RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers:
C/02/447611 / JE RK 26-729 (verlenging ondertoezichtstelling [minderjarige 1] en [minderjarige 2] )
C/02/447618 / JE RK 26-733 (machtiging tot uithuisplaatsing [minderjarige 1] )
Datum uitspraak: 22 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedag 1] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedag 2] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[ouder 1] en [ouder 2]
hierna te noemen: de ouders,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.V. de Nooijer te Middelburg.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
In de zaak C/02/447611 / JE RK 26-729
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 17 april 2026, ontvangen op 21 april 2026.
In de zaak C/02/447618 / JE RK 26-733
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 21 april 2026, ontvangen op 21 april 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders, met hun advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Bij beschikking van 7 juni 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de
GI gesteld met ingang van 7 juni 2024 en tot 7 juni 2025. De ondertoezichtstelling is nadien bij beschikking van 4 juni 2025 verlengd met ingang van 7 juni 2025 tot 7 juni 2026.
3. Het verzoek
In de zaak C/02/447611 / JE RK 26-729
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
In de zaak C/02/447618 / JE RK 26-733
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI handhaaft de verzoeken en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar de verzoekschriften. Kort samengevat stelt de GI dat er nog steeds sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Sinds 16 april 2026 verblijft [minderjarige 1] in samenspraak met de ouders doorlopend bij [de oma] , de al langer betrokken weekendpleegouder. Dit verloopt goed en het is in het belang van [minderjarige 1] dat deze plaatsing wordt voortgezet. Een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] is noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding, zodat zij verder tot rust kan komen. De komende periode is het van belang dat de moeder individuele hulpverlening gaat accepteren. Pas dan kan er gewerkt worden aan de hechtingsrelatie tussen [minderjarige 1] en de moeder.
De advocaat heeft ter zitting naar voren gebracht dat de ouders zich refereren aan het oordeel van de kinderrechter voor wat betreft het verzoek van de GI tot het verlengen van de ondertoezichtstelling. Voor wat betreft het verzoek om [minderjarige 1] uit huis te plaatsen, verzoekt de advocaat om dit af te wijzen, nu er minder ingrijpende alternatieven mogelijk zijn, zoals de inzet van intensieve thuisbegeleiding. De moeder licht toe dat het haar eerder niet is gelukt om de hulpverlening te aanvaarden, omdat zij tijd en rust nodig had. De moeder zou graag eerst meer duidelijkheid verkrijgen omtrent het persoonlijkheidsonderzoek voordat zij hiermee akkoord gaat en wil hier graag over in gesprek met haar advocaat en [jeugdhulp] . De ouders zouden graag zien dat [minderjarige 1] snel naar huis komt. De ouders betwisten dat [minderjarige 1] niet goed verzorgd zou worden thuis. Wel erkennen zij dat er sprake is van hechtingsproblematiek, maar het is lastig om hieraan te werken als [minderjarige 1] niet thuis woont. De ouders begrijpen dat de plaatsing van [minderjarige 1] bij [de oma] op dit moment in het belang van [minderjarige 1] is, alhoewel zij zich afvragen of er niet minder ingrijpende alternatieven mogelijk zijn. De ouders zijn gemotiveerd om aan zichzelf te werken en de situatie te verbeteren.
5. De beoordeling
In de zaak C/02/447611 / JE RK 26-729
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter zal derhalve het – onweersproken – verzoek van de GI toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de duur van een jaar. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat de doelen van de ondertoezichtstelling nog niet zijn behaald. Ondanks de inzet van de ouders het afgelopen jaar zijn er nog grote zorgen rondom de ontwikkeling van de minderjarigen. De kinderrechter maakt zich zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling en de fysieke en emotionele veiligheid van de minderjarigen. [minderjarige 1] laat een behoorlijke terugval zien op school, waarbij zij zorgelijk gedrag vertoont dat wijst op ernstige problemen in de emotieregulatie. [minderjarige 1] kampt met driftbuiten, laat negatief gedrag zien in de vorm van knijpen, duwen en spugen, heeft moeite om zelfstandig te functioneren en kan erg claimend gedrag vertonen richting zowel bekende als onbekende personen. Daarnaast maakt de kinderrechter zich zorgen over de opvoedsituatie bij de ouders thuis, de hechtingsrelatie tussen de moeder en [minderjarige 1] en het feit dat de hulpverlening in de afgelopen periode is gestagneerd. De moeder stond tot heden niet open voor een persoonlijkheidsonderzoek, hetgeen in de weg staat voor de inzet van passende hulpverlening.
De komende periode vindt de kinderrechter het van belang dat de moeder individuele hulpverlening gaat accepteren. De kinderrechter vindt het hierbij positief dat de moeder inmiddels open staat voor een persoonlijkheidsonderzoek en verwacht van de GI dat hierover een gesprek wordt ingepland met de moeder om haar meer duidelijkheid te verschaffen en haar zo spoedig mogelijk aan te melden. De GI dient hier voortvarend mee aan de slag te gaan, want pas dan kan er behandeling worden opgestart die gericht is op trauma- en hechtingsproblematiek.
In de zaak C/02/447618 / JE RK 26-733
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. De kinderrechter zal derhalve het verzoek van de GI toewijzen en de machtiging tot uithuisplaatsing verlenen met ingang van 22 mei 2026 en tot 7 juni 2026.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht blijkt dat [minderjarige 1] sinds januari 2026 om het weekend en een deel van de vakanties bij [de oma] verblijft. Op 16 april 2026 is er vanuit de GI en in samenspraak met de ouders voor gekozen om [minderjarige 1] bij [de oma] te laten verblijven. [minderjarige 1] vertoont zoals hierboven beschreven zorgelijk en negatief gedrag en lijkt thuis in de “overlevingsstand” te staan. Deze zorgen zijn niet alleen afkomstig van [de oma] , maar ook de school heeft zorgen en benoemt dat sprake is van stagnatie in leren en in ontwikkeling.
[minderjarige 1] lijkt veel stress te ervaren (ook rondom de contactmomenten met de ouders), wat leidt tot obstipatie en een toename in tics en freeze reacties. Ook doet [minderjarige 1] zorgelijke uitspraken, in die zin dat zij aangeeft dat [de oma] de allerliefste is en dat zij haar geen pijn doet. De algehele ontwikkeling van [minderjarige 1] staat onder druk en de huidige situatie biedt onvoldoende waarborgen voor een stabiele en veilige ontwikkeling. De ouders lijken onvoldoende aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige 1] , mede gelet op het feit dat zij gezien haar problematiek meer nodig heeft van haar ouders dan zij haar op dit moment kunnen bieden. [minderjarige 1] heeft behoefte aan een omgeving die in kan gaan op haar behoeften en waarbij zij vanuit een veilige stabiele basis verder kan ontwikkelen. Bij [de oma] komt [minderjarige 1] tot rust, voelt zij zich veilig en ontwikkelt zij zich goed. De kinderrechter vindt het gelet op het voorgaande van belang dat de plaatsing bij [de oma] blijft voortduren. De kinderrechter wil hierbij wel benadrukken dat het streven is dat [minderjarige 1] weer zo snel mogelijk terugkeert naar huis.
In beide zaken
De kinderrechter verklaart de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissingen direct gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
In de zaak C/02/447611 / JE RK 26-729
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 7 juni 2026 tot 7 juni 2027;
In de zaak C/02/447618 / JE RK 26-733
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 22 mei 2026 en tot 7 juni 2026;
verklaart deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verplanke als griffier,
en op schrift gesteld op 4 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.