3. De beoordeling
De rechtbank merkt op voorhand op dat het bij voorlopige voorzieningen als de onderhavige gaat om een ordemaatregel voor de duur van de echtscheidingsprocedure, in een korte procedure worden in een acute conflictsituatie snel knopen doorgehakt, waarbij het er in de eerste plaats om gaat dat recht wordt gedaan aan die acute feitelijke situatie. Dat betekent ook dat in een dergelijke procedure geen plaats is voor meer dan een globale beoordeling; een diepgravend onderzoek is niet mogelijk, dat dient in de bodemprocedure plaats te vinden.
Toevertrouwing en zorgregeling;
Beide partijen hebben verzocht [minderjarige] aan hem of haar toe te vertrouwen en daarnaast om een zorgregeling met de andere ouder te bepalen om het weekend van vrijdagavond 19:00 uur tot zondagavond 19:00 uur.
De vrouw stelt hiertoe dat de man (impliciet) toestemming heeft gegeven voor de verhuizing van de vrouw en [minderjarige] naar de ouders van de vrouw in [woonplaats 1] . De vrouw verblijft al maanden met [minderjarige] in [plaats 1] . Daarvan was de man op de hoogte was en hij heeft hiertegen nooit eerder bezwaar gemaakt. Voorheen verbleef de vrouw met [minderjarige] van januari 2022 tot september 2024 elke donderdagavond tot vrijdagavond en van september 2024 tot november 2025 tot zaterdagavond bij haar ouders. Verder is de echtelijke woning inmiddels verkocht en wordt deze binnenkort geleverd. De vrouw is fulltime verzorger van [minderjarige] . De man werkt overdag. De vrouw wil graag tot afspraken komen over een zorgregeling met de man. Er zijn al een paar afspraken gemaakt, maar vooralsnog loopt het niet soepel. [minderjarige] heeft tot heden altijd verbleven waar de vrouw zich ook bevond. [minderjarige] heeft nog nooit alleen 24 uur of een nacht bij de man verbleven. Er zijn heel wat gesprekken geweest tussen partijen over waar de vrouw met [minderjarige] zou gaan wonen, zelfs al voor de scheiding. Ze woont nu in een woning bij die van haar ouders omdat ze geen inkomen heeft om zelf een woning van te betalen.
Door de man worden de stellingen van de vrouw uitdrukkelijk betwist. Hij stelt dat partijen eind 2025 gezamenlijk hebben besloten hun huwelijk te beëindigen, waarna zij zich tot een mediator hebben gewend. In die periode heeft de vrouw – tegen de achtergrond van de spanningen die een voorgenomen echtscheiding met zich brengt – met enige regelmaat tijdelijk verbleven bij haar familie in [woonplaats 1] , Zeeland. Ook daarvoor verbleef de vrouw samen met [minderjarige] gemiddeld ongeveer twee dagen per week in [plaats 1] . Dit verblijf vond plaats op haar initiatief. De man heeft deze wens van de vrouw, zoals hij dat gedurende het huwelijk eveneens pleegde te doen, gefaciliteerd door onder meer te ondersteunen bij het vinden van passende tijdelijke verblijfsmogelijkheden, waaronder een vakantiehuisje, alsmede door het verblijf bij haar ouders mogelijk te maken. Van belang is volgens de man dat dit verblijf een duidelijk tijdelijk en situationeel karakter had, gericht op het creëren van rust en afstand in een emotioneel belastende periode. De man stelt verder dat hij – in tegenstelling tot hetgeen de vrouw heeft aangegeven – gedurende het huwelijk een substantiële en gelijkwaardige rol gespeeld in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hij verzorgde [minderjarige] structureel in de ochtend vóór het werk, bracht tijd met hem door na werktijd (vanaf 15.00/16.00 uur) en was actief betrokken bij het naar bed brengen door het voorlezen van een boek. Ook in de weekenden droeg de man in belangrijke mate zorg voor [minderjarige] . Tussen de man en [minderjarige] bestaat een hechte en betekenisvolle band, waarbij [minderjarige] zich zichtbaar op zijn vader richt, mede vanwege hun intensieve en speelse interactie. Dit maakt dat [minderjarige] evenveel recht heeft op onbelast contact met zijn vader als zijn moeder.
De Raad is van mening dat de vrouw door haar handelswijze de man voor een voldongen feit heeft geplaatst. De Raad acht het in het belang van [minderjarige] dat hij veel contact heeft met beide ouders. Gelet op de afstand tussen de woonplaatsen van de ouders is dat op dit moment niet mogelijk. Zelfs een weekendregeling wordt al lastig uitvoerbaar op het moment dat [minderjarige] bijvoorbeeld een sport gaat beoefenen in het weekend. Ook is de betrokkenheid bij school moeilijker gezien de afstand. De Raad vraagt zich af waarom er door de vrouw niet is gezocht naar een woning in de buurt van de voormalige echtelijke woning. De enige mogelijkheid is dat ouders dichterbij elkaar gaan wonen. De vrouw zal dan ook moeten terugverhuizen naar de omgeving van de voormalige echtelijke woning. Partijen hebben bewust gekozen voor een kind op het moment dat zij daar woonden. De Raad acht het echter ook niet in het belang van [minderjarige] dat hij nu wordt weggehaald bij de vrouw en ineens bij de man verblijft met een minimale omgang met de vrouw. De Raad adviseert gelet op de onmogelijkheid van de vrouw om op heel korte termijn te verhuizen om [minderjarige] voorlopig toe te vertrouwen aan de vrouw en hem voorlopig naar school laten gaan in [plaats 2] . Daarnaast adviseert de Raad een ruimere zorgregeling tussen de man en [minderjarige] te bepalen waarbij er wekelijks van vrijdag tot zondag contact is.
De rechtbank stelt vast dat partijen een andere mening hebben over de reden waarom de vrouw de woning met [minderjarige] heeft verlaten en naar [plaats 1] is vertrokken, en dan met name de vraag of de man hiervoor (impliciet) zijn toestemming heeft verleend of dat het slechts een tijdelijke periode betrof. Hoe dan ook staat vast dat [minderjarige] op dit moment al geruime tijd met de vrouw bij de ouders van de vrouw in [woonplaats 1] verblijft en dat er onregelmatig contact is tussen de man en [minderjarige] . Gezien die situatie is [minderjarige] er in ieder geval sinds het vertrek uit de echtelijke woning aan gewend dat de vrouw de hoofdverzorgster is. De rechtbank ziet op dit moment onvoldoende aanleiding om die situatie te wijzigen, omdat [minderjarige] in korte tijd al heeft moeten wennen aan het feit dat de ouders feitelijk uit elkaar zijn en zij niet meer samen in de echtelijke woning verblijven. Daarbij acht de rechtbank van belang dat vast staat dat de vrouw op dit moment geen inkomen heeft en mede om die reden van haar niet kan worden verlangd dat zij op korte termijn een andere woning betrekt in de buurt van de voormalige echtelijke woning, zoals door de man is gevorderd in voornoemde kortgedingprocedure. Het verzoek van de vrouw tot toevertrouwing van [minderjarige] aan haar zal dan ook worden toegewezen onder gelijktijdige afwijzing van het verzoek van de man. De rechtbank benadrukt dat dit niet betekent dat op enige wijze aan de vrouw toestemming wordt verleend om zich permanent in [plaats 1] te vestigen. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat de vrouw zich in het belang van [minderjarige] zal moeten inspannen om zo spoedig mogelijk (terug) te verhuizen naar de omgeving van de voormalige echtelijke woning.
De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat er een ruimere zorgregeling plaatsvindt tussen de man en [minderjarige] dan verzocht. De door de vrouw verzochte beperkte regeling van een weekend per twee weken acht de rechtbank niet in het belang van [minderjarige] . Ter zitting is door de vrouw verklaard dat [minderjarige] op vrijdag geen school heeft. De rechtbank zal om die reden bepalen dat er een zorgregeling geldt waarbij [minderjarige] de ene week van donderdagavond 19:00 uur tot zondagavond 19:00 uur bij de man verblijft en in de andere week van vrijdagavond 19.00 uur tot zondag 19.00, waarbij de vrouw [minderjarige] op donderdag of vrijdag naar de man brengt en de man hem zondagavond terugbrengt naar de vrouw. Op deze wijze heeft de vrouw ook in ieder geval een keer per twee weken een vrijdag met [minderjarige] als hij vrij van school is. Omdat er de afgelopen periode beperkt en onregelmatig contact heeft plaatsgevonden tussen [minderjarige] en de man, zal de rechtbank bij wijze van opbouw bepalen dat het contact de eerste twee keer zal plaatsvinden van vrijdagavond tot zondagavond.
Kinderbijdrage;
De vrouw verzoekt – na wijziging van haar verzoek – om een door de man aan haar te betalen kinderbijdrage van € 875,= per maand. De vrouw legt aan haar verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage ten grondslag dat de minderjarige behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat deze de financiële draagkracht heeft die te voldoen.
De man voert verweer tegen de door de vrouw verzochte bijdrage.
Ingangsdatum;
Partijen verschillen van mening over de ingangsdatum van de door de vrouw verzochte bijdragen. De vrouw stelt dat als ingangsdatum moet worden gehanteerd 27 maart 2026, zijnde de datum van het verzoekschrift. De man stelt dat als ingangsdatum moet worden gehanteerd de datum van de beschikking. De man stelt dat er in eerste instantie geen reactie is gekomen op zijn verzoek aan de vrouw om financiële stukken te delen met de man. Deze zijn uiteindelijk pas laat ontvangen.
De rechtbank stelt het volgende voorop. Uitgangspunt is dat artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) de rechter een grote mate van vrijheid laat bij het vaststellen van een ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsplicht bepalend zijn, de datum van indiening van het verzoekschrift of de datum van de beschikking.
De rechtbank zal als ingangsdatum hanteren de datum van indiening van het verzoekschrift, omdat de man vanaf dat moment rekening kon houden met een door hem te betalen bijdrage. De rechtbank overweegt hierbij dat de man tot februari 2026 een onderhoudsbijdrage heeft voldaan voor de vrouw en [minderjarige] . De stelling van de man dat de inkomensgegeven van de vrouw pas laat beschikbaar waren doet daar niet aan af omdat het (ook voor de man) voldoende duidelijk was dat de vrouw geen inkomen had.
Behoefte;
Bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen.
Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarige, is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen. De rechtbank gaat ter bepaling van dat gezinsinkomen uit van de inkomens van partijen in 2025, omdat partijen eind 2025 feitelijk uit elkaar zijn gegaan.
Uit het verhandelde ter zitting volgt dat partijen het erover eens zijn dat het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw in 2025 € 196,= per maand bedroeg, hetgeen ook volgt uit de als productie 9 bij het gewijzigd verzoek van de vrouw overgelegde draagkrachtberekening.
De man is directeur-grootaandeelhouder. Zijn loon wordt uitgekeerd via [bedrijf] B.V. Het (bruto) jaarinkomen van de man in 2025 bedraagt aldus € 51.536,=, hetgeen volgt uit de door mr. Gootzen als bijlage 5 bij het verweerschrift overgelegde jaaropgave. Door en namens de man is ter zitting verklaard dat voor de berekening van zijn NBI voor wat betreft zijn loon kan wordt uitgegaan van voornoemde als productie 9 overgelegde draagkrachtberekening. De rechtbank houdt rekening met het in die berekening opgenomen bedrag aan ingehouden pensioenpremie en aanvullende pensioenpremie.
Tussen partijen is in geschil of aan de zijde van de man verder rekening dient te worden gehouden met inkomen uit aanmerkelijk belang in box 2, zijnde een bedrag aan uitgekeerd dividend. De vrouw acht het gelet op de dividenduitkeringen in de voorgaande jaren redelijk om uit te gaan van een (gemiddeld) bedrag van € 100.000,=. De man heeft zich onder verwijzing naar de aangiftes inkomstenbelasting over de betreffende jaren op het standpunt gesteld dat de uitgekeerde bedragen aan dividend nagenoeg volledig zijn teruggestort in het bedrijf, en naar de rechtbank begrijpt dus niet ten goede zijn gekomen aan het gezinsinkomen. Door en namens de vrouw is deze stelling niet dan wel onvoldoende betwist. De rechtbank zal mede gelet op de omstandigheid dat in onderhavige voorlopige voorzieningenprocedure geen ruimte is voor een diepgravend onderzoek bij de draagkracht van de man geen rekening houden met een uitgekeerd bedrag aan dividend.
Verder staat vast dat de man eigenaar is van een drietal onroerende zaken die door hem worden verhuurd. De man heeft in verweer gesteld dat de netto-opbrengst van deze onroerende zaken € 21.611,48 bedraagt. De rechtbank zal met dit bedrag – dat door de vrouw niet wordt betwist en overigens ook is overgenomen in voornoemde als productie 9 overgelegde draagkrachtberekening – in deze voorlopige voorzieningenprocedure dan ook rekening houden. De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting. Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man in 2025 op een bedrag ter hoogte van € 4.726 ,= per maand.
Het NBGI van partijen ten tijde van de samenleving komt dan op € 4.922,= per maand. Bij het NBGI dient het kindgebonden budget te worden opgeteld. Uitgaand van voornoemd NBGI kwamen partijen in aanmerking voor een kindgebonden budget van
€ 134,= per maand. Aan de hand van deze gegevens heeft de rechtbank het in dit kader relevante NBGI van partijen becijferd op € 5.056,= per maand. Dit gegeven, gevoegd bij het ten aanzien van de minderjarige toepasselijke aantal kinderbijslagpunten, levert een tabelbedrag op van € 687,= per maand. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt die behoefte (tabelbedrag) thans € 719,= per maand.
Draagkracht onderhoudsplichtigen;
Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarige
tussen de onderhoudsplichtigen moet worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht
de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van kinderen
tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient
eerst het NBI van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht
wordt in 2026 bij inkomens vanaf € 2.200,= per maand vastgesteld aan de hand van de
formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,=)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI
van € 2.200,= per maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.
Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van de minderjarigen becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig NBI, waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.
Draagkracht vrouw;
Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw een inkomen heeft dat lager is dan € 1.950,= per maand. Dit betekent dat de rechtbank zal uitgaan van een minimumdraagkracht van € 25,=.
Draagkracht man;
De rechtbank gaat bij het bepalen van het huidige inkomen van de man uit van de door mr. Gootzen als productie 5 overgelegde loonstroken over januari en februari 2026. Daaruit volgt een bruto inkomen van € 4.169,=. per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. De rechtbank houdt rekening met de pensioenpremie en aanvullende pensioenpremie. De rechtbank houdt om reden zoals hiervoor onder 3.15. is overwogen geen rekening met inkomen van de man uit dividend en zal verder om reden zoals hiervoor in rechtsoverweging 3.16. is overwogen rekening houden met een netto-huuropbrengst van € 21.611,48. De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.
Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag van € 4.870,= per maand.
Draagkrachtvergelijking;
De draagkracht van de man is volgens formule € 1.431,= per maand. De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de tabel € 25,= per maand.
De verdeling van de kosten van de minderjarige over de onderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de minderjarige, oftewel:
het aandeel van de man bedraagt: € 1.431 / € 1.456 x € 719 = € 707,=
het aandeel van de vrouw bedraagt: € 25 / € 1.456 x € 719 = € 12,=.
Zorgkorting;
Gelet op de hiervoor onder rechtsoverweging 3.7. bepaalde voorlopige zorgregeling acht de rechtbank een zorgkorting van 35% passend. Nu de behoefte van [minderjarige] € 719,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 252 ,= per maand. Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen € 455,= per maand. Die bijdrage acht de rechtbank overigens in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook deels toewijzen.
Partneralimentatie;
De vrouw verzoekt - na wijziging van haar verzoek – om een door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van € 4.520,-- per maand. De vrouw legt aan haar verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage ten grondslag dat zij behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat deze de financiële draagkracht heeft die te voldoen.
De man voert verweer en betwist de behoefte van de vrouw aan een bijdrage. De man stelt primair dat de vrouw in de kosten van haar levensonderhoud kan voorzien.
Behoefte;
Niet in geschil is tussen partijen dat de hoogte van de (huwelijksgerelateerde) behoefte van de vrouw kan worden berekend op basis van de zogenoemde hofnorm, inhoudende dat de behoefte gelijkgesteld wordt aan 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen (verder: NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen verminderd met de kosten van eventuele minderjarige kinderen.
Zoals hiervoor is overwogen bedraagt het NBI van de man ten tijde van de samenleving € 4.726,= per maand en het NBI van de vrouw (exclusief kindgebonden budget) bedraagt € 196,= per maand. Het NBGI bedraagt aldus € 4.922,=. Dit NBGI, verminderd met de kosten van de kinderen komt met toepassing van de Hofnorm neer op een huwelijksgerelateerde behoefte van € 2.522,= netto per maand.
Aanvullende behoefte vrouw;
Om te bepalen of, en zo ja, in welke mate de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man, dient op deze huwelijksgerelateerde behoefte in mindering te worden gebracht haar eigen netto inkomen. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 3.14. is overwogen bedraagt het NBI van de vrouw (exclusief kindgebonden budget) een bedrag ter hoogte van € 196,= per maand. Partijen dienen de discussie omtrent de vraag of de vrouw zich voldoende inspant om in haar eigen levensonderhoud te voorzien in de bodemprocedure te voeren.
Haar behoefte aan een aanvullende bijdrage bedraagt, gelet op haar eigen netto inkomen ter hoogte van € 196,= per maand, aldus € 2.326,= netto per maand.
Draagkracht man;
De rechtbank zal zoals hiervoor in rechtsoverweging 3.23. is overwogen aan de zijde van de man uitgaan van een NBI van € 4.870,=. Gelet op het vorenstaande en uitgaande van een draagkrachtpercentage van 60, acht de rechtbank bij de man de draagkracht aanwezig om, naast voormelde kosten van de minderjarige, € 519,= netto, zijnde € 831,= bruto per maand te voldoen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. De rechtbank stelt onder verwijzing naar voorgaande rechtsoverweging vast dat de vrouw in ieder geval behoefte heeft aan deze bijdrage. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook deels toewijzen.
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.
Tot slot;
Tegen deze beslissing staat, nu het voorlopige voorzieningen betreft, geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 824 lid 1 Rv kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft.
4. De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021, wordt toevertrouwd aan de vrouw;
bepaalt dat tussen de man en voornoemde minderjarige een voorlopige zorgregeling geldt waarbij de minderjarige afwisselend in de ene week van donderdagavond 19:00 uur tot zondagavond 19:00 uur bij de man verblijft, en in de andere week van vrijdagavond 19.00 uur tot zondagavond 19.00 uur, met inachtneming van hetgeen hierover verder in rechtsoverweging 3.7. is overwogen;
bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige op € 455,= per maand, zulks met ingang van 27 maart 2026;
bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud op € 831,= bruto per maand met ingang zulks met ingang van 27 maart 2026;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Verschoor-Bergsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026, in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier.