RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447166 / JE RK 26-657
Datum uitspraak: 26 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. J.C. Heijmann uit Papendrecht.
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. T. van Riel uit Breda.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 14 april 2026;
het verweerschrift van mr. Heijmann met bijlagen van 22 mei 2026;
het bericht van mr. Van Riel met bijlagen van 26 mei 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij haar vader.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 mei 2025 [minderjarige] onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 27 mei 2025 tot 27 mei 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI heeft ter onderbouwing van het verzoek, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De school ziet [minderjarige] als een vrolijk meisje, dat zich ontwikkelt binnen haar eigen ontwikkelingslijnen. Wel zijn er wat zorgen over haar spraak en concentratie. [minderjarige] is daarom op advies van de school en de logopedie aangemeld bij [hulpverlening 1] , om te onderzoeken of sprake is van een taalontwikkelingsstoornis. Er heeft recent een intake plaatsgevonden. De zorgen van de GI over [minderjarige] zijn vooral gelegen in de strijd tussen de ouders. Het lukt de ouders niet om afspraken met elkaar te maken over [minderjarige] . Zij willen allebei het beste voor [minderjarige] , maar denken verschillend over wat zij nodig heeft. Dit wordt bemoeilijkt door het negatieve beeld dat de moeder van de vader heeft. Zij vindt dat de vader alles moeilijk maakt en alles wil bepalen. De inzet van ouderschapsbemiddeling door de Gezinsmanager is noodzakelijk om de patronen tussen de ouders te doorbreken en vandaaruit in te zetten op het belang van [minderjarige] en welke afspraken voor [minderjarige] belangrijk zijn. Het traject bij de Gezinsmanager is in april 2026 van start gegaan en zal ongeveer een jaar duren. De ouders werken mee, maar het traject verloopt moeizaam omdat zij blijven hangen in wantrouwen en verwijten richting elkaar. Vanuit de Gezinsmanager wordt voor [minderjarige] een kindbehartiger ingezet. [minderjarige] praat daarnaast sinds augustus 2025 met een kindercoach vanuit school, die is aangesloten bij [praktijk] . Vanuit [hulpverlening 2] zijn een persoonlijk begeleider en een omgangsbegeleider betrokken bij de moeder en haar zoon [de halfbroer] . De hulpverlening van [hulpverlening 2] is dus niet direct betrokken bij [minderjarige] . Het rapport ‘goed genoeg ouderschap’ dat de moeder heeft overgelegd heeft alleen betrekking op de moeder en [de halfbroer] , niet op [minderjarige] . Bovendien betekent goed genoeg ouderschap voor [de halfbroer] niet dat de moeder het ook goed zal doen als zij voor [de halfbroer] én [minderjarige] moet zorgen. De GI wil het traject bij de Gezinsmanager afwachten, om te bezien of het de ouders met die hulpverlening lukt afspraken te maken over de verdeling van de zorg voor [minderjarige] . Ook wil de GI de uitkomsten van het onderzoek van [hulpverlening 1] afwachten, zodat er meer duidelijkheid komt over de (taal)ontwikkeling van [minderjarige] , wat zij daarvoor nodig heeft en om de resultaten van deze vorm van hulpverlening in te bedden. Gezien de strijd van de ouders en omdat het eerder niet is gelukt om in een vrijwillig kader hulpverlening in te zetten, is een gedwongen kader nog steeds noodzakelijk. De GI merkt verder op dat zij geen regie heeft over de contactregeling en dat zij zich ook afvraagt of dit helpend zou zijn. De samenwerking tussen de GI en de ouders verloopt weliswaar goed, maar gebleken is dat de GI onderdeel van de strijd tussen de ouders wordt als het bijvoorbeeld gaat over het maken van afspraken over de contactregeling tijdens de schoolvakantie. Tot slot geeft de GI aan geen zicht te hebben op wanneer de vaste jeugdbeschermer weer beschikbaar is.
Door en namens de vader is, samengevat, aangevoerd dat hij kan instemmen met verlenging van de ondertoezichtstelling. De vader vindt dat het goed gaat met [minderjarige] . Wel merkt hij dat het traject bij [hulpverlening 1] een extra belasting voor haar is. Daarnaast geeft de vader aan dat hem in het verweerschrift van de moeder ten onrechte allerlei zaken worden verweten. De vader doet zijn best om met de moeder te communiceren en haar te betrekken bij zaken aangaande [minderjarige] . Om discussie te voorkomen communiceert de vader bij voorkeur via Whatsapp. Het is voor de vader ook vanwege zijn werk belangrijk om vast te houden aan de gemaakte afspraken over de contactregeling.
Door en namens de moeder is, samengevat, aangevoerd dat zij zich refereert aan het oordeel van de kinderrechter over het verzoek van de GI. Op dit moment loopt er een hulpverleningstraject en om de vader daarbij betrokken te houden is een ondertoezichtstelling noodzakelijk. Voorts brengt de moeder naar voren dat zij altijd de wens heeft gehad dat [minderjarige] bij haar komt wonen. De GI heeft nog altijd geen zicht op hoe [minderjarige] het bij de moeder thuis doet. Aan het voorstel van de moeder om tijdens een vakantie mee te kijken is geen opvolging gegeven door de GI. Hierdoor blijven de stigma’s over de moeder die vooral vanuit het netwerk van de vader voortkomen leven. Ook nu staan in het plan van aanpak zorgen over de thuissituatie van de moeder benoemd, maar die zijn in het geheel niet aan de orde. Door het rapport ‘goed genoeg ouderschap’, dat ten aanzien van de moeder en [de halfbroer] is opgesteld, wilde de moeder inzicht geven in haar thuissituatie. De hulpverleenster vanuit [hulpverlening 2] heeft aangegeven open te staan voor overleg, maar hiervan is geen gebruik gemaakt. Inmiddels is het traject bij de Gezinsmanager gestart. De Gezinsmanager is vooral bezig het systeem van beide ouders in kaart te brengen, waarna beide ouders ieder voor zich een concept ouderschapsplan moeten opstellen. De moeder had echter gehoopt dat tijdens gezamenlijke gesprekken tussen de ouders lopende vraagstukken konden worden besproken. Doordat dit nu niet gebeurt, blijft zij zich machteloos voelen. Als zij bijvoorbeeld de vader vraagt of zij [minderjarige] een dag extra bij zich mag hebben, krijgt zij altijd ‘nee’ te horen van de vader. Ondanks dat de moeder begrijpt dat de jeugdbeschermer geen bevoegdheid heeft om de contactregeling aan te passen, verwacht zij wel dat de jeugdbeschermer daarin betere regie gaat voeren en de vader aanspreekt op het steevast afwijzen van alle verzoeken vanuit de moeder. De moeder voelt zich buiten spel gezet en had gehoopt dat de GI meer had gedaan om te komen tot gelijkwaardig ouderschap.
5. De beoordeling
Op grond van artikel 1:260 lid 1 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat de zorgen over haar onverminderd aanwezig zijn. Hoewel er zorgen zijn over de taalontwikkeling en concentratie van [minderjarige] , ziet de kinderrechter dat de zorgen met name gelegen zijn in de voortdurende ernstige ouderstrijd. De ouders verschillen van visie over wat het beste is voor [minderjarige] , maken elkaar verwijten en hebben onvoldoende vertrouwen in elkaar. Het lukt hen niet om samen invulling te geven aan het ouderschap en met ondersteuning van de jeugdbeschermer afspraken te maken over bijvoorbeeld de contactregeling over [minderjarige] in de aanstaande zomervakantie. Een ander tekenend voorbeeld is dat de vader stelt dat het goed gaat met [minderjarige] , terwijl de moeder zich juist veel zorgen maakt over [minderjarige] en van mening is dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij bij haar komt wonen. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter de indruk gekregen dat het bijna niet anders kan dan dat [minderjarige] de spanningen tussen de ouders meekrijgt en belast wordt met de voortdurende strijd die over haar gevoerd wordt. De kinderrechter maakt zich hier zorgen over. Het is schadelijk voor de ontwikkeling van [minderjarige] en er bestaat een risico dat zij steeds verder klem raakt tussen de ouders en zich op enig moment gedwongen zal voelen om tussen hen te kiezen. Positief is dat de ouders recent zijn gestart bij de Gezinsmanager met een traject gericht op het verbeteren van de communicatie en de samenwerking tussen hen. De kinderrechter complimenteert de ouders hiervoor en spreekt de hoop uit dat zij zich volledig zullen blijven inzetten, zodat het traject een goede kans van slagen heeft.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Vanwege de aanhoudende ouderstrijd gaat dit de ouders samen niet lukken. Vrijwillige hulpverlening is eerder ook ontoereikend gebleken om de zorgen rondom [minderjarige] weg te nemen en de kinderrechter heeft er onvoldoende vertrouwen in dat dit op dit moment anders zal zijn.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds noodzakelijk. De kinderrechter heeft zich ervan vergewist dat ook beide ouders die noodzaak zien. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. Voor de ontwikkeling van [minderjarige] is het namelijk belangrijk dat de hulpverlening ongestoord doorloopt.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 27 mei 2026 tot 27 mei 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026 door mr. Vos, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Noort als griffier, en op schrift gesteld op 9 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.