroep de medische geschiktheid van eiser voor de functies voldoende heeft toegelicht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek. De rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. De geduide functies zijn immers wel terecht aan de schatting ten grondslag zijn gelegd en het bestreden besluit kan ook voor het overige de rechterlijke toetsing doorstaan. Dit betekent dat er inhoudelijk niets verandert.

Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser een vergoeding voor zijn proceskosten.

Het UWV moet de proceskostenvergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling.

De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,- met een wegingsfactor 1. In totaal is de vergoeding op dit onderdeel € 1.868,-.

Verder komt eiser in aanmerking voor vergoeding van zijn reiskosten. De rechtbank stelt die kosten vast op de kosten van openbaar vervoer: € 21,60.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden rechter, in aanwezigheid van

mr. H.D. Sebel, griffier, op 29 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: Wettelijk kader

In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

Volgens artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.

Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten

Artikel 2

1. De arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, bedoeld in de WAO, de Waz en de hoofdstukken 2 en 3 van de Wajong, de beoordeling van duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben als bedoeld in de hoofdstukken 1a, 2 en 3, van de Wajong, de beoordeling van het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in de ZW en de beoordeling van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid of de mate van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid, bedoeld in de Wet WIA, worden gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidsdeskundig onderzoek.

2. Van het arbeidsdeskundig onderzoek kan worden afgezien:

a. gedurende de periode waarin uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat betrokkene geen benutbare mogelijkheden heeft;

b. indien uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat betrokkene benutbare mogelijkheden heeft maar dat hij die mogelijkheden naar verwachting binnen drie maanden zal verliezen, en dit verlies in een verzekeringsgeneeskundig onderzoek wordt vastgesteld;

c. indien uit verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat betrokkene benutbare mogelijkheden heeft maar dat hij wegens zijn terminale ziekte een zodanig slechte levensverwachting heeft dat hij die mogelijkheden naar verwachting binnen afzienbare termijn zal verliezen, en dit verlies in een verzekeringsgeneeskundig onderzoek wordt vastgesteld;

d. indien uit verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat betrokkene zodanig wisselend belastbaar is voor arbeid dat betrokkene geen benutbare mogelijkheden heeft.

(…)

5. Benutbare mogelijkheden als bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid zijn alleen dan niet aanwezig indien:

a. betrokkene is opgenomen in een ziekenhuis of in een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet toelating zorginstellingen die zorg verleent waarop aanspraak bestaat ingevolge de Wet langdurige zorg, met uitzondering van een inrichting waar geestelijk gestoorde delinquenten van overheidswege verpleegd worden;

b. betrokkene bedlegerig is;

c. betrokkene voor het uitvoeren van activiteiten van het dagelijks leven dermate afhankelijk is dat hij lichamelijk niet zelfredzaam is; of

d. betrokkene als gevolg van een ernstige psychische stoornis in zijn zelfverzorging, in zijn directe samenlevingsverband alsook in zijn sociale contacten, waaronder zijn werkrelaties, niet of dermate minimaal functioneert dat hij psychisch niet zelfredzaam is.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.J.H. van der Linden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?