ECLI:NL:RBZWB:2026:565

ECLI:NL:RBZWB:2026:565

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 02-02-2026
Datum publicatie 02-02-2026
Zaaknummer 02-280838-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Medeplegen van opzettelijk ontploffingen teweegbrengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, geen toepassing adolescentenstrafrecht, taakstraf, benadeelde partij niet ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02-280838-24

vonnis van de meervoudige kamer van 2 februari 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2005 te [plaats 1] ,

wonende te [woonadres] te [plaats 1] ,

raadsvrouw mr. N. Wouters, advocaat te Middelburg.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 januari 2026, waarbij de officier van justitie, mr. M.C. Fimerius, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 31 december 2023 samen met anderen:

feit 1: een ontploffing teweeg heeft gebracht met vuurwerk en/of een brandbare vloeistof bij een woon-zorgcomplex met gemeen gevaar voor goederen;

feit 2: een ontploffing teweeg heeft gebracht met vuurwerk en/of een brandbare vloeistof bij [woon-zorgcomplex] met gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor passanten en/of aanwezige omstanders;

feit 3: een ontploffing teweeg heeft gebracht met vuurwerk en/of een brandbare vloeistof op een garageplein met gemeen gevaar voor goederen.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte 1] opzettelijk een ontploffing bij het woon-zorgcomplex teweeg heeft gebracht. De rol van verdachte kan als die van medepleger worden gekwalificeerd. Hij is samen met [medeverdachte 1] vuurwerkbommen gaan “knutselen” en zij zijn samen naar de afsteeklocatie gegaan. Dat verdachte en [medeverdachte 1] nauw verbonden met elkaar samenwerkten, blijkt ook uit het filmpje van de ontploffing waarop zij allebei te horen zijn. Ook was sprake van gemeen gevaar voor goederen.

Feit 2

De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat door de ontploffing gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor passanten en/of aanwezige omstanders te duchten was. Er is niets bekend over of en op welke afstand zich personen bevonden. Verdachte dient van feit 2 te worden vrijgesproken.

Feit 3

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit heeft gepleegd. Het medeplegen kan bewezen worden, omdat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Het was een gezamenlijk idee om de vuurwerkbom op het garageplein af te steken, waarbij verdachte heeft bekend de vuurwerkbom daadwerkelijk te hebben aangestoken. Uit pagina 224 van het dossier blijkt het gemeen gevaar voor goederen.

Het standpunt van de verdediging

Feit 1

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en verzoekt verdachte vrij te spreken. Het enkel aansteken van de lont is ondergeschikt aan het maken en gooien van de vuurwerkbom. Verdachte had geen zeggenschap over tegen welk object er werd gegooid en daarmee ontbreekt de gezamenlijke uitvoering. Ook had hij geen opzet op het teweegbrengen van een ontploffing bij een woonzorg-complex.

Feit 2

De verdediging bepleit vrijspraak. Verdachte heeft geen wezenlijke bijdrage geleverd en door de ontploffing was geen gemeen gevaar voor goederen en/of personen te duchten.

Feit 3

De verdediging meent dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en verzoekt verdachte vrij te spreken. Verdachte heeft de vuurwerkbom aangestoken, maar niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet op het veroorzaken van een brand of ontploffing had en daardoor het risico heeft aanvaard dat goederen in de brand gingen. Het garageplein is een open ruimte tussen schuttingen en garageboxen. Het mogelijke gevaar voor goederen is onvoldoende onderbouwd.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op basis van de bewijsmiddelen in het dossier en de verklaring van verdachte ter zitting als vaststaand worden aangemerkt.

Verdachte is op 31 december 2023, met onder meer de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , aanwezig geweest in het huis van [medeverdachte 2] in [plaats 2] om Oud en Nieuw te vieren. Een dag van te voren en op Oudejaarsdag zelf is in de vriendengroep, waar onder meer alle drie de verdachten deel van uitmaken, het plan ontstaan en besproken om het vuurwerk “groter te maken” en om daarvoor benzine te halen. Op Oudejaarsdag omstreeks 14:17 uur heeft [medeverdachte 1] een jerrycan met benzine bij het [tankstation] in [plaats 1] gevuld en deze meegenomen naar [medeverdachte 2] . Verdachte en [medeverdachte 1] hebben ook allebei minimaal één pakje cobra’s mee naar het huis van [medeverdachte 2] genomen. In het huis van [medeverdachte 2] zijn verdachten zogenoemde vuurwerkbommen gaan “knutselen”, bestaande uit één of meerdere cobra’s waaraan met behulp van duct tape flessen gevuld met benzine werden vastgemaakt. Vaststaat in ieder geval dat verdachte en [medeverdachte 1] flessen met benzine hebben gevuld en dat [medeverdachte 2] duct tape heeft aangegeven om de cobra’s en flessen gevuld met benzine aan elkaar vast te maken.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachten op een gegeven moment naar buiten zijn gegaan met het plan om een van de hiervoor beschreven vuurwerkbommen op het garageplein aan te steken en deze tot ontploffing te brengen. Omstreeks 18:11 uur vindt er een ontploffing op het garageplein gelegen tussen de [straat 1] en de [straat 2] plaats (feit 3). Na de ontploffing op het garageplein zijn alle drie de verdachten gezamenlijk terug naar het huis van [medeverdachte 2] gegaan en zijn zij zwaardere vuurwerkbommen gaan “knutselen”. De groep met onder meer de drie verdachten is op een gegeven moment weer naar buiten gegaan om een nieuwe vuurwerkbom aan te steken en deze tot ontploffing te brengen. Omstreeks 19:53 uur vindt er een ontploffing bij een woon-zorgcomplex gelegen aan het [plein] plaats (feit 1). De groep is daarna opnieuw terug naar het huis van [medeverdachte 2] gegaan, waar er wederom vuurwerkbommen zijn gemaakt. De groep met onder meer de drie verdachten is vervolgens weer naar buiten gegaan en omstreeks 22:16 uur vindt er een ontploffing bij [woon-zorgcomplex] aan het [plein] plaats (feit 2).

De rechtbank ziet zich ten aanzien van de drie ten laste gelegde feiten voor de vraag gesteld of de rol van verdachte als die van medepleger kan worden gekwalificeerd en of door de ontploffingen gemeen gevaar voor goederen en voor feit 2 ook levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor passanten en/of aanwezige omstanders te duchten was.

Voorop gesteld dient te worden dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Feit 1

Gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, was er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een gezamenlijke uitvoering van het vooraf opgevatte plan om de vuurwerkbom samen aan te steken en daarmee tot ontploffing te brengen. De groep, waar ook de drie verdachten deel van uitmaakten, is naar buiten gegaan, waarna die terecht is gekomen bij het woon-zorgcomplex. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij denkt dat hij één van de twee personen is die de vuurwerkbom bij het woon-zorgcomplex heeft aangestoken en/of gegooid. De rechtbank kan niet met voldoende zekerheid vaststellen wie van de groep de vuurwerkbom bij het woon-zorgcomplex heeft aangestoken en geplaatst of gegooid, maar wel kan er worden vastgesteld dat de drie verdachten als groep naar buiten zijn gegaan met als doel om de vuurwerkbom aan te steken. Ook stelt de rechtbank vast dat de verdachten tijdens de ontploffing als groep erbij zijn gebleven en de ontploffing hebben gefilmd, waarna de groep met onder meer de drie verdachten weer gezamenlijk naar het huis van [medeverdachte 2] is gegaan om verder te gaan met het “knutselen” van vuurwerkbommen. Ook concludeert de rechtbank op basis van het dossier dat geen van de verdachten zich op een daartoe geëigend tijdstip heeft teruggetrokken. Verder leidt de rechtbank uit het dossier af dat door de ontploffing gemeen gevaar voor goederen te duchten was, hetgeen ook niet door de verdediging is betwist. De voorgevel van het woon-zorgcomplex en de gordijnen zijn beschadigd geraakt.

Gelet op de door de rechtbank vastgestelde feiten, zoals hiervoor beschreven, is naar het oordeel van de rechtbank bewezen dat verdachte zich samen met de medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het teweegbrengen van de ontploffing bij het woon-zorgcomplex. Hun samenwerking is zodanig intensief geweest en hun rol daarbij was van een dusdanig materieel gewicht, dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking bij het teweegbrengen van die ontploffing. Daarbij is niet relevant wie de vuurwerkbom bij het woon-zorgcomplex daadwerkelijk tot ontploffing heeft gebracht.

Feit 2

De rechtbank is, zoals ook door de officier van justitie gerekwireerd en door de verdediging is bepleit, van oordeel dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat door de ontploffing bij [woon-zorgcomplex] gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor passanten en/of aanwezige omstanders te duchten was. De rechtbank kan niet vaststellen of en op welke afstand zich personen bevonden ten opzichte van de plek waar de vuurwerkbom tot ontploffing is gebracht. Om die reden zal de rechtbank verdachte van dit feit vrijspreken.

Feit 3

Gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, was er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een gezamenlijke uitvoering van het vooraf opgevatte plan om de vuurwerkbom samen op het garageplein aan te steken en daarmee tot ontploffing te brengen. Alle drie de verdachten hebben zich onmiddellijk voorafgaand aan de ontploffing op het garageplein bevonden, waarbij verdachte de vuurwerkbom heeft aangestoken en [medeverdachte 1] de ontploffing heeft gefilmd. Na de ontploffing zijn alle drie de verdachten gezamenlijk terug naar het huis van [medeverdachte 2] gegaan. Op grond van de bewijsmiddelen en dan met name de stills van het filmpje van de ontploffing op het garageplein op pagina 228 tot en met 230 van het dossier, is de rechtbank van oordeel dat gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Op de stills ziet de rechtbank dat het vuur zich als gevolg van de ontploffing naar boven verplaatst en zich ook tegen de schuttingen van de achtertuin van de bewoners uitstrekt. Het gevaar dat deze schuttingen daardoor vlam zouden kunnen vatten dan wel in de brand zouden kunnen gaan, was naar het oordeel van de rechtbank voor de verdachten voorzienbaar en daardoor heeft verdachte het risico aanvaard dat goederen in de brand konden gaan. Dat het gevaar zich niet heeft verwezenlijkt, is voor de bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging niet relevant.

Gelet op de door de rechtbank vastgestelde feiten, zoals hiervoor beschreven, is naar het oordeel van de rechtbank bewezen dat verdachte zich samen met de medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het teweegbrengen van de ontploffing op het garageplein. Hun samenwerking is zodanig intensief geweest en hun rol daarbij was van een dusdanig materieel gewicht, dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking bij het teweegbrengen van die ontploffing.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1

op 31 december 2023 te [plaats 2] , gemeente Vlissingen tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een zogenaamde vuurwerkbom/brandbom, zijnde een fles inhoudende/bevattende brandstof, voorzien van

(zwaar) vuurwerk (cobra), vlakbij de gevel van het woon-zorgcomplex gelegen aan het [plein] te plaatsen en deze vuurwerkbom/brandbom aan te steken en tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand van voornoemd

woon-zorgcomplex en de inboedel van voornoemd woon-zorgcomplex te duchten was;

Feit 3

op 31 december 2023 te [plaats 2] , gemeente Vlissingen tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een zogenaamde vuurwerkbom/brandbom, bestaande uit fles(sen) bevattende brandstof, voorzien van (zwaar) vuurwerk, op het garageplein gelegen tussen de [straat 1] en de [straat 2] te plaatsen en deze vuurwerkbom/brandbom aan te steken en tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten poorten/schuttingen en/of garages/schuurtjes behorende bij de woningen gelegen aan de [straat 1] , te duchten was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie volgt het advies van de reclassering over de toepassing van het volwassenenstrafrecht. Zij vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 160 uur. De officier van justitie heeft bij haar strafreis rekening gehouden met de aard en ernst van de feiten, het tijdsverloop en de jonge leeftijd van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

Als de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de verdediging de rechtbank om het jeugdstrafrecht toe te passen. Dit mede gelet op de jonge leeftijd van verdachte en zijn niet-aangeboren hersenletsel (NAH), wat tot verminderde impulsremming, verhoogde beïnvloedbaarheid en moeite met het overzien van gevolgen kan hebben geleid, dat verdachte schoolgaand is en bij zijn ouders woont en dat de feiten zijn begaan onder een groepsdynamiek waarin impulsgedrag en wederzijdse beïnvloeding een grote rol speelden. Mocht de rechtbank het volwassenstrafrecht toepassen, acht de verdediging een (voorwaardelijke) gevangenisstraf niet passend gelet op het door verdachte ingezette traject.

Het oordeel van de rechtbank

Aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich samen met de medeverdachten schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een tweetal ontploffingen door cobra’s in combinatie met benzine aan te steken op een garageplein en bij een woon-zorgcomplex voor ouderen, met bij het woon-zorgcomplex schade aan de voorgevel en de gordijnen tot gevolg. De rechtbank neemt het verdachten in het bijzonder kwalijk dat zij na de eerste ontploffing op het garageplein nog een ontploffing met een zwaardere vuurwerkbom bij het woon-zorgcomplex teweeg hebben gebracht, terwijl verdachten het effect van de eerste ontploffing zagen en zelf ook hebben verklaard dat zij dit gevaarlijk vonden en dat het groter was dan zij hadden verwacht. Het veroorzaken van dergelijke ontploffingen veroorzaakt overlast, gevoelens van angst en onveiligheid en brengt onrust teweeg in de samenleving als geheel en bij de bewoners en omwonenden in het bijzonder. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Verdachte heeft een blanco strafblad.

Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van de reclassering van 16 december 2025. De reclassering veronderstelt dat ten tijde van de ten laste gelegde feiten het sociaal netwerk en middelengebruik (alcohol) een rol hebben gespeeld. Ook heeft verdachte door een ongeluk in mei 2022 hersenschade opgelopen, als gevolg waarvan verdachte moeite heeft met planning en zijn impulsbeheersing. Het risico op recidive wordt als laag ingeschat. Verdachte heeft geen contact meer met de medeverdachten, is sinds de ten laste gelegde feiten niet meer in aanraking met politie of justitie gekomen, maakt andere keuzes die passen bij zijn leeftijd en verdachte is in staat zijn eigen leven vorm te geven. In geval van een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat interventies en/of toezicht niet nodig worden geacht. De reclassering ziet geen contra-indicaties voor het opleggen van een detentie en/of een taakstraf.

Verder adviseert de reclassering – na overleg met de Raad voor de Kinderbescherming en ondanks dat verdachte hersenschade heeft, waardoor hij impulsieve beslissingen kan nemen – het volwassenenstrafrecht toe te passen. Verdachte kan, als het gaat om pedagogische beïnvloeding, zijn eigen keuzes maken en hij voorziet zelfstandig in zijn levensonderhoud. De gedragingen van verdachte passen bij zijn leeftijd en hij is in staat om te reflecteren op zijn eigen gedrag en andere keuzes te maken.

Adolescentenstrafrecht?

Verdachte was ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten 18 jaar en dus meerderjarig. Het uitgangspunt is dan de toepassing van het volwassenenstrafrecht. Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht kan de rechtbank het jeugdstrafrecht (het adolescentenstrafrecht) toepassen voor verdachten tussen de 18 en 23 jaar, als de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader en/of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Uit de kamerstukken behorend bij de invoering van het adolescentenstrafrecht (TK 2012-2013, 33 498, nr 3, pagina 1) volgt dat het adolescentenstrafrecht dient te worden toegepast als dit gelet op de ontwikkelingsfase van de jongvolwassenen de meest effectieve manier is om het gedrag positief te beïnvloeden, om zo ook de adolescent te stimuleren een verantwoorde rol in de samenleving op zich te nemen.

De rechtbank stelt op basis van de informatie over de persoonlijke omstandigheden van verdachte vast dat hij die beoogde positieve gedragsbeïnvloeding al heeft doorgemaakt en dat hij een verantwoorde rol in de samenleving op zich lijkt te hebben genomen. Uit het dossier volgen verder onvoldoende concrete aanknopingspunten voor toepassing van het adolescentenstrafrecht. De rechtbank zal daarom aansluiten bij het advies van de reclassering en het volwassenstrafrecht toepassen. De rechtbank zal in strafmatigende zin wel rekening houden met de jonge leeftijd en het niet-aangeboren hersenletsel van verdachte, de impulsiviteit en groepsdynamiek ten tijde van de bewezenverklaarde feiten en het tijdsverloop.

Strafmaat

Gelet op hetgeen zoals hiervoor beschreven en de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd, acht de rechtbank passend en geboden dat aan verdachte een taakstraf van 160 uur, te vervangen door 80 dagen hechtenis als verdachte de taakstraf niet goed uitvoert, wordt opgelegd. Het opleggen van een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf zal het door verdachte ingezette positieve traject doorkruisen. Om die reden acht de rechtbank het opleggen van een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf niet passend en zal worden volstaan met het opleggen van een taakstraf.

7. De benadeelde partij

feit 1

De benadeelde partij [woningcorporatie] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.988,31 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die de benadeelde partij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel en hoofdelijk kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente. Zij heeft daarbij, voor zover mogelijk, oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat een rechtsgeldige machtiging ontbreekt. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat de benadeelde partij wel rechtsgeldig gemachtigd is, refereert de verdediging zich voor wat betreft het schadebedrag, met dien verstande dat het vastgestelde bedrag hoofdelijk wordt opgelegd, aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat, nu een rechtsgeldige machtiging ontbreekt, niet kan worden vastgesteld dat de vordering tot schadevergoeding is ingediend door een daartoe bevoegde vertegenwoordiger. Namens de benadeelde partij is ter zitting niemand verschenen die de vordering nader zou kunnen toelichten. De rechtbank is van oordeel dat aanhouding van de behandeling van de zaak om de benadeelde partij gelegenheid te geven het gebrek in de vordering te herstellen, een onevenredige belasting van het strafgeding vormt, omdat in het onderhavige geval een voortvarende afdoening van de zaak dient te prevaleren. De benadeelde partij kan daarom niet in haar vordering worden ontvangen. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij [woningcorporatie] niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter indienen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van feit 2;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

feit 3: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 160 (honderdzestig) uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 80 (tachtig) dagen;

Benadeelde partij

feit 1

- verklaart de benadeelde partij [woningcorporatie] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Skalonjic, voorzitter, mr. N.C.W. Haesen en mr. N. van der Hoeven, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Vork, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 2 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. H. Skalonjic

Griffier

  • mr. A.G. Vork

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?