[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
en
de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraken op bezwaar van de ontvanger van 12 juli 2024. De beroepen zien op de loonvordering voor de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2019, 2020 en 2021 met aanslagnummers [aanslagnummer] H.90.01, [aanslagnummer] H.00.01 en [aanslagnummer] H.10.01.
De rechtbank verklaart zich kennelijk onbevoegd. Daarom doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Beoordeling door de rechtbank
2. De belastingrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de IW. Voor bepaalde besluiten is in de regelgeving een uitzondering gemaakt. Het doen van een vordering door de ontvanger ten opzichte van een derde op wie een belastingschuldige een vordering heeft of uit een reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen, geschiedt op grond van de IW. Het doen van deze vordering valt dus niet onder een van de uitzonderingen. Omdat geen beroep bij de belastingrechter kan worden ingesteld, is het evenmin mogelijk bezwaar te maken.
Conclusie en gevolgen
3. De belastingrechter is dus niet bevoegd om kennis te nemen van dit beroep. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling.
Belanghebbende krijgt het griffierecht terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart zich onbevoegd;
draagt de griffier op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 51,- aan belanghebbende terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van D. Weijtens, griffier, op 9 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.