[verzoeker], uit [plaats], verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats].
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het kappen van bomen aan de [straat] te [plaats]. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is om op het verzoek te beslissen doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Verzoeker heeft bezwaar ingediend en een verzoek om voorlopige voorziening aangevraagd tegen het kappen van bomen. Het college heeft aangegeven dat het kappen van de bommen niet vergunningplichtig is. Verzoeker heeft aangegeven van mening te zijn dat het kappen van de bomen wel vergunningplichtig zou moeten zijn en het college in ieder geval een zorgvuldige en kenbare belangenafweging moet maken bij het kappen van de bomen.
Op grond van artikel 8:1 van de Awb is de bestuursrechter uitsluitend bevoegd om te oordelen over een besluit. Nu het kappen van de bomen vergunningsvrij is en er dus geen besluit is genomen door het college voor het kappen van de betreffende bomen, is de bestuursrechter niet bevoegd om hierover te oordelen. De voorzieningenrechter is alleen bevoegd in zaken waarin zij als bodemrechter ook bevoegd kan worden. Nu dat niet het geval is, kan de voorzieningenrechter ook geen oordeel vellen over het kappen van de bomen.
Conclusie en gevolgen
3. Daarom is de voorzieningenrechter kennelijk niet bevoegd om te beslissen op het verzoek om voorlopige voorziening. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 30 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: